Uit De
Goden wachten op ons, blz. 70-4
Die dag herinner ik me heel goed. Het sneeuwde toen ik die ochtend
op weg ging naar de missiepost om al die ontmoedigde mensen in hun armoede
te ontmoeten. Het was een gewone sneeuwbui die weinig deed vermoeden
dat er later op de dag een verschrikkelijke sneeuwstorm zou woeden,
die zijn kracht al begon te tonen toen ik aankwam. In die hevige storm
die nu ieder moment erger werd, wachtten meer dan zeshonderd vrouwen
en kinderen op hulp. Ze waren maar half gekleed, want ze hadden de meeste
kleren verpand en vergingen van de kou. Velen van hen klaagden luid
en schreeuwden om hulp . . . Ik kon ze niet hongerig wegsturen en het
zou nog een poosje duren voordat het eten klaar was.
Er zat voor mij niets anders op dan naar buiten te gaan en met hen
te praten, hen zo goed ik kon rustig te houden en geduldig te laten
wachten. . . . Al die tijd nam de menigte en ook de storm toe en hiermee
mijn eigen verdriet, tot mijn hart bijna brak bij het zien van zoveel
diepe ellende en in het besef dat wat ik kon doen zo verschrikkelijk
weinig en zo ondoeltreffend was: hen uit hun huidige nood te helpen
en te beschermen tegen een even slechte of nog beroerdere situatie morgen
of overmorgen.
Plotseling werd mijn aandacht getrokken door een bleek gelaat aan de
rand van de menigte – het was het gezicht van een man onder een
paraplu, zijn kraag omhoog en om zijn hals dichtgeknoopt en zijn hoed
laag over zijn gezicht getrokken – het was duidelijk niet een
van de stakers; een heer, dacht ik, die plotseling tot armoede was vervallen
en zich schaamde om met de anderen naar voren te komen en om het voedsel
te vragen dat hij zo hard nodig had. Een fijnbesneden gelaat met een
opvallend edele uitdrukking, en een blik van ernstige droefheid, en
van ziekte – ongetwijfeld ten gevolge van honger. Dit alles ging
door me heen bij die ene blik en ik draaide me om om een van onze helpers
te vragen naar hem toe te gaan. Maar toen ik weer keek was hij verdwenen.
Twee dagen later gaf hij bij me thuis zijn kaartje af: het was William
Quan Judge, een leider van de theosofische beweging en opvolger van
H.P. Blavatsky. Hij vertelde me dat hij over mijn werk onder de armen
had gelezen en was daar naartoe gegaan om het zelf te zien. Hij vond
het in zeker opzicht praktisch en waardevol, zei hij, maar had ook mijn
ontevredenheid gemerkt en mijn honger naar iets dat veel dieper zou
gaan, het opheffen van de oorzaken van de ellende en niet slechts het
verlichten ervan. Op dat moment, toen ik hem leerde kennen, besefte
ik dat ik mijn plaats had gevonden. Hoe meer ik met hem en met zijn
werk vertrouwd raakte, hoe meer ik er zeker van werd dat sommige van
mijn oude dromen misschien toch nog uit zouden komen. Ik zou hem niet
volledig en nauwkeurig kunnen beschrijven; hij staat in zijn diepe wijsheid
en verheven adel zover boven de meeste mensen. Hij had de theosofie
tot een levende kracht in zijn leven gemaakt, en niemand kon nog zo
verbitterd tegen hem zijn dat hij zijn verdraagzaamheid en mededogen
zou verliezen.
Hij was het die me voor het eerst iets liet zien van de kracht van
het denken en die me deed beseffen hoe deze het lot van een mens ten
goede of ten kwade kan bepalen. En tegelijk wees hij me erop dat in
de theosofie de oplossing is te vinden voor alle problemen die me zo
gekweld hadden: dat ze de weg wijst naar de juiste behandeling van de
onderdrukten en de verworpenen van de mensheid en naar de juiste middelen
tegen armoede, verdorvenheid en misdaad. Het eerste wat de theosofie
hierover zegt is: hij die het pad dat naar de waarheid voert wil betreden,
moet de mislukkingen en de fouten van zijn medemensen op een andere
manier interpreteren. Hij moet de wet van eeuwige rechtvaardigheid –
karma – leren begrijpen, dat ‘wat een mens zaait, zal hij
ook oogsten’ – en hij moet leren inzien dat een onoverwinnelijk
mededogen daarom noodzakelijk is . . .