Terugblikken in de geschiedenis, al is het maar honderd jaar, is zoiets
als door het verkeerde eind van een telescoop kijken: wat we zien is
glashelder maar zo geslonken dat het onvoorstelbaar ver weg lijkt. Het
lezen van de geschriften van William Quan Judge verschaft ons een duidelijke
kijk – maar vanuit de verte – op een mens die veel groter
is dan hij lijkt; zoveel groter dan het beeld dat we herkennen, dat
we zijn karakter alleen in perspectief kunnen zien door het effect dat
hij op andere mensen heeft gehad.
Om ons te realiseren wat deze rustige bescheiden man tot stand heeft
gebracht, moeten we rekening houden met zijn invloed op zijn tijd. Zijn
eigen mening over zijn werk is zo bescheiden en onvolledig dat men zich
alleen maar kan afvragen hoe het kwam dat zovelen die de theosofie bestudeerden
naar hem toekwamen om raad. Vanuit alle hoeken van zijn uitgestrekte
aangenomen vaderland vroegen ze hem om advies en schonken hem hun vertrouwen,
omdat ze instinctief wisten dat hij hen nooit in de steek zou laten.
Naast zijn advocatenpraktijk en de verplichtingen van zijn gezin was
hij in staat De oceaan van theosofie te schrijven, wat een
klassieke uiteenzetting is geworden van de leringen van de oude wijsheid.
Het is een bedrieglijk klein boekje vol informatie en inspiratie, dat
de lezer een uitgestrekte ‘oceaan’ van kennis biedt binnen
een klein bestek. Zo kort en bondig is zijn werk dat tenzij er aan ieder
woord zorgvuldig aandacht wordt geschonken, ons veel waardevolle informatie
kan ontgaan. In de korte vijf jaar dat Judge de Theosophical Society
heeft geleid schreef hij ook duizenden brieven aan mensen die zijn wijsheid
zochten en om raad vroegen over hoe zij de theosofie in hun eigen leven
moesten toepassen. Het lezen van zijn antwoorden aan deze briefschrijvers
is heel leerzaam. Bovendien besteedde hij veel van zijn tijd aan reizen
en het geven van lezingen in verschillende centra waar theosofen samenkwamen
en zijn aandacht vroegen.
Veel van zijn briefschrijvers richtten zich tot hem door een wolk van
wanbegrip – sommigen wilden hun persoonlijke vooruitgang bevorderen
in de hoop op gunsten of rechten die niet waren verdiend. Er waren ook
mensen die uitdrukking gaven aan disharmonische gevoelens tegenover
anderen waarmee ze samen studeerden. Het antwoord van Judge was onveranderlijk
vriendelijk en geduldig, zelfs wanneer zijn eerlijkheid hem noopte tot
een strenge vermaning. Toch werd iedere aanmerking verzacht door vriendelijkheid
en was zo onpersoonlijk zuiver dat men er geen aanstoot aan kon nemen.
In die begintijd van de Theosophical Society moet er, toen H.P.B. ‘naar
huis’ was gegaan, een enorm gat zijn achtergelaten door de hoofdstichtster,
een leegte die slechts kon worden gevuld door de man tot wie ze zich
had gericht als ‘mijn beste broeder en medestichter van de Theosophical
Society’.1 Hij was een veelgezochte
man en het is te begrijpen dat veel belangstellenden haastig de pen
pakten om over hun verwarring te schrijven aan de ‘geachte heer
Judge’.
Opmerkelijk is de enorme correspondentie die hij kon voeren terwijl
hij de verplichtingen van zijn beroep en van zijn gezin nakwam. Niet
alleen gaf hij antwoord op aan hem gestelde vragen, door zowel mensen
die hij nooit had ontmoet als goede bekenden, maar iedere brief die
hij verzond werd ook opgenomen in een uitgebreide serie ‘briefkopieën
boeken’ die in het archief zijn bewaard en die een indrukwekkend
aantal aanwijzingen bevatten voor mensen die leerling wilden worden
en die zich wilden wagen aan de training van het esoterische leven.
Het was misschien onvermijdelijk dat hij verkeerd werd begrepen zelfs
door sommige van zijn naaste medewerkers, maar niemand die zijn geschriften
oprecht bestudeerde zou zich laten misleiden door de beschuldigingen
van zijn vijanden. ‘Aan de vruchten kent men de boom’ en
de vruchten van zijn leven zijn zowel voedsel voor de ziel als een aanduiding
van de aanwezigheid in zijn werk van een ware spirituele invloed die
zo krachtig is dat zelfs de eenvoudigste mens een edele visie verkrijgt
waarmee hij ten volle en gewetensvol kan leven.
Noot
-
Brief van H.P. Blavatsky, d.d. Londen
3 april 1888 aan de tweede jaarlijkse conventie van de Amerikaanse
afdeling van de Theosophical Society, 22-23 april 1888, in Sherman
House, Chicago.