Brieven die me hebben geholpen
Douglas A. Russell*

 

*Toespraak gehouden op de herdenkingsbijeenkomst ter gelegenheid van de honderdste sterfdag van William Q. Judge, op 23 maart 1996 in het Pasadena Center, Pasadena, Californië.

Vandaag gingen alle lezingen over Judge. Ik ga het over mezelf hebben. Om precies te zijn – over Judge en mezelf. Ik vraag u geduldig te zijn. Tot vanmiddag heb ik de weinige keren dat ik in het openbaar heb gesproken, dat altijd spontaan gedaan, gebaseerd op een paar aantekeningen als geheugensteuntje. Vandaag zal ik wat ik te vertellen heb voorlezen, want ik vind dit boek te belangrijk om het risico te lopen mijn eigen improvisaties eraan toe te voegen. Mijn opmerkingen betreffen dat deel van het boek dat de brieven bevat, vooral het eerste gedeelte. Toen ik het boek voor het eerst bekeek, vond ik daarin meteen bij de eerste alinea van het voorwoord bemoediging. De volgende zin uit The Path van mei 1887 wordt erin aangehaald:

We hebben behoefte aan literatuur die niet alleen voor hoogontwikkelde mensen toegankelijk is, maar eenvoudiger is en probeert te voorzien in de behoefte van gewone mensen met een gezond verstand, die werkelijk snakken naar de morele en verstandelijke hulp die de meer pretentieuze boeken hun niet geven.

Het leek alsof die zin voor mij was geschreven.

Er zijn veel manieren waarop mensen theosofie benaderen, bestuderen, leren en in praktijk brengen. Sommigen hebben nog nooit van het woord theosofie of van theosofische organisaties gehoord, en toch onderzoeken en bestuderen ze onophoudelijk dezelfde beginselen en grootse ideeën waartoe de meest toegewijde onderzoeker van esoterische theosofische literatuur wordt aangetrokken. Ik denk dat ik me ongeveer halverwege tussen die twee posities bevind – hoewel bevoorrecht om kennis te hebben gemaakt met de theosofische beweging en veel edele mensen die daarbij betrokken zijn, ben ik niet iemand die diep in de werken van Mw. Blavatsky en haar opvolgers graaft. Kortom, niet een onderzoeker door middel van het geschreven woord.

Hoe kan ik dan, of zou ik kunnen delen in deze wijsheid op een manier die bij me past en aansluit bij de wereld van alledag?

Sla Brieven die me hebben geholpen open. En òf ze mij geholpen hebben! Toen ik overdacht hoe ik over dit opmerkelijke boek zou gaan vertellen, leken er voor mij twee benaderingen mogelijk te zijn. De ene zou zijn het te hebben over een aantal van de vele ideeën en beginselen die het boek aanbiedt. De andere benadering om te spreken over de titel – de praktische interpretatie van het boek – brieven die me met hun ideeën, advies, waarschuwingen, bemoediging en natuurlijk hulp, tot steun zijn geweest.

Over hoe dit boek vol staat met handreikingen voor de werkelijke, alledaagse wereld waarin we leven. Over hoe het boek hulp kan bieden in tijden van verdriet, evenwicht brengt in tijden van onrust, toekomstperspectief in tijden van verwarring, en geduld in tijden van sterke verlangens. O, wat zou ik graag willen dat ik een paar keer wat beter had geluisterd, in plaats van het alleen maar een lippendienst te bewijzen. Maar aan de andere kant is het boek me vele keren tot steun geweest, zowel in het algemeen als in speciale gevallen. Ik hoop dat ik er op een of andere wijze in slaag tot u door te laten dringen welke geschenken degene die dit boek opslaat te wachten staan. Degenen onder u die dat al eerder deden, zullen hun eigen herinneringen hebben van hoe ze werden geholpen.

Misschien was het laf van mij, maar ik heb het boek niet zitten herlezen als voorbereiding voor deze voordracht. Dat is niet de manier waarop ik er plezier aan heb beleefd en er iets aan heb gehad. In plaats daarvan heb ik ervoor gekozen u te vertellen hoe Brieven die me hebben geholpen in mijn leven een actieve en leidende rol heeft gespeeld – op willekeurige momenten en bij tussenpozen.

Opnieuw verwijs ik naar het voorwoord van Jasper Niemand, waarin wordt verklaard dat de brieven geen ‘verhandelingen’ zijn, maar ‘wenken gegeven door iemand die wist dat het eerste waaraan een beginneling behoefte heeft, is te leren hoe hij moet denken. . . . hoe zich te ontwikkelen, zoals ieder wezen zich tenslotte moet ontwikkelen, door zijn eigen naar binnen gerichte inspanningen'.1

Hoewel de brieven kort zijn, geeft ‘iedere bewering die erin staat uitdrukking aan de wet’. Maar deze absolute uitspraak die kennelijk afkomstig is van een autoriteit, wordt gevolgd door een diepzinnige waarschuwing: ‘Die hulp wordt nooit vrijwillig aangeboden. Ze volgt het bevel van karma, en als die hulp wordt gegeven, laat ze de studerende vrij die te aanvaarden of niet, al naar gelang de weg die zijn intuïtie hem wijst. Er is geen schijn of spoor van gezag aan verbonden op de manier zoals de wereld gezag opvat. Zij die langs de onbekende weg voortgaan, zenden boodschappen terug, en wie dat kan, ontvangt ze.’2

Dit is voor mij zo’n prachtig denkbeeld, en het verschaft een kader voor verkenning en onderzoek, zelfs op goed geluk, naar dat wat voor mij waar is. Direct al aan het begin wordt uiteengezet dat alles wordt aangeboden om door mijn innerlijke wijsheid, mijn intuïtie, te worden aangenomen – wanneer, en als ik er klaar voor ben. Hele reeksen prachtige denkbeelden kunnen aan mij voorbijgaan zonder dat ik me er zelfs maar van bewust ben, omdat ik nog niet het punt heb bereikt om ze te begrijpen, ze op te nemen, of ernaar te leven. Maar er wordt niet van me verlangd om te geloven, er wordt niet van me gevraagd iets te accepteren, en daarom hoef ik niet de last te dragen van het blind herhalen van wat voor mij geen betekenis heeft. Wat heeft het voor zin om de regels van de differentiaal- en integraalrekening uit mijn hoofd te leren als ik niets begrijp van rekenen, optellen, aftrekken, vermenigvuldigen en delen?

In dit opzicht is de titel van het boek zo scherpzinnig – Brieven die me hebben geholpen – geen regels om op te volgen, geen feiten om te leren, maar brieven die me hebben geholpen.

Wanneer ik terugdenk aan wat ik zojuist heb gezegd, ben ik me ervan bewust hoe diep ik werd getroffen door het vermogen van de brieven om altijd, altijd te helpen bij het onderwerp waar ik mee bezig was – hoewel ze er vaak schijnbaar geen verband mee hadden – en altijd gaven ze de sleutel waarnaar mijn innerlijk hart op zoek was. Hoe gebeurde en gebeurt dit? Ik geloof dat ik de uitdrukking, de zin, de alinea tegenkwam die ik gereed was te ontvangen en op dat moment nodig had. Dat is hoe ik in het dagelijks leven met het boek omging.

Gewoonlijk las ik het boek ’s avonds, kort voordat ik ging slapen. Jarenlang werd ik als ik naar bed ging door zorgen gekweld en had ik veel meer spanningen dan ik dacht te kunnen verwerken. Ik pakte dan het boek, liet het ergens willekeurig openvallen en begon te lezen. Vaak las ik iets waarvan ik me niet kon herinneren het eerder te hebben gelezen; andere keren kwam ik oude bekende regels tegen, dik onderstreept, maar ik had ze nog niet zo volledig in me opgenomen dat ik er onbewust naar leefde. Misschien dat andere gedeelten dan ik nu tegenkwam net zo goed van pas waren gekomen, maar onfeilbaar sprong een gedachte of begrip naar voren dat direct te maken had met mijn angst, zorgen of verwarring.

Natuurlijk was de hulp in feite niet specifiek toegesneden op mijn probleem; veeleer bood ze perspectief, of verscherpte de aandacht, of verbreedde de context, of hielp me om de rechtvaardigheid van de zich ontvouwende gebeurtenissen in te zien. Het hielp me om mijn aandacht van de enge begrenzingen van een specifieke gebeurtenis te verleggen naar een beter begrip van mijn verantwoordelijkheden en kansen.

Ik zou graag willen dat ik kon zeggen dat ik elk van die ervaringen volledig in me op kon nemen en dat ik daarna voor 100% ervan gebruikmaakte, maar nee – ik kreeg alleen wat ik op dat moment kon begrijpen en verwerken. Het opnieuw lezen onthulde voortdurend een grotere diepzinnigheid, wijsheid en hulp. Het is een boek dat ik tijdens mijn leven nooit kan uitputten of volledig in me kan opnemen. Ik wens u de vreugde van het ervaren van dit prachtige geschenk van Judge.

 

Noten

  1. Brieven die me hebben geholpen, 1:viii.
  2. Op.cit., 1:ix.
 
Andere artikelen over W.Q. Judge
 

Uit het tijdschrift Sunrise sept/okt 1996

© 1996 Theosophical University Press Agency