William Quan Judge:
een biografische schets

Kirby Van Mater


William Quan Judge is een gigant uit de begintijd van de theosofische beweging. In 1875, toen hij 24 jaar was, was hij een medestichter van de Theosophical Society samen met H.P. Blavatsky en Henry S. Olcott. De daaropvolgende 20 jaar werkte hij onophoudelijk en ijverig voor haar doeleinden, tot zijn dood in 1896. Als belangrijkste theosofische functionaris in Amerika van 1886 tot 1896, gaf hij leiding aan de Amerikaanse Afdeling zodat deze de krachtigste in de Society werd, met het grootste aantal actieve leden. Niet aflatend streefde hij naar zijn hoge opvatting van de taak van de Society in de wereld: de grote behoefte van de mensheid aan een nieuwe kijk op zichzelf en op het heelal.

Judge werd geboren in Dublin, Ierland, op 13 april 1851, als zoon van Frederic H. Judge en Alice Mary Quan. Zijn moeder stierf toen ze het leven schonk aan haar zevende kind, en zijn vader besloot in 1864 naar New York te emigreren met zes kinderen. Judge studeerde rechten terwijl hij bij zijn vader woonde, die kort daarna stierf. Toen hij 21 was werd Judge Amerikaans staatsburger en in mei 1872 werd hij toegelaten tot de orde van advocaten. Hij trouwde in 1874 met Ella M. Smith, een onderwijzeres, en ze woonden in Brooklyn tot 1893 toen ze verhuisden naar New York City.

De vader van Judge was ‘in hoge mate geïnteresseerd in de vrijmetselarij’, en Judge was geïnteresseerd in religie, magie en de Rozenkruisers.

In 1874 dacht ik erover het spiritisme te onderzoeken en toen ik kol. Olcotts boek People from the Other World [Mensen uit de andere wereld; in het Engels uitgegeven in maart 1875] vond, schreef ik hem om het adres van een medium. Hij antwoordde dat hij er toen geen wist, maar dat hij een kennis had, Mw. Blavatsky, die hem had gevraagd me uit te nodigen voor een bezoek. Ik heb Irving Place 46 in New York bezocht en met haar kennisgemaakt.1

De tijd tussen zijn ontmoeting met H.P.B. in 1875 en het uitgeven van Isis Unveiled [Isis Ontsluierd] in 1877 was voor Judge van bijzondere betekenis. Hij was actief betrokken bij het vormen van de Theosophical Society, en studeerde met en leerde van H.P.B. toen ze in New York woonde. Hij schreef later aan Damodar K. Mavalankar – een stafmedewerker aan het hoofdkwartier in India en leerling van een van Blavatsky’s leraren – dat H.P.B. als middelaar ‘de glorieuze uren’ mogelijk maakte ‘die we doorbrachten met het luisteren naar de woorden van de verlichte wezens die vaak laat ’s nachts kwamen als alles stil was, en die urenlang met H.S.O. en mijzelf spraken’.2

Maar na het ondertekenen van het contract voor het uitgeven van Isis Unveiled, kondigde H.P.B. aan dat ze naar India moest gaan, zoals ze altijd al had gezegd. In tegenstelling tot Olcott, was Judge niet in de positie om met H.P.B. mee te gaan in verband met verplichtingen ten opzichte van zijn echtgenote en dochtertje. Hij was bijzonder van streek en zocht H.P.B. bijna een jaar lang niet op, maar de breuk werd hersteld voordat ze naar India vertrok. In die periode, of misschien enkele maanden later, verloor Judge zijn dochtertje aan difterie. Dit was een zware klap en hij schreef later aan Olcott in India: ‘In mijn hart is vaak zoveel verdriet en een verlangen naar de kleine die is heengegaan.’3

Nadat H.P.B. en Olcott Amerika hadden verlaten, raakte Judge betrokken bij verschillende speculatieve zakelijke ondernemingen, omdat, zoals hij Damodar in maart 1880 schreef, ‘ik nu ernaar streef genoeg geld bijeen te krijgen om daarheen [naar India] te kunnen gaan, wat er ook gebeurt, en mijn echtgenote met genoeg geld achter te laten, of haar mee te nemen als ze dat zou willen’.4 Generaal Abner Doubleday beschrijft deze periode als volgt:

Ik aanvaardde de positie [van waarnemend voorzitter] op dringend verzoek van H.P.B., met de bedoeling om voor raad en advies voornamelijk te steunen op Judge; maar Judge dacht dat hij een plaats in Venezuela had ontdekt voor mijnbouw, waar het erts gemakkelijk kon worden gewonnen. Hij ging naar Campana in Venezuela en liet mij, onwetend en onervaren als ik was, achter om de Society te leiden zonder dat ik iets wist over de leden ervan.

Judge keerde na een tijd terug armer dan tevoren en in nood omdat door zijn lange afwezigheid zijn advocatenpraktijk was geruïneerd. Ik hoopte dat hij nu meer tijd zou kunnen wijden aan de TS, maar hij kreeg een aanbod om naar Mexico te gaan, en vertrok plotseling. De onderneming, wat het ook was, mislukte ook daar, en hij keerde ontmoedigd terug.5

In Venezuela kreeg Judge Chagres-koorts, een kwijnende ziekte waarvan hij nooit volledig herstelde. In 1883 hadden zijn speculatieve ondernemingen in Zuid-Amerika hem platzak gemaakt met een grote schuld en zonder advocatenpraktijk. Hij loste die schulden geleidelijk af in de loop van het grootste deel van zijn leven. In 1883 nam hij zijn theosofische werk weer op en hielp bij het oprichten van de Aryan6 Theosophical Society van New York City. Om bij het publiek belangstelling te wekken hield hij bijeenkomsten – en hoewel hij in het begin de enige aanwezige was, hield hij ze als voor een groot publiek.

Judge had zijn correspondentie met Damodar voortgezet, en op de achterkant van Damodars brief van 11 juni 1883 stond een boodschap: ‘Je kunt maar beter hierheen komen M7 In 1884 had Judge het gevoel dat hij naar India kon gaan, hoewel niet bekend is hoe hij zijn financiële problemen regelde en voorzag in het onderhoud van zijn vrouw. Vroeg in dat jaar ging hij naar Engeland waar hij de Sinnetts, de Arundales en andere leden in Londen bezocht; daarna voegde hij zich bij H.P.B. en Olcott in Parijs. Judge wilde graag doorreizen naar India, maar Olcott en H.P.B. vonden dat hij een poosje bij hen zou moeten blijven. Eerst aarzelde Judge, en zag hij niet in dat zijn eerste taak was om H.P.B. te helpen bij wat De Geheime Leer zou worden.

In India bereikte de verstandhouding tussen Alexis en Emma Coulomb en de Raad in Adyar intussen een kritiek punt. H.P.B. had Mw. Coulomb voor het eerst in Caïro ontmoet in het begin van de jaren zeventig, toen zij H.P.B. hielp, die na een schipbreuk zonder geld zat. Jaren later toen de Coulombs platzak in Bombay aankwamen, deden ze een beroep op H.P.B. om hulp. Vergeefs probeerde ze hen aan werk te helpen, en tenslotte nodigde zij ze uit naar Adyar om tijdelijk aan het hoofdkwartier te werken. Ze maakten zich al snel onmisbaar in het dagelijkse werk aan het hoofdkwartier, en ze liet hen blijven. Er ontstond een crisis kort voordat H.P.B. in 1884 naar Europa vertrok, toen ze voorkwam dat Mw. Coulomb een toegewijd lid voor 2000 roepies zou oplichten. Na het vertrek van H.P.B. verslechterde de relatie tussen de Coulombs en het dagelijks bestuur voortdurend, en het echtpaar werd tenslotte gevraagd te vertrekken. Rond die tijd benaderden de Coulombs The Christian College Magazine in Madras met een aanbod om voor geld ‘belastende informatie’ te verstrekken over H.P.B. en de Theosophical Society.

Toen Judge hoorde hoe ernstig de situatie aan het hoofdkwartier in Adyar was, zette hij zijn reis naar India voort, gewapend met alle bevoegdheden en aanmoediging die hem ook maar konden worden gegeven. Olcott, als voorzitter-stichter, gaf hem twee documenten: ten eerste ‘de bevoegdheid om, als hij dit nodig zou achten, de door mij [Olcott] benoemde Raad van Toezicht in India op te heffen, en op welke manier ook voor mij in India of in een ander deel van de wereld als voorzitter op te treden, als hij dat nodig zou vinden en zoals hem misschien op de gebruikelijke manier wordt geadviseerd’; en een tweede, waarin hij hem opnieuw benoemt als ‘secretaris en penningmeester van de Theosophical Society, met het recht om die functies in Azië uit te oefenen’. Voordat Judge vertrok, ontving hij de volgende boodschap van meester M:

Omdat ik je binnenkort in Adyar verwacht te zien, wil ik je doordringen van het feit dat veel van het toekomstige welzijn en van het van blaam zuiveren van de Society afhangt van jouw tact, discretie en ijver. Wat u zaait zult u oogsten. De verblinding van enkelen in de ‘Raad’ – en de gevolgen ervan ontwikkelden zich tot duidelijk te voorziene tegenslag. . .

Ga dan en red de Zaak door de Society te redden. Vrees niets, ik zal ervoor zorgen dat je wordt geholpen. Voortaan zul je de derde zijn in de duade – Werk alle drie met hart en ziel in voor- en tegenspoed.

In Bombay schreef Judge op 15 juli aan Olcott dat de leden in India niet in verwarring waren door de Coulomb affaire en hij kon dus op weg naar Adyar vele theosofische groepen toespreken. Tenslotte kwam hij daar op 10 augustus aan en op 11 september verscheen de eerste aflevering van de aanval op de Society en op H.P.B. in The Christian College Magazine.8 In deze periode had Judge de kamers van H.P.B. niet bezocht die de ‘schrijn’ bevatten waardoor boodschappen werden verstuurd naar en ontvangen van de meesters, hoewel hij Damodar verschillende keren daarom had gevraagd. Nadat H.P.B. naar Europa was vertrokken, hadden de Coulombs geprobeerd de schrijn en de muren van de kamer zo te maken dat het erop leek dat er vervalste boodschappen via valdeuren en schuivende panelen waren doorgegeven. Judge beschrijft de toestand van H.P.B.’s kamers waarin deze zich bevonden toen hij ze voor het eerst bezocht:

Ik ontdekte dat Coulomb een gat in de muur achter de schrijn gedeeltelijk had voltooid. Het was zo nieuw dat de randen ervan ruw waren met uitstekende einden van latten en de pleisterkalk lag nog op de grond. Daartegen had hij een nog niet voltooide teakhouten kast geplaatst, speciaal daarvoor gemaakt met een onecht paneel dat het gat in de muur verborg. Maar het paneel was te nieuw om te functioneren en men moest het met geweld intrappen om aan te tonen dat het er was. Alles was ongelijk, niet gesmeerd en niet afgeschuurd. Hij was weggezonden voordat hij tijd had gehad het werk af te maken. . . . Dit alles werd ontdekt en onderzocht in aanwezigheid van veel mensen, . . .9

Judge had oorspronkelijk de bedoeling een flinke tijd in India door te brengen, maar nadat de schrijn in het najaar van 1884 werd verbrand en het oktobernummer van The Christian College Magazine was verschenen, vertrok hij plotseling naar Amerika, zonder daarvoor een reden op te geven. Later zegt hij in een brief aan H.P.B., ‘Wil je over mij vragen . . . Welke betekenis heeft zijn boodschap via jou dat ik ‘blijk gaf van intuïtie toen ik India verliet’?’ (5 februari 1886).10

De gevolgen van de afgelopen zeven jaar van beproevingen, want dat waren ze, op het fysieke lichaam van Judge waren duidelijk voor A.E.S. Smythe op de stoomboot naar New York: ‘Hij zag er oud en flets uit en als men mij had gezegd dat hij 33 was, zou ik hebben gezegd dat men er 20 jaar naast zat.’11

Bij zijn terugkeer in New York trad Judge in dienst bij het advocatenkantoor waar ook Olcotts broer werkte. Hij ging door met zijn brood te verdienen tot de laatste twee jaar van zijn leven, toen zijn gezondheid zo zwak werd dat de Amerikaanse TS hem ondersteunde. Toen hij weer in de advocatuur werkzaam was, gaf Judge zijn energie aan het bevorderen van de theosofie. Hij blies het werk in New York nieuw leven in, en reorganiseerde het volgens het oorspronkelijke programma en met de naam ‘The Aryan Theosophical Society of New York’; hij hield regelmatig bijeenkomsten, startte een theosofische uitleenbibliotheek, en begon met het drukken van goedkope literatuur.

In april 1886 richtten Arthur Gebhard en Judge het tijdschrift The Path op, met Judge als redacteur en Gebhard als business manager. Dit werd later het officiële orgaan van de Amerikaanse TS. Terwijl hij overdag als advocaat werkzaam was, werkte hij daarna thuis tot diep in de nacht, omdat hij in het begin bijna elk artikel zelf moest schrijven onder verschillende pseudoniemen.

Het Amerikaanse werk werd in die tijd uitgevoerd door een Raad van Toezicht ingesteld door Olcott in 1884 toen hij in Londen was. Prof. Elliott Coues was gekozen als voorzitter van de Raad op 4 juli 1885. In maart 1886 informeerde Judge bij H.P.B. over dubbelzinnige telegrammen die hij uit verschillende delen van de Verenigde Staten had ontvangen en die zogenaamd door haar waren ondertekend, en vroeg haar hem te schrijven en te zeggen dat zij ze niet had gestuurd. Een maand later schreef hij Olcott uitvoeriger, en berichtte dat de Raad Coues had aangesteld als ‘Censor van de . . . American Society for Psychical Research’, en wees erop dat Coues niets anders had gedaan dan het organiseren van ‘een gnostische afdeling die nooit een bijeenkomst heeft gehouden en waarin hij het heeft over astrale bellen, lichamen en wat al niet’, en hij schrijft naar leden overal om lid te worden. Dan

komt er op een dag een telegram naar de plaats van onze bijeenkomsten waarin opdracht wordt gegeven om de Aryan Branch te sluiten, niemand toe te laten, en in stilte te luisteren naar de astrale bellen – in de naam van KH en H.P.B. Het was gericht aan de Society. . . . Onnodig te zeggen dat ik niet gek ben en er geen gehoor aan gaf.12

Coues probeerde toen een tweede New Yorkse afdeling op te richten achter de rug van Judge om, en Judge tekende protest aan bij de Raad. Coues’ morele karakter was ook in twijfel getrokken, en Judge had reden te geloven dat de geheimzinnige telegrammen van hem kwamen. Judge had in besloten kring gevraagd dat Coues als voorzitter zou aftreden, en deed een beroep op Olcott om de Raad te wijzigen vóór de volgende conventie zodat de zaken konden worden rechtgezet.

Olcott bedacht een oplossing die een confrontatie zou vermijden en schafte de Raad van Toezicht zowel in Adyar als in Amerika af. Hij telegrafeerde Elliott Coues de conventie in Rochester, New York, tot 5 juli 1886 uit te stellen en op nieuwe instructies te wachten die onderweg waren, maar Coues hield toch de periodieke bijeenkomst van de Raad van Toezicht en las de getelegrafeerde instructies van Olcott voor. Per brief had Olcott geïnstrueerd dat een conventie bijeengeroepen moest worden om een Algemene Raad van de Amerikaanse Afdeling te kiezen als dat deel van de Algemene Raad van de TS dat in Amerika verbleef. De conventie van 1886 werd tenslotte gehouden in oktober en, hoewel Coues niet aanwezig was, werd besloten dat de Raad van Toezicht werd opgeheven en dat een nieuw lichaam in het leven werd geroepen waarin alle afdelingen vertegenwoordigd zouden zijn, en één enkele functionaris zou dienen als General Secretary en als penningmeester. W.Q. Judge werd gekozen om dat ambt te vervullen in de nieuw ingestelde Amerikaanse Afdeling van de Algemene Raad.13 Door het publiceren van The Path was Judge ongetwijfeld bekend geworden bij alle leden en bij de voorzitters van de afdelingen van de TS in Amerika. De geschillen tussen Coues en Judge duurden voort tot Coues op 22 juni 1889 door het uitvoerend comité van de Amerikaanse Afdeling uit de Theosophical Society werd gezet.

Onder leiding van Judge werden stappen gezet om de leden die verspreid in de Verenigde Staten woonden in denken en daden te verenigen. Hij begon met alleen zichzelf als voornaamste spreker, maar beschikte tenslotte over drie mensen die full-time rondreisden om lezingen te geven om de worstelende groepen te helpen en om centra op te richten. The Path, brochures en gespecialiseerde kleine tijdschriften werden regelmatig rondgestuurd onder de leden, waardoor ze contact met elkaar onderhielden en in verbinding stonden met het hoofdkwartier in New York. Lokale sprekers werden aangemoedigd om nieuwe centra te beginnen in nabijgelegen plaatsen. Terwijl er slechts ongeveer een dozijn afdelingen waren in 1886, waren er tegen 1896 meer dan honderd.

H.P.B. en Judge zetten hun nauwe samenwerking voort. In een brief aan hem van 3 oktober 1886 schreef ze:

Het probleem bij jou is dat je de grote verandering niet kent die zich enkele jaren geleden in jou heeft voltrokken. Bij anderen is soms hun astrale lichaam veranderd en vervangen door dat van adepten (en van elementaren) en zij beïnvloeden de uiterlijke en de hogere mens. Bij jou is de nirmanakaya en niet het ‘astrale’ met jouw astrale versmolten. Vandaar de duale natuur en de strijd.

In H.P.B.’s brief aan Judge als General Secretary van de Amerikaanse Afdeling, gedateerd 3 april 1888, die op haar verzoek zou worden voorgelezen op de Amerikaanse conventie, noemde zij Judge ‘het hart en de ziel’ van de TS in Amerika, en zei: ‘Het is voornamelijk, zo niet geheel, aan jou te danken dat de Theosophical Society in 1888 nog bestaat.’14 En ook, in een brief over Judge en het Amerikaanse werk, gedateerd Londen 23 oktober 1889, sprak ze over hem als ‘deel van haarzelf sinds een aantal aeonen . . . het antaskarana [de schakel] tussen de twee manas(sen), het Amerikaanse denken en de Indische esoterische kennis – of liever die van de andere kant van de Himalaja’.

Rond 1887 hadden leden Judge gevraagd of er met esoterisch werk kon worden begonnen, en hij schreef H.P.B. in mei over zo’n stap. Ze zei te wachten. Op een moment in het begin van 1888 of misschien laat in 1887 had H.P.B. een gesprek met meester KH over de algemene toestand van de TS, en hij vertelde haar dat hoewel het werk van de TS in Adyar liep als een trein, het ‘een zielloos lijk’15 was, en dat de zaken een zodanig punt hadden bereikt dat de invloed van de meesters op de TS niet mogelijk was, en dat ze deze moesten laten gaan. H.P.B.’s reactie in 1888 was om voor te stellen een Esoterische Sectie op te richten gebaseerd op de oorspronkelijke aanwijzingen die door de meesters waren gegeven. Toen Olcott hoorde van de bedoeling van H.P.B. om een innerlijke groep van theosofen op te richten, haastte hij zich naar Londen om haar ten koste van alles daarvan af te houden, en op 7 augustus verliet hij Bombay. Als meester KH niet tussenbeide was gekomen, zou de Society toen misschien zijn gesplitst. Op een dag aan boord van het stoomschip Shannon ontving Olcott voor de kust van Brindisi een brief van meester KH over de volgende punten:

Om je, gezien je huidige verwarring, te helpen: H.P.B. had bijna geen bemoeienis met administratieve details, en moet daar vrij van worden gehouden, voorzover haar sterke karakter kan worden beteugeld. Maar je moet aan allen vertellen: – Met occulte zaken heeft ze alles te maken. We hebben haar niet verlaten; ze is niet ‘overgeleverd aan chela’s’. Ze is onze directe vertegenwoordigster. Ik waarschuw u ertegen uw achterdocht en wrok over ‘haar vele dwaasheden’ uw intuïtieve loyaliteit ten opzichte van haar te laten verstoren. . . .

Mij zijn ook uw gedachten opgevallen over de ‘Geheime Leer’. Wees ervan verzekerd dat wat zij niet heeft geciteerd uit wetenschappelijke of andere boeken, door ons werd gegeven of ingefluisterd. Elke fout of verkeerde gedachte in het werk van andere theosofen, die door haar werd verbeterd en toegelicht, werd door mij verbeterd, of in opdracht van mij. Het is een waardevoller boek dan zijn voorganger, een overzicht van occulte waarheden waardoor het nog jarenlang een bron van informatie en instructie zal zijn voor de ernstige onderzoeker.16

In Londen gaven H.P.B. en Olcott in het oktober- en novembernummer van Lucifer, 1888, een gezamenlijke verklaring uit over het vormen van een Esoterische Sectie; het kwam erop neer dat onder leiding van H.P.B. zou worden begonnen met een innerlijke sectie van het werk; die sectie zou worden opgericht ‘volgens de OORSPRONKELIJKE AANWIJZINGEN opgesteld door de werkelijke stichters van de TS’. Nadat De Geheime Leer in november was verschenen, nodigde H.P.B. Judge uit om naar Londen te komen (Olcott was toen weer in Adyar). Samen stelden ze een voorlopig statuut en de regels van de Esoterische Sectie op. Daarna leidde Judge de Esoterische Sectie in Amerika als secretaris van H.P.B., en in december benoemde H.P.B. Olcott als enige vertegenwoordiger van de ES voor Aziatische landen, maar al snel legde hij die functie neer.

In 1889 kochten leden van de Aryan Branch van de TS een druk- en zetmachine, en verzekerden zich van de diensten van een lid om deze te bedienen. Naast brochures enz., omvatten de eerste publicaties drie kleine tijdschriften voor leden, Patañjali’s Yoga aforismen (1889), Judge’s Echoes from the Orient (1890), zijn weergave van de Bhagavad-Gita met een inleiding en voetnoten (1890), Letters That Have Helped Me (1891) en De Oceaan van Theosofie (1893). In 1895 schatte Judge dat er door de Aryan Press een half miljoen folders waren gedrukt.

Na de dood van H.P.B. in 1891 stonden William Q. Judge en Annie Besant samen aan het hoofd van de Esoterische Sectie.

Als Amerikaanse General Secretary en later bovendien als vice-voorzitter van de TS bleef Judge zich richten op het werk in Amerika. Hij sprak over theosofie op het Parlement van Religies tijdens de Wereldtentoonstelling in Chicago in 1893, en het jaar daarop op het Parlement van Religies van de Midwinter-tentoonstelling in San Francisco. Na de conventie in Adyar in december 1891 werd de gezondheidstoestand van kolonel Olcott zodanig dat hij niet langer in functie wilde blijven, en hij nam op 21 januari 1892 ontslag als voorzitter van de Theosophical Society. Judge stelde de Sectie en andere General Secretaries op de hoogte van deze stap, en omdat hun jaarlijkse conventies kort daarop zouden worden gehouden, weerspiegelden hun besprekingen de opvattingen van hun leden over het voorzitterschap. Op de zesde jaarlijkse conventie in Amerika op 24-5 april werd Judge terecht gekozen om Henry S. Olcott als voorzitter van de TS op te volgen; de conventie besloot verder dat kolonel Olcott zou worden gevraagd zijn ontslag te herroepen.17

Hetzelfde jaar ging Judge naar Londen om op 14-15 juli de tweede jaarlijkse conventie van de Europese Afdeling bij te wonen. G.R.S. Mead, de Europese General Secretary, kondigde aan dat de Europese leden bijna unaniem voor Judge waren als voorzitter, en de conventie hoefde dit slechts te bevestigen. Hij deed ook verslag van het verzoek van de Amerikaanse leden Olcott te vragen zijn ontslag opnieuw te overwegen. Maar het antwoord van Olcott van 25 mei werd door de Europese leden als definitief gezien – dat hij het niet zou heroverwegen – en Judge werd tot voorzitter gekozen.

Een brief van Bertram Keightley, General Secretary in India, gericht aan de Europese conventie, berichtte dat het verzoek van de Amerikaanse conventie om kolonel Olcott te vragen zijn besluit opnieuw te overwegen unaniem en enthousiast werd gesteund. Wat de voordracht van Judge betreft, zouden zij het Amerikaanse voorbeeld volgen als Europa dat ook deed. Maar Olcott was diep geroerd door de verzoeken om als voorzitter aan te blijven, overwoog de zaak opnieuw, en op 17 augustus 1892 trok hij zijn ontslag in.18 Hij bleef voorzitter tot zijn dood in 1907.

Judge was altijd ontvankelijk geweest voor de invloed van de meesters. Hij ontving boodschappen van hen, soms in zijn eigen handschrift, soms in dat van hun.19 Er waren echter mensen die hem ervan beschuldigden dat hij valse boodschappen verstuurde. In 1894 beschuldigden Olcott, Besant en verschillende leden Judge ervan de namen van de mahatma’s en hun handschrift op brieven aan anderen te ‘misbruiken’ – een beschuldiging die kennelijk voortkwam uit het feit dat ze niet beseften dat de meesters vaak gebruik maken van chela’s, zoals Blavatsky en anderen, om hun boodschappen in het handschrift van de meester over te brengen. Olcott vroeg Judge alle TS-functies neer te leggen, maar Judge telegrafeerde: ‘Beschuldigingen absoluut vals. Je kunt de stappen ondernemen die je nodig acht; ik ga in juli naar Londen.’ Ze ontmoetten elkaar in Londen zoals gepland, en hoewel Judge hen adviseerde dat ze niet zo’n proces konden voeren zonder een dogma te maken van het bestaan van de meesters, probeerden ze dat toch. De zaak werd niet ontvankelijk verklaard, en Besant stelde dat de beschuldigingen door andere partijen buiten alle proporties waren opgeblazen en dat ze er nooit aan had getwijfeld dat Judge in feite boodschappen van de meesters had ontvangen.

De aanval werd echter voortgezet nadat een afvallige Engelse functionaris, Walter R. Old, aan de redacteur van de Westminster Gazette in Londen papieren overhandigde, zogenaamd uit de ‘zaak Judge’ en die Olcott aan hem had toevertrouwd. Judge werd opnieuw zwartgemaakt op de jaarlijkse conventie in 1894 in Adyar en Besant uitte opnieuw haar beschuldigingen. Dit had tot gevolg dat de afgevaardigden op de jaarlijkse conventie van de Amerikaanse Afdeling, in een poging om Judge tegen verdere aanvallen te beschermen, zich ‘volledig autonoom’ ten opzichte van Adyar verklaarden, hoewel ze Olcott als voorzitter-stichter erkenden; ze kozen Judge als voorzitter voor het leven van de Theosophical Society in Amerika, en werden gesteund door groepen en leden van andere secties. Daarop zegde Olcott het lidmaatschap op van alle personen en trok de akten van oprichting in van alle afdelingen die Judge steunden.

Judge zette zijn theosofische werk voort, maar jaren van onophoudelijke arbeid en de gevolgen van de Chagres-koorts eisten tenslotte hun tol. William Quan Judge stierf op 21 maart 1896, kort voor zijn 45ste verjaardag. Zijn laatste woorden waren: ‘Laat er kalmte zijn. Houd vol. Haast u niet.’

Claude Bragdon, een Amerikaanse architect, schrijver en theosoof, omschrijft hem als volgt:

Niemand rijst op uit het duistere voorgeborchte van dat recente – hoewel al verre – verleden met een innemender verschijning dan deze knappe Iers-Amerikaan, en ik durf te zeggen dat in een beweging, die een kweekplaats is geweest van grootsheid, niemand in zo korte tijd – toen hij onder druk stond – zo’n kracht, zo’n vermogen, zo’n inzicht ontwikkelde als Judge.

Er is overvloedig bewijs, afgezien van het beste bewijsmateriaal dat er is – de vruchten van zijn arbeid – dat hij onder leiding stond van de meesters. Eén adept schreef over hem, ‘wanneer de tegenwoordigheid op hem rust, wéét hij, daar waar anderen slechts vermoeden of gissen.’ In dezelfde brief wordt naar hem verwezen als degene ‘die van alle chela’s het meeste lijdt en het minste vraagt of zelfs verwacht’. Hij was bijzonder vriendelijk en had veel begrip; streng voor zichzelf, maar mild voor anderen. Keightley heeft eens gezegd: ‘Judge heeft laten zien dat een leven zoals van Jezus te verwezenlijken is.’ Hij was iets wat zeldzaam en bewonderenswaardig is, een praktische mysticus. Een van zijn laatste boodschappen aan zijn nauwe kring van volgelingen was dat ze door werkelijke ervaring moesten leren, dat occulte ontwikkeling het best, het snelst en het veiligst komt door trouw de kleine dagelijkse plichten te vervullen.
        – Episodes from an Unwritten History, blz. 24-5

 

Noten

  1. Brief van W.Q.J. aan Sarah W. Cape, oktober 189[3?]; fotokopie, archief van de Theosophical Society, Pasadena. Documenten waarbij geen andere verwijzing worden gegeven, zijn in het TS-archief in Pasadena.
  2. Damodar and the Pioneers of the Theosophical Movement, Sven Eek, Theosophical Publishing House, India, 1965, blz. 47.
  3. ‘Letters of W.Q. Judge’, The Theosophist (52:4), januari 1931, blz. 211.
  4. Damodar, Sven Eek, blz. 48.
  5. Verslag van Abner Doubleday aan Elliott Coues, voorzitter van de Amerikaanse Raad van Toezicht (1885-6).
  6. Het woord Aryan [arisch] had in Judge’s tijd geen negatieve betekenis en verwees naar het volk van Aryavarta (India), een Sanskrietwoord met de betekenis ‘verblijf van de edelen’.
  7. Het origineel van W.Q.J.’s brief in antwoord op de brief van Damodar, waarop M op de achterkant zijn boodschap schreef, is in het archief van de Theosophical Society, Adyar; Damodars brief ontbreekt.
  8. Een artikel in twee delen getiteld ‘The Collapse of Koot Hoomi’ [De val van Koot Humi] door George Patterson, The Christian College Magazine, september en oktober 1884.
  9. ‘Madame Blavatsky in India. Een antwoord op Moncure D. Conway’, The Arena (5:28), maart 1892.
  10. The letters of H.P. Blavatsky to A.P. Sinnett, 1925 (herdrukt 1973), blz. 313-4.
  11. ‘William Quan Judge’, The Canadian Theosophist (20:2), 15 April 1939, blz. 35.
  12. T.S. Letter Copying Book 1A, blz. 60.
  13. Notulen van alle Amerikaanse conventies in 1886 zijn opgenomen in het ‘Records Book’, blz. 19-32.
  14. Tweede jaarlijkse conventie – 22-23 april [1888], Amerikaanse Afdeling van de Theosophical Society, Sherman House, Chicago, Illinois; herdrukt in H.P. Blavatsky aan de Amerikaanse Conventies 1888-91, blz. 15.
  15. Letters from the Masters of Wisdom, First Series, transcribed and compiled by C. Jinarajadasa, Theosophical Publishing House, Adyar, India; 5th ed., 1973, Brief 47, blz. 100-3 (6th ed., 1988, Brief 60, blz. 125-7).
  16. Ibid., Brief 19, blz. 46-7 (6th ed. 1988, Brief 19, blz. 48-9).
  17. Sixth Annual Convention Report, 1892, blz. 19.
  18. Seventeenth Anniversary of The Theosophical Society, Adyar, 27-29 dec. 1892, blz.2.
  19. Zie W.Q. Judge aan A.P. Sinnett, 1 aug. 1881, en aan H.P.B., 5 feb. 1886, in The Letters of H.P. Blavatsky to A.P. Sinnett, blz. 312-4.
 
Andere artikelen over William Quan Judge
 
Themanummer Sunrise: William Quan Judge 1851-1896
 

Uit het tijdschrift Sunrise sept/okt 1996

© 1996 Theosophical University Press Agency