Een van de vragen die een theosoof geneigd is te stellen, en wel met
enige ernst en intensiteit, is: ‘Hoe kan ik vooruitgang boeken
in het hogere leven? Hoe kan ik geestelijke gaven ontwikkelen?’
De uitdrukking ‘geestelijke gaven’, wat een nogal losse
uitdrukking is, hebben we te danken aan Paulus, de adept en apostel,
die daarover schreef aan de Corinthiërs: ‘Over geestelijke
gaven, broeders, zou u niet onwetend moeten zijn’. Tot de ‘gaven’
die hij dan opsomt behoren de volgende: wijsheid, kennis, geloof, genezing,
het teweegbrengen van wonderen, profetie, het waarnemen van geesten,
het spreken in verschillende talen, en het interpreteren van talen.
En terwijl de apostel de Corinthiërs aanspoort om ‘de beste
gaven ernstig na te streven’, gaat hij toch door om hen een nog
betere weg te tonen, namelijk de verheven wet van de liefde. ‘Welnu,
blijf trouw’, zegt hij, ‘aan geloof, hoop, liefdadigheid
(of liefde), aan deze drie; maar de grootste van deze drie is liefdadigheid’
[1 Cor. 13:13]. Geestelijke gaven liggen, hoe begerenswaardig het bezit
ervan misschien ook is, volgens deze goede adept, duidelijk niet op
het hoogste gebied, zijn niet het hoogste doel dat een mens kan bereiken,
of de meest uitmuntende weg om de menselijke vervolmaking te bereiken.
Ze kunnen ongetwijfeld terecht worden beschouwd als blijken van vooruitgang
op de hogere gebieden van het denken en van het geestelijke leven, en
kunnen worden nagestreefd en gebruikt om anderen van dienst te zijn;
maar ze zijn niet zelf het hoofddoel van het menselijke verlangen. Want
het hoogste doel van de mens zou moeten zijn om God te worden, en ‘God
is liefde’.
Maar laten we de zaak nader beschouwen. In de eerste plaats, wat is
een ‘gave’? Wat is de gangbare betekenis van dat woord?
Ongetwijfeld iets dat wordt gegeven of verleend aan een ontvanger, niet
iets dat de mens al bezit, of wat hij kan verkrijgen door een proces
van groei of ontwikkeling. Het laatste zou strikt genomen een ‘vrucht’
zijn en niet een gave. Een boom die jarenlang niets anders heeft voortgebracht
dan bladeren en takken, krijgt tenslotte bloesems en vruchten. Er is
geen nieuwe ‘gave’ aan verleend; hij heeft eenvoudig een
stadium van ontwikkeling bereikt in zijn natuurlijke groei waarin bepaalde
krachten die vanaf het begin al tot het wezen van de boom behoorden,
de gelegenheid krijgen om zich te laten gelden. Op dezelfde manier zijn
de transcendente krachten die adepten bezitten geen gaven maar het natuurlijke
gevolg van groei in bepaalde richtingen, en vormen om zo te zeggen de
noodzakelijke bloei van een ingrijpende ontwikkeling bij hen van die
geestelijke potentialiteiten die het geboorterecht zijn van alle mensen.
Wanneer we deze opvatting van de betekenis van het woord aanhouden,
dan denk ik dat de meeste theosofen bereid zullen zijn te erkennen dat
de uitdrukking ‘geestelijke gaven’ een verkeerde benaming
is. Gaven die de mens kan ontvangen, zijn er niet en kunnen er niet
zijn. Wat een onderzoeker van het hogere leven ook is, hij is dat als
het resultaat van zijn arbeid in het verleden. Wat hij in de toekomst
misschien wordt, zal het gevolg zijn van zijn eigen inspanningen. Hij
kan zijn latente vermogens ontwikkelen en na verloop van tijd een adept
worden, of hij kan op de golven van het leven drijven zonder doel of
inspanning, totdat hij tenslotte in vergetelheid verzinkt. Zijn lot
ligt in zijn eigen handen, en hangt op geen enkele manier af van ‘gaven’.
Als we bedenken dat de natuur van de mens vele aspecten heeft, kan
het onderwerp vanuit een ander gezichtspunt worden bekeken. Feitelijk
kan men zeggen dat de mens bestaat uit lichaam, ziel en geest, waarbij
de ziel de ware ego is en de geest één met het allerhoogste.
En als we deze tijdelijk als afzonderlijke entiteiten beschouwen, is
het volkomen waar dat, zoals een andere apostel, Jacobus, zegt ‘iedere
goede gave en iedere volmaakte gave vanboven komt’ [Jacobus 1:17].
Iedere aspiratie van de ziel naar geestelijke dingen, ieder besluit
van de mens om een zuiverder leven te gaan leiden, iedere helpende hand
die wordt uitgestrekt naar een zwakkere broeder, ieder verlangen naar
de waarheid, elk hunkeren en dorsten naar rechtvaardigheid: –
deze en soortgelijke verlangens en strevingen van de ziel moeten in
de eerste plaats vanboven komen, van het goddelijke binnenin ons. In
dit opzicht kunnen ze ‘gaven’ worden genoemd, gaven van
de hogere natuur aan de lagere, van het geestelijke aan het menselijke.
En deze werking van wat boven is op wat beneden is, blijkt uit die menselijke
eigenschappen of deugden – wat men ze ook zou willen noemen –
die Paulus elders opsomt als de ‘vruchten van de geest –
liefde, vreugde, vrede, langdurig lijden, zachtaardigheid, goedheid,
geloof, lankmoedigheid, gematigdheid’ [Galaten 5:22-3].
Hoe kunnen we, gezien vanuit elk van die standpunten, geestelijke gaven
verkrijgen? Het antwoord schijnt ervan af te hangen waarnaar we in feite
streven. Als de buitengewone vermogens van de adepten tot onze verbeelding
spreken en onze ambitie hebben aangewakkerd, moeten we beheerst en geduldig
zijn. Bijna niemand van ons is werkelijk geschikt voor een proces van
‘geforceerde’ vooruitgang. We moeten ons ermee tevredenstellen
te wachten en te werken; te groeien en ons te ontwikkelen; regel na
regel, voorschrift na voorschrift, hier een beetje en daar een beetje,
totdat we misschien na eeuwen de status bereiken van de volmaakte mens.
Maar als we, omdat we wijselijk onze beperkingen inzien, in plaats daarvan
streven naar wat de gewone manifestatie van de geest kan worden genoemd,
doen zich twee voor de hand liggende handelwijzen aan ons voor.
Iedere impuls van boven, elke ingeving van de godheid in ons, zou onmiddellijk
een hartelijk welkom moeten worden geheten en er zou op gereageerd moeten
worden. Als u het gevoel heeft dat iets u ertoe aanzet een zieke te
bezoeken of een buurman of vriend in moeilijkheden, geef dan zonder
te wachten gehoor aan die aanwijzing. Als de wens om een nieuwe weg
in te slaan het lagere bewustzijn bereikt, wacht dan niet tot het volgende
nieuwjaar alvorens dat daadwerkelijk te doen; doe het nu. Als u bent
aangedaan door het een of andere roerende verhaal over iemands leed,
volg dan die emotie terwijl uw wangen nog nat zijn van de tranen. Kortom,
verbind uzelf onmiddellijk met de goddelijke wegen, in harmonie met
de goddelijke wetten. Iemand die zo is voorbereid, zo vol vertrouwen
is, zal onvermijdelijk meer licht, meer wijsheid, meer spiritualiteit
krijgen. Hoe kan een ijzeren staaf worden doordrongen met het magnetisme
van de aarde als deze dwars op de magnetische meridiaan wordt geplaatst
in plaats van parallel eraan? Hoe kan iemand geestelijke gaven of vermogens
verwachten als hij volhardt in het negeren van geestelijke voorwaarden,
in het overtreden van geestelijke regels? Om het goede te verkrijgen,
moeten we goede gedachten hebben; vol goede verlangens zijn; kortom
we moeten goed zijn.
En deze praktische aanbeveling is om elke taak die we kennen trouw
en nauwgezet te vervullen. In en door de gebeurtenissen van het dagelijkse
leven, door werk dat we goed hebben gedaan, door plichten die nauwkeurig
zijn vervuld, kunnen we het snelst vooruitgang in het hogere leven boeken
– een vooruitgang die misschien langzaam, maar in ieder geval
zeker is. Dat zijn springplanken naar betere dingen. We gaan het snelst
vooruit als we stilhouden om andere reizigers te helpen. We ontvangen
het meest wanneer we het meeste opofferen. We bereiken de grootste mate
van goddelijke liefde wanneer we onze broeder het meest onzelfzuchtig
liefhebben. We worden zeer zeker één met het hoogste als
we onszelf verliezen in het werk voor de mensheid.
Vertaald uit The Path, februari 1889.
© Nederlandse vertaling 1996 Theosophical University
Press Agency
Gepubliceerd in het tijdschrift Sunrise
sep/okt 1996
Inhoudsopgave
artikelen William Quan Judge
Andere artikelen
over occultisme, meditatie, yoga, gebed, paranormale vermogens