Gedachten over Brieven die me hebben geholpen
Ingrid Van Mater

 

De mens is het mysterie van de eeuwen; ieder van ons.     – 1:60

Brieven die me hebben geholpen door William Quan Judge is een boek dat zoekers naar waarheid door de jaren heen hebben geraadpleegd. Het staat vol wijsheid die tegelijk praktisch en diepzinnig is. De veelomvattende levensbeschouwing van Judge, zijn moed, zijn bescheidenheid en vriendelijkheid, verlichten deze bladzijden met doordringende inzichten in de eindeloze belofte van menselijke vervulling en in de toepassing van geestelijke waarden in het dagelijks leven.

Het boek is een combinatie van twee eerdere publicaties. Het eerste deel werd gepubliceerd in 1891 en bevat brieven geschreven door W.Q. Judge (‘Z’) aan een vriend en medewerker, Julia Campbell Ver Planck (‘Jasper Niemand’). Het tweede deel, na zijn dood samengesteld, bevat brieven aan mensen in verschillende delen van de wereld.

Hoewel het geen dik boek is, staat het vol gedachten die voedsel verschaffen aan de ziel. Men kan het boek overal openslaan en een paar regels lezen die tot zelfbeschouwing uitnodigen. Door een benadering waarbij hij zich in een situatie inleeft, wordt de interesse gewekt voor een bredere kijk op het doel en de mogelijkheden van wat een mens kan bereiken. Brieven als deze, geschreven als antwoord op klemmende vragen, hebben een innerlijke vitaliteit en ook een zekere intimiteit die zelfs de diepste gedachten meer toegankelijk en betekenisvol maken voor de lezer. Toen ik kortgeleden het boek herlas was ik onder de indruk van de gevoeligheid van Judge voor de noden en verwachtingen van zijn correspondenten en van zijn eindeloos optimisme. Men vindt steeds gedachten die aanmoedigen en inspireren, waardoor iemand een beter begrip krijgt van het praktische occultisme en gaat zien hoe de geestelijke beginselen moeten worden toegepast in de beproevingen en dilemma’s van het dagelijks leven.

Het brede perspectief van universele broederschap – van de goddelijke kracht die alle levende wezens bezielt en verenigt – en de even fundamentele wetten van karma en wedergeboorte, vormen de achtergrond voor de tot uitdrukking gebrachte waarheden. Het dagelijks leven is de arena van de ervaringen van de ziel door onszelf in vorige levens geschapen, en deze aarde is het veld van handeling waar we de conflicten en misleidingen van het persoonlijk zelf onder ogen moeten zien, terwijl er zich geleidelijk een bewustwording ontwikkelt van het werkelijke zelf.

Judge zegt dat ‘de eerste stap naar ware mystiek en het ware occultisme is te trachten de betekenis te begrijpen van universele broederschap’ (2:50-1). Bijvoorbeeld: ‘Omdat we bijna uitsluitend van elkaar leren – we leven hier immers allen voor elkaar – is het effect van affiniteiten op onze daden en gedachten enorm en veelomvattend’ (1:5).

Naast het feit dat ingewikkelde karmische draden ons met anderen op een eindeloos aantal manieren verbinden, zowel in positieve als in negatieve zin, is ieder van ons een individu, met zijn bijzondere taak en bestemming in dit en in andere levens, gebouwd op gedachten en handelingen uit het verleden die onze tegenwoordige omstandigheden hebben veroorzaakt. Het leven is vol paradoxen die ons voor veel verschillende keuzen stellen en een beroep doen op onze intuïtie en andere vermogens om door te dringen tot het hart van een idee. We zijn één en toch gescheiden. We worden alleen geboren, we sterven alleen en verwerven kracht en wijsheid door het maken van onze eigen keuzes. We moeten ook ‘onze eigen deuren openen’ tot een ruimer begrip. Niemand kan dit voor ons doen.

Hoewel we soms voelen dat we alleen zijn, is dit in werkelijkheid een illusie. Iedere gedachte, ieder gevoel, iedere handeling heeft een invloed, positief of negatief, op onszelf en op anderen. Judge schrijft aan Mw. Ver Planck:

Bij iedere poging die je hebt gedaan om het denken van een ander te verlichten en te openen voor de waarheid, werd je zelf geholpen. . . . Want als men op die manier leeft om anderen te helpen, brengt men daarmee de regel in de praktijk om te proberen ‘alle gevoel van afgescheidenheid’ uit te roeien, en komt zo beetje bij beetje in het bezit van het ware licht.     – 1:1

Er is een passage die verband houdt met dit onderwerp van goddelijk één-zijn, die ik beschouw als een van de indrukwekkendste uitspraken in het boek. Op een dag had Judge de behoefte om zijn idee van broederschap te verruimen en schreef een korte brief aan een vriend over zijn experiment. Hij begon met de gedachte: ‘Ik ben van niets afgescheiden. ‘Ik ben dat wat is.’ Dat wil zeggen, ik ben Brahma, en Brahma is alles. Maar levend in een wereld van illusies, ben ik omringd door bepaalde verschijnselen die mij afgescheiden lijken te maken.’ En hij ging verder om in gedachten te verklaren en te accepteren dat hij alles is, het goede en het kwade in alle dingen – alle illusies zowel als Brahma en de andere positieve beginselen die bij hem opkwamen – en hij vatte deze gedachte samen in de volgende regels:

Moet ik mijzelf niet meester worden, zelfs wanneer een dierbare vriend me verlaat en me diep kwetst, wanneer ik weet dat hij mijzelf is?     – 1:10

Ik las dit tientallen jaren geleden en het is me altijd bijgebleven. Voor mij onthult het de reden en de noodzaak voor vergevensgezindheid en begrip. Het geeft ook de macht aan van onzelfzuchtige motieven in denken en handelen.

Als we deze brieven zorgvuldiger bestuderen, gaan we inzien dat hoe dieper het verlangen is om uit te stijgen boven de illusoire aspecten van het leven en ons te richten op de innerlijke realiteiten, hoe waakzamer we moeten worden voor de subtiele manieren waarop zaden van negatieve neigingen zoals ijdelheid en ambitie onze motieven kunnen beïnvloeden. Er wordt aandacht besteed aan de vraag waarom bepaalde gevoelens negatief zijn, het soort obstakels die ze teweegbrengen, en manieren om die om te zetten in positief handelen. Hoe om te gaan met ongeduld, twijfel, spijt, zorg, vrees en te gehaast zijn, wordt in verschillende samenhang behandeld. Een kalme, positieve, geduldige benadering van alle situaties wordt sterk aanbevolen:

Laat geen ontmoediging toe. Voor alle groei, voor iedere verandering, voor elke ontwikkeling, is tijd nodig. Laat de tijd haar volmaakte werk doen en houd dit niet tegen. . . Ik zou nooit de minste angst of wanhoop over me laten komen, maar als ik door de mist de weg of het doel niet kan zien, zou ik eenvoudig gaan zitten en wachten. Ik zou niet toestaan dat de mist mij laat denken dat er geen weg is en dat ik niet verder kan gaan. De mist zal optrekken.    – 2:106-7

Letten op de tijd, wachten, de ups en downs die we allemaal ervaren, zijn deel van de cyclische werking van het leven en komen soms wanneer ziekte of andere problemen ons dwingen het enige tijd wat langzamer aan te doen. Deze bieden gelegenheden om serieus na te denken over de prioriteiten in ons leven en om wat onderzoek van de ziel te doen. Judge wijst erop dat als je bijvoorbeeld naar een ziekte kijkt als ‘precies wat je in feite wenst’, dit niet alleen je goede gedachten zal versterken, ‘maar ook een weerslag zal hebben op je lichaam en het sterker maken’.

Diverse verhelderende passages zijn gewijd aan het aankweken van geduld en de noodzaak kalm te zijn:

omdat de innerlijke geest bij uitstek kalmte nodig heeft om te worden gehoord, is het duidelijk hoe belangrijk geduld is. Het weerhoudt iemand ook van overijld handelen, want overhaast handelen kan een goeie kerel of een goed plan kapot maken, en kan hem tijdelijk van karma bevrijden en verhinderen dat bepaalde goede gevolgen optreden.    – 2:192

Judge raadt aan om het hogere geduld te ontwikkelen en een kalm vertrouwen op de wet; waarbij men zich richt op het doen van zijn plicht zo goed als men kan en de rest aan karma overlaat. Hij voegt hieraan toe dat een goede manier om te leren geduld te hebben, is door te proberen het bij de kleinste dingen in praktijk te brengen. Als men dit trouw doet, zal het geduld groeien en met deze groei zal men meer voor anderen kunnen doen en een ‘zuiverder hulp vanuit de binnenzijde van de dingen’ verkrijgen.

Spijt is een andere zaak waarover hij spreekt, omdat stilstaan bij het verleden het probleem alleen maar nieuw leven inblaast en vergroot. Hij beklemtoont eerder hoe belangrijk het is met een positieve houding in het heden te leven, waarin verleden en toekomst zijn verenigd, en te vertrouwen op karma als de enige rechter. Dit moet niet worden verward met het periodiek op constructieve wijze terugblikken, wat zijn waarde heeft. De houding is het belangrijkste: ‘Als het heden vol twijfel en aarzeling is, zal de toekomst ook zo zijn; als het vol vertrouwen, kalmte, hoop, moed en intelligentie is, dan zal de toekomst dat ook zijn.’ (2:111).

Wat betreft twijfel leren we om niet toe te laten dat de zaden daarvan zich zullen ontwikkelen want die komen voort uit de lagere natuur. ‘Vernietig’ in plaats daarvan ‘alle twijfel met het zwaard van kennis’, zoals de Bhagavad Gita het uitdrukt. Wie twijfel koestert is ‘als de golven van de zee, voortgedreven en opgeworpen door de wind’. Vervang die twijfel door een onwankelbaar vertrouwen in het ware zelf.

Ieder van ons bevindt zich op een lange reis door ontelbare levens op het pad van zelfontdekking. Hoe meer we ons hiervan bewust worden, hoe meer onze motieven en bedoelingen zullen worden getest door de dagelijkse gebeurtenissen die zich ontvouwen. Zuivere motieven en onzelfzuchtigheid spelen daarbij een grote rol.

Al met al ‘verlang er nooit, nooit naar om kennis of macht te verkrijgen voor enig ander doel dan die op het altaar te leggen, want alleen dan kan die voor u behouden blijven’ (1:1), zegt Judge. Hij raadt aan om onbroederlijke kritiek te vermijden en deze te vervangen door samenwerking en het accepteren van anderen. De eerste stap naar een positieve houding en gerichtheid op het ware zelf is

het opgewekt vervullen van de plicht, . . . en vooral van de kleine plichten van het leven. Als u een taak uitvoert, leg dan uw hele hart erin. Er is veel in dit leven dat de moeite waard is als we er een open oog voor zouden hebben. Als we dit inzien, kunnen we de moeilijkheden die ons overkomen kalm en geduldig dragen, want we weten dat die voorbijgaan.     – 2:76-7

Hij zegt verder dat het karakter geleidelijk sterker wordt door het aanpakken van kleine fouten, bij iedere gelegenheid, een voor een, wanneer ze gemakkelijk kunnen worden gecorrigeerd. Door dit te doen wordt een innerlijke houding van aandacht en voorzichtigheid ontwikkeld.

Er bevindt zich veel meer in onze ingewikkelde natuur dan we in dit stadium kunnen begrijpen. Het is echter nuttig mee te stromen met de onvermijdelijke getijden van het leven, die op en neer gaan als die van de oceaan. Er kunnen verschillende niveaus van innerlijke activiteit tegelijk bestaan, zoals het proberen aan te voelen wat onze dagelijkse plicht is, terwijl we diep naar binnen gekeerd zijn en ‘steun kunnen vinden in de grote oceaan van het zelf die nooit in beweging is’. Ieder van ons heeft een ander karma en een andere dharma of plicht, maar wij allen betreden samen het pad van lering voor de ziel, of wij ons daarvan bewust zijn of niet.

Wat onze achtergrond ook is, de Brieven van Judge spreken vanuit zijn meedogende ziel tot het hart van ieder van ons. Ze zijn geschikt om steeds opnieuw gelezen te worden, om de subtiele betekenisnuances in de grootse beginselen achter de bestemming van de mens in ons op te nemen. Het overdenken van zijn woorden is als het openen van een gordijn en het werpen van een blik achter de schermen van het grote innerlijke levensdrama. Zijn begrips- en inlevingsvermogen, gezond verstand, helderheid van denken en optimisme maken dit boek tot een unicum in de theosofische literatuur en een bron van bemoediging en inspiratie voor ieder die het leert kennen.

 
Andere artikelen over W.Q. Judge
 

Uit het tijdschrift Sunrise sept/okt 1996

© 1996 Theosophical University Press Agency