Onbekendheid met de waarheid over de werkelijke aard van de mens en
van zijn vermogens en de werking daarvan en met de toestand na de dood
van het lichaam, hebben verschillende soorten kwaad tot gevolg. Zo’n
gebrek aan kennis heeft gevolgen die zich veel verder uitstrekken dan
tot de belangen van een of meer personen. De regering en de toepassing
van het menselijk recht onder door mensen gemaakte wetten zullen verbeteren
naarmate men over meer kennis van dit belangrijke onderwerp beschikt.
Zodra een uitgebreide en diepe kennis van en geloof in de occulte kant
van de natuur en de mens het algemeen bezit van de volkeren zal zijn
geworden, kunnen we een grote verandering tegemoet zien op het punt
van de doodstraf.
Het doden van een mens in opdracht van de staat is moreel onjuist en
iedereen wordt daardoor benadeeld; geen misdadiger zou ter dood moeten
worden gebracht, ongeacht zijn vergrijp. Ook al is de toepassing van
het recht zo gebrekkig, dat zij vrijlating van de gewetenloze misdadiger
zou toelaten voordat zijn straftermijn is verstreken, dan heeft dit
toch niets te maken met de vraag of men hem mag doden.
In het christendom is het doden in strijd met de wet, die wordt verondersteld
te zijn uitgegaan van de Hoogste Wetgever. Het gebod luidt: ‘Gij
zult niet doden!’ Er wordt geen uitzondering gemaakt voor staten
of regeringen; het maakt zelfs geen uitzondering voor het dierenrijk.
Daarom is het volgens deze wet onrechtmatig om een hond te doden, laat
staan een mens. Maar het gebod is altijd genegeerd en wordt dit nog
steeds. De door mensen gemaakte theologie heeft welk voorschrift dan
ook altijd kunnen wegredeneren; en christelijke volkeren verlustigden
zich ooit in terechtstellingen. Er is een tijd geweest dat iemand kon
worden opgehangen op grond van het stelen van een brood of een paar
spijkers. Maar dit is nu zo veranderd dat, behalve in enkele onbelangrijke
uitzonderingen, de doodstraf door de wet alleen wordt toegepast op moordenaars.
We kunnen de misdadigers die onder onze wetten met de dood zijn of
zullen worden gestraft, zonder meer in twee klassen verdelen, namelijk
zij die gewetenloos, gewelddadig, moordzuchtig zijn, en zij die dit
niet zijn, maar die in een ogenblik van hartstocht, angst of boosheid
iemand hebben vermoord. Laatstgenoemden kunnen weer worden onderverdeeld
in hen die berouw hebben over wat ze hebben gedaan en zij die geen berouw
hebben. Maar zelfs al zijn die van de tweede klasse niet zoals de anderen
met opzet vijanden van de maatschappij, ook zij kunnen voor hun terechtstelling
naast berouw hun woede, haat, wraakzucht en andere gevoelens koesteren,
alle gericht tegen de maatschappij die hen vervolgt en tegen hen die
rechtstreeks zijn betrokken bij hun proces en terechtstelling. Bij het
beschouwen van dit vraagstuk moet daarom rekening worden gehouden met
de aard, de hartstochten, de geestesgesteldheid en de verbittering van
de misdadiger. Want de toestand waarin hij verkeert wanneer hij van
het aardse leven wordt afgesneden, heeft met dit onderwerp veel te maken.
Elke manier van terechtstelling is gewelddadig, of het nu is door het
mes, het zwaard, de kogel, door vergif, de strop, of elektrokutie. En
voor een theosoof heeft de term gewelddadig in verband met
de dood een grotere betekenis dan voor mensen die de theosofische inzichten
niet delen. Voor laatstgenoemden onderscheidt een gewelddadige dood
zich van een zachte natuurlijke dood alleen door het geweld dat tegen
het slachtoffer is gebruikt. Maar voor ons betekent zo’n dood
de gewelddadige scheiding tussen de mens en zijn lichaam, en is een
ernstige zaak die van belang is voor de hele staat. In feite ontstaat
daardoor een paradox, want zulke mensen zijn niet dood; ze blijven onder
ons als onzichtbare misdadigers, die de levenden kwaad kunnen doen en
de hele samenleving kunnen schaden.
Wat gebeurt er? Het enige dat de toeschouwer ziet, is dat de plotselinge
scheiding tot stand wordt gebracht, maar wat gebeurt er in werkelijkheid?
Een natuurlijke dood is zoals het vallen van een blad bij het naderen
van de winter. De tijd is er volledig rijp voor; al de krachten van
het blad zijn ontbonden; omdat ze niet langer actief zijn, hecht de
steel zich nog maar zwakjes aan de tak en het minste zuchtje voert het
mee. Evenzo met ons; we beginnen onze verschillende innerlijke vermogens
en delen van elkaar te scheiden omdat hun levenstijd is vervuld, en
wanneer de laatste trilling komt, vallen de verschillende innerlijk
verbonden delen van de mens uiteen en de ziel is vrij. Maar de ongelukkige
misdadiger heeft het natuurlijke einde van zijn leven niet bereikt.
Zijn astrale lichaam is niet gereed om van zijn fysieke lichaam te worden
gescheiden, en evenmin is de levens- en zenuwkracht gereed het lichaam
te verlaten. De innerlijke mens vormt een nauw verweven geheel en hij
is de werkelijke mens. Ik zei dat deze delen niet gereed zijn om te
worden gescheiden – ze kunnen in feite niet worden gescheiden,
omdat ze zijn samengebonden door wetten en krachten waarover alleen
de grote natuur heerschappij voert.
Als het puur fysieke lichaam dan zo wordt behandeld dat een plotselinge
voortijdige scheiding van de werkelijke mens totstandkomt, is deze alleen
een tijdlang verdoofd, waarna hij ontwaakt in de atmosfeer van de aarde,
ten volle een bewust, levend wezen, maar zonder lichaam. Hij ziet de
mensen, hij ziet en voelt opnieuw zijn gerechtelijke vervolging. Zijn
hartstochten zijn springlevend. Hij is een woedend om zich heen grijpend
vuur, een en al haat; het slachtoffer van zijn medemensen en van zijn
eigen misdrijf. Weinigen van ons kunnen toegeven, zelfs onder gunstige
omstandigheden, dat we volkomen ongelijk hebben en kunnen zeggen dat
de aan ons door mensen opgelegde straf juist en rechtvaardig is, en
in de misdadiger leeft slechts de haat en de zucht naar wraak.
Als we bedenken dat deze geestesgesteldheid door zijn proces en de
executie is verergerd, kunnen we inzien, dat hij een bedreiging voor
de levenden is geworden. Zelfs als hij niet zo slecht en wraakzuchtig
was zoals hier beschreven, draagt hij toch zijn eigen daden met zich;
hij neemt de beelden van zijn misdaden met zich mee naar het astrale
gebied dat ons omringt, en deze zijn als het ware steeds herlevende
wezens. In elk geval is hij gevaarlijk. Ronddrijvend zoals hij doet
in het gebied waar ons denken en onze zintuigen werkzaam zijn, komt
hij voortdurend in contact met het denken en de zintuigen van de levenden.
Er zijn meer mensen die nerveus en sensitief zijn dan we vermoeden.
Als deze sensitieve naturen worden aangeraakt door deze onzichtbare
misdadiger, ontvangen ze onmiddellijk de beelden van zijn misdaad en
zijn straf, de trillingen van zijn haat, boosaardigheid en wraakzucht.
Het gelijke brengt het gelijke voort, en aldus brengen deze trillingen
soortgelijke trillingen voort. Menigeen is door een onbekende kracht
aangezet om een misdaad te begaan; en die kracht was afkomstig van een
dergelijke bewoner van onze sfeer.
En ook op mensen die niet tot de ‘sensitieven’ worden gerekend,
oefenen deze rondwarende misdadigers een invloed ten kwade uit, omdat
ze, waar ook maar bij die individuen een basis daarvoor aanwezig is,
slechte gedachten opwekken. We kunnen de enorme kracht van haat, wraakzucht,
vrees, ijdelheid, al deze tezamen, niet wegredeneren. Neem het geval
van Guiteau die president Garfield doodschoot. Zijn proces duurde vele
dagen. Zijn haat, zijn boosheid en zijn ijdelheid werden iedere dag
en tot zijn dood toe op de spits gedreven, en hij stierf vol verwensingen
tegen iedereen die iets te maken had met zijn problemen. Kunnen we zo
dwaas zijn te zeggen dat al de kracht, die hij op die manier had opgewekt,
opeens was verdwenen? Natuurlijk niet. Na verloop van tijd zal deze
in andere krachten worden omgezet, maar gedurende de lange tijd voordat
dit plaatsvindt, zal de levende Guiteau ons denken en onze zintuigen
beïnvloeden, en de afschuwelijke beelden en de verschrikkelijke
hartstochten, die hij in het leven riep, met zich meevoeren en over
ons uitstorten.
Een theosoof die gelooft in de samengestelde natuur van de mens en
zijn ingewikkelde innerlijke aard, en die weet dat deze op wetmatigheid
berust en niet op alleen toeval of op de fantasie van degenen die bazelen
over de noodzaak de samenleving te beschermen, terwijl ze de juiste
manier om dit te doen niet kennen en zich uitsluitend aan de Mozaïsche
wet van straf en vergelding houden – hij zal partij kiezen tegen
de doodstraf. Hij ziet in dat die straf een onrecht is tegenover de
levenden, een gevaar voor de staat, en dat zij de misdadiger elke kans
ontneemt zich te verbeteren.
Vertaald uit The Path, september 1895.
© Nederlandse vertaling 1996 Theosophical University
Press Agency
Gepubliceerd in het tijdschrift Sunrise
sep/okt 1996
Inhoudsopgave
artikelen William Quan Judge
Andere
artikelen over sociale en maatschappelijke vraagstukken