William
Quan Judge:
een biografische schets
Kirby Van Mater
William Quan Judge is een gigant uit de begintijd van de theosofische
beweging. In 1875, toen hij 24 jaar was, was hij een medestichter van
de Theosophical Society samen met H.P. Blavatsky en Henry S. Olcott.
De daaropvolgende 20 jaar werkte hij onophoudelijk en ijverig voor haar
doeleinden, tot zijn dood in 1896. Als belangrijkste theosofische functionaris
in Amerika van 1886 tot 1896, gaf hij leiding aan de Amerikaanse Afdeling
zodat deze de krachtigste in de Society werd, met het grootste aantal
actieve leden. Niet aflatend streefde hij naar zijn hoge opvatting van
de taak van de Society in de wereld: de grote behoefte van de mensheid
aan een nieuwe kijk op zichzelf en op het heelal.
Judge werd geboren in Dublin, Ierland, op 13 april 1851,
als zoon van Frederic H. Judge en Alice Mary Quan. Zijn moeder stierf
toen ze het leven schonk aan haar zevende kind, en zijn vader besloot
in 1864 naar New York te emigreren met zes kinderen. Judge studeerde
rechten terwijl hij bij zijn vader woonde, die kort daarna stierf. Toen
hij 21 was werd Judge Amerikaans staatsburger en in mei 1872 werd hij
toegelaten tot de orde van advocaten. Hij trouwde in 1874 met Ella M.
Smith, een onderwijzeres, en ze woonden in Brooklyn tot 1893 toen ze
verhuisden naar New York City.
De vader van Judge was ‘in hoge mate geïnteresseerd
in de vrijmetselarij’, en Judge was geïnteresseerd in religie,
magie en de Rozenkruisers.
In 1874 dacht ik erover het spiritisme
te onderzoeken en toen ik kol. Olcotts boek People from the Other
World [Mensen uit de andere wereld; in het Engels uitgegeven
in maart 1875] vond, schreef ik hem om het adres van een medium. Hij
antwoordde dat hij er toen geen wist, maar dat hij een kennis had,
Mw. Blavatsky, die hem had gevraagd me uit te nodigen voor een bezoek.
Ik heb Irving Place 46 in New York bezocht en met haar kennisgemaakt.1
De tijd tussen zijn ontmoeting met H.P.B. in 1875 en het
uitgeven van Isis Unveiled [Isis Ontsluierd] in 1877 was voor
Judge van bijzondere betekenis. Hij was actief betrokken bij het vormen
van de Theosophical Society, en studeerde met en leerde van H.P.B. toen
ze in New York woonde. Hij schreef later aan Damodar K. Mavalankar –
een stafmedewerker aan het hoofdkwartier in India en leerling van een
van Blavatsky’s leraren – dat H.P.B. als middelaar ‘de
glorieuze uren’ mogelijk maakte ‘die we doorbrachten met
het luisteren naar de woorden van de verlichte wezens die vaak laat
’s nachts kwamen als alles stil was, en die urenlang met H.S.O.
en mijzelf spraken’.2
Maar na het ondertekenen van het contract voor het uitgeven
van Isis Unveiled, kondigde H.P.B. aan dat ze naar India moest
gaan, zoals ze altijd al had gezegd. In tegenstelling tot Olcott, was
Judge niet in de positie om met H.P.B. mee te gaan in verband met verplichtingen
ten opzichte van zijn echtgenote en dochtertje. Hij was bijzonder van
streek en zocht H.P.B. bijna een jaar lang niet op, maar de breuk werd
hersteld voordat ze naar India vertrok. In die periode, of misschien
enkele maanden later, verloor Judge zijn dochtertje aan difterie. Dit
was een zware klap en hij schreef later aan Olcott in India: ‘In
mijn hart is vaak zoveel verdriet en een verlangen naar de kleine die
is heengegaan.’3
Nadat H.P.B. en Olcott Amerika hadden verlaten, raakte
Judge betrokken bij verschillende speculatieve zakelijke ondernemingen,
omdat, zoals hij Damodar in maart 1880 schreef, ‘ik nu ernaar
streef genoeg geld bijeen te krijgen om daarheen [naar India] te kunnen
gaan, wat er ook gebeurt, en mijn echtgenote met genoeg geld achter
te laten, of haar mee te nemen als ze dat zou willen’.4
Generaal Abner Doubleday beschrijft deze periode als volgt:
Ik aanvaardde de positie [van waarnemend
voorzitter] op dringend verzoek van H.P.B., met de bedoeling om voor
raad en advies voornamelijk te steunen op Judge; maar Judge dacht
dat hij een plaats in Venezuela had ontdekt voor mijnbouw, waar het
erts gemakkelijk kon worden gewonnen. Hij ging naar Campana in Venezuela
en liet mij, onwetend en onervaren als ik was, achter om de Society
te leiden zonder dat ik iets wist over de leden ervan.
Judge keerde na een tijd terug armer
dan tevoren en in nood omdat door zijn lange afwezigheid zijn advocatenpraktijk
was geruïneerd. Ik hoopte dat hij nu meer tijd zou kunnen wijden
aan de TS, maar hij kreeg een aanbod om naar Mexico te gaan, en vertrok
plotseling. De onderneming, wat het ook was, mislukte ook daar, en
hij keerde ontmoedigd terug.5
In Venezuela kreeg Judge Chagres-koorts, een kwijnende
ziekte waarvan hij nooit volledig herstelde. In 1883 hadden zijn speculatieve
ondernemingen in Zuid-Amerika hem platzak gemaakt met een grote schuld
en zonder advocatenpraktijk. Hij loste die schulden geleidelijk af in
de loop van het grootste deel van zijn leven. In 1883 nam hij zijn theosofische
werk weer op en hielp bij het oprichten van de Aryan6
Theosophical Society van New York City. Om bij het publiek belangstelling
te wekken hield hij bijeenkomsten – en hoewel hij in het begin
de enige aanwezige was, hield hij ze als voor een groot publiek.
Judge had zijn correspondentie met Damodar voortgezet,
en op de achterkant van Damodars brief van 11 juni 1883 stond een boodschap:
‘Je kunt maar beter hierheen komen M
’7
In 1884 had Judge het gevoel dat hij naar India kon gaan, hoewel niet
bekend is hoe hij zijn financiële problemen regelde en voorzag
in het onderhoud van zijn vrouw. Vroeg in dat jaar ging hij naar Engeland
waar hij de Sinnetts, de Arundales en andere leden in Londen bezocht;
daarna voegde hij zich bij H.P.B. en Olcott in Parijs. Judge wilde graag
doorreizen naar India, maar Olcott en H.P.B. vonden dat hij een poosje
bij hen zou moeten blijven. Eerst aarzelde Judge, en zag hij niet in
dat zijn eerste taak was om H.P.B. te helpen bij wat De Geheime
Leer zou worden.
In India bereikte de verstandhouding tussen Alexis en
Emma Coulomb en de Raad in Adyar intussen een kritiek punt. H.P.B. had
Mw. Coulomb voor het eerst in Caïro ontmoet in het begin van de
jaren zeventig, toen zij H.P.B. hielp, die na een schipbreuk zonder
geld zat. Jaren later toen de Coulombs platzak in Bombay aankwamen,
deden ze een beroep op H.P.B. om hulp. Vergeefs probeerde ze hen aan
werk te helpen, en tenslotte nodigde zij ze uit naar Adyar om tijdelijk
aan het hoofdkwartier te werken. Ze maakten zich al snel onmisbaar in
het dagelijkse werk aan het hoofdkwartier, en ze liet hen blijven. Er
ontstond een crisis kort voordat H.P.B. in 1884 naar Europa vertrok,
toen ze voorkwam dat Mw. Coulomb een toegewijd lid voor 2000 roepies
zou oplichten. Na het vertrek van H.P.B. verslechterde de relatie tussen
de Coulombs en het dagelijks bestuur voortdurend, en het echtpaar werd
tenslotte gevraagd te vertrekken. Rond die tijd benaderden de Coulombs
The Christian College Magazine in Madras met een aanbod om
voor geld ‘belastende informatie’ te verstrekken over H.P.B.
en de Theosophical Society.
Toen Judge hoorde hoe ernstig de situatie aan het hoofdkwartier
in Adyar was, zette hij zijn reis naar India voort, gewapend met alle
bevoegdheden en aanmoediging die hem ook maar konden worden gegeven.
Olcott, als voorzitter-stichter, gaf hem twee documenten: ten eerste
‘de bevoegdheid om, als hij dit nodig zou achten, de door mij
[Olcott] benoemde Raad van Toezicht in India op te heffen, en op welke
manier ook voor mij in India of in een ander deel van de wereld als
voorzitter op te treden, als hij dat nodig zou vinden en zoals hem misschien
op de gebruikelijke manier wordt geadviseerd’; en een tweede,
waarin hij hem opnieuw benoemt als ‘secretaris en penningmeester
van de Theosophical Society, met het recht om die functies in Azië
uit te oefenen’. Voordat Judge vertrok, ontving hij de volgende
boodschap van meester M:
Omdat ik je binnenkort in Adyar verwacht
te zien, wil ik je doordringen van het feit dat veel van het toekomstige
welzijn en van het van blaam zuiveren van de Society afhangt
van jouw tact, discretie en ijver. Wat u zaait zult u oogsten.
De verblinding van enkelen in de ‘Raad’ – en de
gevolgen ervan ontwikkelden zich tot duidelijk te voorziene tegenslag.
. .
Ga dan en red de Zaak door de Society
te redden. Vrees niets, ik zal ervoor zorgen dat je wordt geholpen.
Voortaan zul je de derde zijn in de duade – Werk alle
drie met hart en ziel in voor- en tegenspoed.
In Bombay schreef Judge op 15 juli aan Olcott dat de leden
in India niet in verwarring waren door de Coulomb affaire en hij kon
dus op weg naar Adyar vele theosofische groepen toespreken. Tenslotte
kwam hij daar op 10 augustus aan en op 11 september verscheen de eerste
aflevering van de aanval op de Society en op H.P.B. in The Christian
College Magazine.8 In deze periode
had Judge de kamers van H.P.B. niet bezocht die de ‘schrijn’
bevatten waardoor boodschappen werden verstuurd naar en ontvangen van
de meesters, hoewel hij Damodar verschillende keren daarom had gevraagd.
Nadat H.P.B. naar Europa was vertrokken, hadden de Coulombs geprobeerd
de schrijn en de muren van de kamer zo te maken dat het erop leek dat
er vervalste boodschappen via valdeuren en schuivende panelen waren
doorgegeven. Judge beschrijft de toestand van H.P.B.’s kamers
waarin deze zich bevonden toen hij ze voor het eerst bezocht:
Ik ontdekte dat Coulomb een gat in de
muur achter de schrijn gedeeltelijk had voltooid. Het was zo nieuw
dat de randen ervan ruw waren met uitstekende einden van latten en
de pleisterkalk lag nog op de grond. Daartegen had hij een nog niet
voltooide teakhouten kast geplaatst, speciaal daarvoor gemaakt met
een onecht paneel dat het gat in de muur verborg. Maar het paneel
was te nieuw om te functioneren en men moest het met geweld intrappen
om aan te tonen dat het er was. Alles was ongelijk, niet gesmeerd
en niet afgeschuurd. Hij was weggezonden voordat hij tijd had gehad
het werk af te maken. . . . Dit alles werd ontdekt en onderzocht in
aanwezigheid van veel mensen, . . .9
Judge had oorspronkelijk de bedoeling een flinke tijd
in India door te brengen, maar nadat de schrijn in het najaar van 1884
werd verbrand en het oktobernummer van The Christian College Magazine
was verschenen, vertrok hij plotseling naar Amerika, zonder daarvoor
een reden op te geven. Later zegt hij in een brief aan H.P.B., ‘Wil
je
over
mij vragen . . . Welke betekenis heeft zijn boodschap via jou dat ik
‘blijk gaf van intuïtie toen ik India verliet’?’
(5 februari 1886).10
De gevolgen van de afgelopen zeven jaar van beproevingen,
want dat waren ze, op het fysieke lichaam van Judge waren duidelijk
voor A.E.S. Smythe op de stoomboot naar New York: ‘Hij zag er
oud en flets uit en als men mij had gezegd dat hij 33 was, zou ik hebben
gezegd dat men er 20 jaar naast zat.’11
Bij zijn terugkeer in New York trad Judge in dienst bij
het advocatenkantoor waar ook Olcotts broer werkte. Hij ging door met
zijn brood te verdienen tot de laatste twee jaar van zijn leven, toen
zijn gezondheid zo zwak werd dat de Amerikaanse TS hem ondersteunde.
Toen hij weer in de advocatuur werkzaam was, gaf Judge zijn energie
aan het bevorderen van de theosofie. Hij blies het werk in New York
nieuw leven in, en reorganiseerde het volgens het oorspronkelijke programma
en met de naam ‘The Aryan Theosophical Society of New York’;
hij hield regelmatig bijeenkomsten, startte een theosofische uitleenbibliotheek,
en begon met het drukken van goedkope literatuur.
In april 1886 richtten Arthur Gebhard en Judge het tijdschrift
The Path op, met Judge als redacteur en Gebhard als business
manager. Dit werd later het officiële orgaan van de Amerikaanse
TS. Terwijl hij overdag als advocaat werkzaam was, werkte hij daarna
thuis tot diep in de nacht, omdat hij in het begin bijna elk artikel
zelf moest schrijven onder verschillende pseudoniemen.
Het Amerikaanse werk werd in die tijd uitgevoerd door
een Raad van Toezicht ingesteld door Olcott in 1884 toen hij in Londen
was. Prof. Elliott Coues was gekozen als voorzitter van de Raad op 4
juli 1885. In maart 1886 informeerde Judge bij H.P.B. over dubbelzinnige
telegrammen die hij uit verschillende delen van de Verenigde Staten
had ontvangen en die zogenaamd door haar waren ondertekend, en vroeg
haar hem te schrijven en te zeggen dat zij ze niet had gestuurd. Een
maand later schreef hij Olcott uitvoeriger, en berichtte dat de Raad
Coues had aangesteld als ‘Censor van de . . . American Society
for Psychical Research’, en wees erop dat Coues niets anders had
gedaan dan het organiseren van ‘een gnostische afdeling die nooit
een bijeenkomst heeft gehouden en waarin hij het heeft over astrale
bellen, lichamen en wat al niet’, en hij schrijft naar leden overal
om lid te worden. Dan
komt er op een dag een telegram naar
de plaats van onze bijeenkomsten waarin opdracht wordt gegeven om
de Aryan Branch te sluiten, niemand toe te laten, en in stilte te
luisteren naar de astrale bellen – in de naam van KH en
H.P.B. Het was gericht aan de Society. . . . Onnodig te zeggen
dat ik niet gek ben en er geen gehoor aan gaf.12
Coues probeerde toen een tweede New Yorkse afdeling op
te richten achter de rug van Judge om, en Judge tekende protest aan
bij de Raad. Coues’ morele karakter was ook in twijfel getrokken,
en Judge had reden te geloven dat de geheimzinnige telegrammen van hem
kwamen. Judge had in besloten kring gevraagd dat Coues als voorzitter
zou aftreden, en deed een beroep op Olcott om de Raad te wijzigen vóór
de volgende conventie zodat de zaken konden worden rechtgezet.
Olcott bedacht een oplossing die een confrontatie zou
vermijden en schafte de Raad van Toezicht zowel in Adyar als in Amerika
af. Hij telegrafeerde Elliott Coues de conventie in Rochester, New York,
tot 5 juli 1886 uit te stellen en op nieuwe instructies te wachten die
onderweg waren, maar Coues hield toch de periodieke bijeenkomst van
de Raad van Toezicht en las de getelegrafeerde instructies van Olcott
voor. Per brief had Olcott geïnstrueerd dat een conventie bijeengeroepen
moest worden om een Algemene Raad van de Amerikaanse Afdeling te kiezen
als dat deel van de Algemene Raad van de TS dat in Amerika verbleef.
De conventie van 1886 werd tenslotte gehouden in oktober en, hoewel
Coues niet aanwezig was, werd besloten dat de Raad van Toezicht werd
opgeheven en dat een nieuw lichaam in het leven werd geroepen waarin
alle afdelingen vertegenwoordigd zouden zijn, en één enkele
functionaris zou dienen als General Secretary en als penningmeester.
W.Q. Judge werd gekozen om dat ambt te vervullen in de nieuw ingestelde
Amerikaanse Afdeling van de Algemene Raad.13
Door het publiceren van The Path was Judge ongetwijfeld bekend
geworden bij alle leden en bij de voorzitters van de afdelingen van
de TS in Amerika. De geschillen tussen Coues en Judge duurden voort
tot Coues op 22 juni 1889 door het uitvoerend comité van de Amerikaanse
Afdeling uit de Theosophical Society werd gezet.
Onder leiding van Judge werden stappen gezet om de leden
die verspreid in de Verenigde Staten woonden in denken en daden te verenigen.
Hij begon met alleen zichzelf als voornaamste spreker, maar beschikte
tenslotte over drie mensen die full-time rondreisden om lezingen te
geven om de worstelende groepen te helpen en om centra op te richten.
The Path, brochures en gespecialiseerde kleine tijdschriften
werden regelmatig rondgestuurd onder de leden, waardoor ze contact met
elkaar onderhielden en in verbinding stonden met het hoofdkwartier in
New York. Lokale sprekers werden aangemoedigd om nieuwe centra te beginnen
in nabijgelegen plaatsen. Terwijl er slechts ongeveer een dozijn afdelingen
waren in 1886, waren er tegen 1896 meer dan honderd.
H.P.B. en Judge zetten hun nauwe samenwerking voort. In
een brief aan hem van 3 oktober 1886 schreef ze:
Het probleem bij jou is dat je de
grote verandering niet kent die zich enkele jaren geleden in
jou heeft voltrokken. Bij anderen is soms hun astrale lichaam
veranderd en vervangen door dat van adepten (en van elementaren) en
zij beïnvloeden de uiterlijke en de hogere
mens. Bij jou is de nirmanakaya en niet het ‘astrale’
met jouw astrale versmolten. Vandaar de duale natuur en de strijd.
In H.P.B.’s brief aan Judge als General Secretary
van de Amerikaanse Afdeling, gedateerd 3 april 1888, die op haar verzoek
zou worden voorgelezen op de Amerikaanse conventie, noemde zij Judge
‘het hart en de ziel’ van de TS in Amerika, en zei: ‘Het
is voornamelijk, zo niet geheel, aan jou te danken dat de Theosophical
Society in 1888 nog bestaat.’14 En
ook, in een brief over Judge en het Amerikaanse werk, gedateerd Londen
23 oktober 1889, sprak ze over hem als ‘deel van haarzelf
sinds een aantal aeonen . . . het antaskarana [de schakel]
tussen de twee manas(sen), het Amerikaanse denken en de Indische
esoterische kennis – of liever die van de andere kant van de Himalaja’.
Rond 1887 hadden leden Judge gevraagd of er met esoterisch
werk kon worden begonnen, en hij schreef H.P.B. in mei over zo’n
stap. Ze zei te wachten. Op een moment in het begin van 1888 of misschien
laat in 1887 had H.P.B. een gesprek met meester KH over de algemene
toestand van de TS, en hij vertelde haar dat hoewel het werk van de
TS in Adyar liep als een trein, het ‘een zielloos lijk’15
was, en dat de zaken een zodanig punt hadden bereikt dat de invloed
van de meesters op de TS niet mogelijk was, en dat ze deze moesten laten
gaan. H.P.B.’s reactie in 1888 was om voor te stellen een Esoterische
Sectie op te richten gebaseerd op de oorspronkelijke aanwijzingen die
door de meesters waren gegeven. Toen Olcott hoorde van de bedoeling
van H.P.B. om een innerlijke groep van theosofen op te richten, haastte
hij zich naar Londen om haar ten koste van alles daarvan af te houden,
en op 7 augustus verliet hij Bombay. Als meester KH niet tussenbeide
was gekomen, zou de Society toen misschien zijn gesplitst. Op een dag
aan boord van het stoomschip Shannon ontving Olcott voor de
kust van Brindisi een brief van meester KH over de volgende punten:
Om je, gezien je huidige verwarring,
te helpen: H.P.B. had bijna geen bemoeienis met administratieve details,
en moet daar vrij van worden gehouden, voorzover haar sterke karakter
kan worden beteugeld. Maar je moet aan allen vertellen: –
Met occulte zaken heeft ze alles te maken. We hebben haar niet
verlaten; ze is niet ‘overgeleverd aan chela’s’.
Ze is onze directe vertegenwoordigster. Ik waarschuw u ertegen
uw achterdocht en wrok over ‘haar vele dwaasheden’ uw
intuïtieve loyaliteit ten opzichte van haar te laten verstoren.
. . .
Mij zijn ook uw gedachten opgevallen
over de ‘Geheime Leer’. Wees ervan verzekerd dat wat zij
niet heeft geciteerd uit wetenschappelijke of andere boeken,
door ons werd gegeven of ingefluisterd. Elke fout of verkeerde
gedachte in het werk van andere theosofen, die door haar werd verbeterd
en toegelicht, werd door mij verbeterd, of in opdracht van mij.
Het is een waardevoller boek dan zijn voorganger, een overzicht van
occulte waarheden waardoor het nog jarenlang een bron van informatie
en instructie zal zijn voor de ernstige onderzoeker.16
In Londen gaven H.P.B. en Olcott in het oktober- en novembernummer
van Lucifer, 1888, een gezamenlijke verklaring uit over het
vormen van een Esoterische Sectie; het kwam erop neer dat onder leiding
van H.P.B. zou worden begonnen met een innerlijke sectie van het werk;
die sectie zou worden opgericht ‘volgens de OORSPRONKELIJKE
AANWIJZINGEN opgesteld door de werkelijke stichters
van de TS’. Nadat De Geheime Leer in november was verschenen,
nodigde H.P.B. Judge uit om naar Londen te komen (Olcott was toen weer
in Adyar). Samen stelden ze een voorlopig statuut en de regels van de
Esoterische Sectie op. Daarna leidde Judge de Esoterische Sectie in
Amerika als secretaris van H.P.B., en in december benoemde H.P.B. Olcott
als enige vertegenwoordiger van de ES voor Aziatische landen, maar al
snel legde hij die functie neer.
In 1889 kochten leden van de Aryan Branch van de TS een
druk- en zetmachine, en verzekerden zich van de diensten van een lid
om deze te bedienen. Naast brochures enz., omvatten de eerste publicaties
drie kleine tijdschriften voor leden, Patañjali’s Yoga
aforismen (1889), Judge’s Echoes from the Orient
(1890), zijn weergave van de Bhagavad-Gita met een inleiding
en voetnoten (1890), Letters That Have Helped Me (1891) en
De Oceaan van Theosofie (1893). In 1895 schatte Judge dat er
door de Aryan Press een half miljoen folders waren gedrukt.
Na de dood van H.P.B. in 1891 stonden William Q. Judge
en Annie Besant samen aan het hoofd van de Esoterische Sectie.
Als Amerikaanse General Secretary en later bovendien als
vice-voorzitter van de TS bleef Judge zich richten op het werk in Amerika.
Hij sprak over theosofie op het Parlement van Religies tijdens de Wereldtentoonstelling
in Chicago in 1893, en het jaar daarop op het Parlement van Religies
van de Midwinter-tentoonstelling in San Francisco. Na de conventie in
Adyar in december 1891 werd de gezondheidstoestand van kolonel Olcott
zodanig dat hij niet langer in functie wilde blijven, en hij nam op
21 januari 1892 ontslag als voorzitter van de Theosophical Society.
Judge stelde de Sectie en andere General Secretaries op de hoogte van
deze stap, en omdat hun jaarlijkse conventies kort daarop zouden worden
gehouden, weerspiegelden hun besprekingen de opvattingen van hun leden
over het voorzitterschap. Op de zesde jaarlijkse conventie in Amerika
op 24-5 april werd Judge terecht gekozen om Henry S. Olcott als voorzitter
van de TS op te volgen; de conventie besloot verder dat kolonel Olcott
zou worden gevraagd zijn ontslag te herroepen.17
Hetzelfde jaar ging Judge naar Londen om op 14-15 juli
de tweede jaarlijkse conventie van de Europese Afdeling bij te wonen.
G.R.S. Mead, de Europese General Secretary, kondigde aan dat de Europese
leden bijna unaniem voor Judge waren als voorzitter, en de conventie
hoefde dit slechts te bevestigen. Hij deed ook verslag van het verzoek
van de Amerikaanse leden Olcott te vragen zijn ontslag opnieuw te overwegen.
Maar het antwoord van Olcott van 25 mei werd door de Europese leden
als definitief gezien – dat hij het niet zou heroverwegen –
en Judge werd tot voorzitter gekozen.
Een brief van Bertram Keightley, General Secretary in
India, gericht aan de Europese conventie, berichtte dat het verzoek
van de Amerikaanse conventie om kolonel Olcott te vragen zijn besluit
opnieuw te overwegen unaniem en enthousiast werd gesteund. Wat de voordracht
van Judge betreft, zouden zij het Amerikaanse voorbeeld volgen als Europa
dat ook deed. Maar Olcott was diep geroerd door de verzoeken om als
voorzitter aan te blijven, overwoog de zaak opnieuw, en op 17 augustus
1892 trok hij zijn ontslag in.18 Hij bleef
voorzitter tot zijn dood in 1907.
Judge was altijd ontvankelijk geweest voor de invloed
van de meesters. Hij ontving boodschappen van hen, soms in zijn eigen
handschrift, soms in dat van hun.19 Er waren
echter mensen die hem ervan beschuldigden dat hij valse boodschappen
verstuurde. In 1894 beschuldigden Olcott, Besant en verschillende leden
Judge ervan de namen van de mahatma’s en hun handschrift op brieven
aan anderen te ‘misbruiken’ – een beschuldiging die
kennelijk voortkwam uit het feit dat ze niet beseften dat de meesters
vaak gebruik maken van chela’s, zoals Blavatsky en anderen, om
hun boodschappen in het handschrift van de meester over te brengen.
Olcott vroeg Judge alle TS-functies neer te leggen, maar Judge telegrafeerde:
‘Beschuldigingen absoluut vals. Je kunt de stappen ondernemen
die je nodig acht; ik ga in juli naar Londen.’ Ze ontmoetten elkaar
in Londen zoals gepland, en hoewel Judge hen adviseerde dat ze niet
zo’n proces konden voeren zonder een dogma te maken van het bestaan
van de meesters, probeerden ze dat toch. De zaak werd niet ontvankelijk
verklaard, en Besant stelde dat de beschuldigingen door andere partijen
buiten alle proporties waren opgeblazen en dat ze er nooit aan had getwijfeld
dat Judge in feite boodschappen van de meesters had ontvangen.
De aanval werd echter voortgezet nadat een afvallige Engelse
functionaris, Walter R. Old, aan de redacteur van de Westminster Gazette
in Londen papieren overhandigde, zogenaamd uit de ‘zaak Judge’
en die Olcott aan hem had toevertrouwd. Judge werd opnieuw zwartgemaakt
op de jaarlijkse conventie in 1894 in Adyar en Besant uitte opnieuw
haar beschuldigingen. Dit had tot gevolg dat de afgevaardigden op de
jaarlijkse conventie van de Amerikaanse Afdeling, in een poging om Judge
tegen verdere aanvallen te beschermen, zich ‘volledig autonoom’
ten opzichte van Adyar verklaarden, hoewel ze Olcott als voorzitter-stichter
erkenden; ze kozen Judge als voorzitter voor het leven van de Theosophical
Society in Amerika, en werden gesteund door groepen en leden van andere
secties. Daarop zegde Olcott het lidmaatschap op van alle personen en
trok de akten van oprichting in van alle afdelingen die Judge steunden.
Judge zette zijn theosofische werk voort, maar jaren van
onophoudelijke arbeid en de gevolgen van de Chagres-koorts eisten tenslotte
hun tol. William Quan Judge stierf op 21 maart 1896, kort voor zijn
45ste verjaardag. Zijn laatste woorden waren: ‘Laat er kalmte
zijn. Houd vol. Haast u niet.’
Claude Bragdon, een Amerikaanse architect, schrijver en
theosoof, omschrijft hem als volgt:
Niemand rijst op uit het duistere voorgeborchte
van dat recente – hoewel al verre – verleden met een innemender
verschijning dan deze knappe Iers-Amerikaan, en ik durf te zeggen
dat in een beweging, die een kweekplaats is geweest van grootsheid,
niemand in zo korte tijd – toen hij onder druk stond –
zo’n kracht, zo’n vermogen, zo’n inzicht ontwikkelde
als Judge.
Er is overvloedig bewijs, afgezien van
het beste bewijsmateriaal dat er is – de vruchten van zijn arbeid
– dat hij onder leiding stond van de meesters. Eén adept
schreef over hem, ‘wanneer de tegenwoordigheid op hem
rust, wéét hij, daar waar anderen slechts vermoeden
of gissen.’ In dezelfde brief wordt naar hem verwezen als degene
‘die van alle chela’s het meeste lijdt en het
minste vraagt of zelfs verwacht’. Hij was bijzonder vriendelijk
en had veel begrip; streng voor zichzelf, maar mild voor anderen.
Keightley heeft eens gezegd: ‘Judge heeft laten zien dat een
leven zoals van Jezus te verwezenlijken is.’ Hij was iets wat
zeldzaam en bewonderenswaardig is, een praktische mysticus.
Een van zijn laatste boodschappen aan zijn nauwe kring van volgelingen
was dat ze door werkelijke ervaring moesten leren, dat occulte ontwikkeling
het best, het snelst en het veiligst komt door trouw de kleine dagelijkse
plichten te vervullen.
– Episodes from an
Unwritten History, blz. 24-5
Noten
- Brief van W.Q.J. aan Sarah W. Cape, oktober 189[3?];
fotokopie, archief van de Theosophical Society, Pasadena. Documenten
waarbij geen andere verwijzing worden gegeven, zijn in het TS-archief
in Pasadena.
- Damodar and the Pioneers of the Theosophical Movement,
Sven Eek, Theosophical Publishing House, India, 1965, blz. 47.
- ‘Letters of W.Q. Judge’, The Theosophist
(52:4), januari 1931, blz. 211.
- Damodar, Sven Eek, blz. 48.
- Verslag van Abner Doubleday aan Elliott Coues, voorzitter
van de Amerikaanse Raad van Toezicht (1885-6).
- Het woord Aryan [arisch] had in Judge’s tijd
geen negatieve betekenis en verwees naar het volk van Aryavarta (India),
een Sanskrietwoord met de betekenis ‘verblijf van de edelen’.
- Het origineel van W.Q.J.’s brief in antwoord
op de brief van Damodar, waarop M op de achterkant zijn boodschap
schreef, is in het archief van de Theosophical Society, Adyar; Damodars
brief ontbreekt.
- Een artikel in twee delen getiteld ‘The Collapse
of Koot Hoomi’ [De val van Koot Humi] door George Patterson,
The Christian College Magazine, september en oktober 1884.
- ‘Madame Blavatsky in India. Een antwoord op
Moncure D. Conway’, The Arena (5:28), maart 1892.
- The letters of H.P. Blavatsky to A.P. Sinnett,
1925 (herdrukt 1973), blz. 313-4.
- ‘William Quan Judge’, The Canadian
Theosophist (20:2), 15 April 1939, blz. 35.
- T.S. Letter Copying Book 1A, blz. 60.
- Notulen van alle Amerikaanse conventies in 1886 zijn
opgenomen in het ‘Records Book’, blz. 19-32.
- Tweede jaarlijkse conventie – 22-23
april [1888], Amerikaanse Afdeling van de Theosophical Society, Sherman
House, Chicago, Illinois; herdrukt in H.P. Blavatsky aan de Amerikaanse
Conventies 1888-91, blz. 15.
- Letters from the Masters of Wisdom, First
Series, transcribed and compiled by C. Jinarajadasa, Theosophical
Publishing House, Adyar, India; 5th ed., 1973, Brief 47, blz. 100-3
(6th ed., 1988, Brief 60, blz. 125-7).
- Ibid., Brief 19, blz. 46-7 (6th ed. 1988, Brief 19,
blz. 48-9).
- Sixth Annual Convention Report, 1892, blz. 19.
- Seventeenth Anniversary of The Theosophical Society,
Adyar, 27-29 dec. 1892, blz.2.
- Zie W.Q. Judge aan A.P. Sinnett, 1 aug. 1881, en aan
H.P.B., 5 feb. 1886, in The Letters of H.P. Blavatsky to A.P.
Sinnett, blz. 312-4.