Een heldenstam
Eloise Hart

 

Een van de grootste geschenken die William Q. Judge ons naast zijn literaire juwelen heeft nagelaten, is de verzekering dat er wezens zijn groter dan wij: een ‘heilige heldenstam’ noemde hij ze,1 die, nadat zij door ons evolutiestadium zijn heengegaan, de poorten van de Olympus hebben bereikt. Maar daar aangekomen houden ze stil; bij het horen van het hulpgeroep van de mensheid keren ze terug om ons, hun jongere broeders, te helpen.

Enkele van hun namen kennen we zoals Boeddha, Jezus, Lao-Tze; anderen leiden ogenschijnlijk een normaal leven en zij zijn helden door hun moed om ons te laten delen in gedachten die ons inzicht verheffen en ons op het spoor zetten van waarheden die slechts weinigen durven onderzoeken.

Sommigen van deze groten worden als goden beschouwd, want hun krachten, voortgebracht door de innerlijke held, zijn goddelijk, evenals hun brandend verlangen om hen die in nood verkeren te beschermen en te steunen. Griekse mythen en tradities van Amerikaanse indianen vertellen ons over tijden waarin godheden onder de mensen leefden en hen onderwezen in de kunsten en wetenschappen van de beschaving en deze archetypische ideeën in het menselijk hart verzegelden, waar ze door de eeuwen heen worden bewaard en van tijd tot tijd worden ‘ontdekt’.

Dit geschenk dat men weet dat er helden bestaan, geeft ons een doel om naar te streven en de verzekering dat hoe moeilijk onze situatie ook is, of hoe vervelend onze zwakheden, wijzelf onze weg kunnen kiezen, en als we een beroep doen op de kracht in onze ziel kunnen we boven de duisternis uitstijgen.

W.Q. Judge schetst een opgaand pad op zo’n manier dat het klinkt als een heel praktische weg die we kunnen volgen; toch wist hij dat deze alle wijsheid, concentratie en deugdzaamheid vereist die we kunnen opbrengen. Maar als we ons volledig inzetten, bereiken we alles, en ontwikkelen we krachten die goddelijk zijn.

In zijn tijdschrift The Path van februari 1889 (Theosofische inzichten, blz. 77-8) schrijft hij:

In en door de gebeurtenissen van het dagelijks leven, door werk dat we goed hebben gedaan, door plichten die nauwgezet zijn vervuld, kunnen we het snelst vooruitgang in het hogere leven boeken. . . . Dat zijn springplanken naar betere dingen. We gaan het snelst vooruit als we stilhouden om andere reizigers te helpen. We ontvangen het meest wanneer we het meeste opofferen. We bereiken de grootste mate van goddelijke liefde wanneer we onze broeder het meest onzelfzuchtig liefhebben. We worden zeer zeker één met het hoogste als we onszelf verliezen in het werk voor de mensheid.

Dit is een pad dat Judge heeft gevolgd, zoals al deze bezielde mannen en vrouwen deden die mahatma’s worden genoemd. Zulke mensen verschillen van ons alleen daarin dat ze gedurende opeenvolgende levens hun geestelijke en verstandelijke kwaliteiten hebben ontwikkeld. Omdat ze de heersende wetten en de oorzaken en krachten die het leven op aarde soms verstoren kunnen zien en begrijpen, zijn ze onophoudelijk actief op innerlijke gebieden om de harmonie en het evenwicht te herstellen en ieder van ons die naar waarheid hunkert te helpen met inspiratie en inzicht.

 

Noot

  1. The Path, december 1889, blz. 272-81; herdrukt in Theosofische inzichten, blz. 93-104.
 
Andere artikelen over W.Q. Judge
 

Uit het tijdschrift Sunrise sept/okt 1996

© 1996 Theosophical University Press Agency