Verkorte weergave van een toespraak gehouden voor
de W.Q. Judge Branch van de Theosophical Society te Liverpool, Engeland,
op 3 maart 1996.
Over de positie van William Quan Judge als een van de drie voornaamste
stichters van de Theosophical Society bestaan vreemd genoeg zelfs nu
nog twijfels bij sommigen. De twee andere belangrijke stichters, H.P.
Blavatsky en kolonel H.S. Olcott, hebben die positie bij vele gelegenheden
nadrukkelijk bevestigd. In een brief van H.P.B. aan Judge van 22 augustus
1886 zegt ze bijvoorbeeld: ‘En jij, jij bent een van
de oorspronkelijke stichters.’ Ook haar berichten aan de conventies
van de Amerikaanse afdeling van de Theosophical Society (TS) beklemtonen
zijn belang als medeoprichter. En tijdens de eerste jaarlijkse conventie
van de Theosophical Society in Europa op 9 en 10 juli 1891 in Londen
verklaarde Olcott toen hij in mei over H.P.B.’s overlijden werd
geïnformeerd: ‘Ik besloot onmiddellijk mijn plannen te wijzigen,
me hierheen te haasten en mijn oude bondgenoot en medeoprichter, Judge,
telegrafisch op te roepen om me hier te treffen en met andere vrienden
te beraadslagen over de toekomst van onze Society, . . .’ Er bestaan
nog veel meer van zulke voorbeelden.
Toen HPB en Olcott in 1878 uit Amerika naar India vertrokken, brak
er een proeftijd aan voor degenen die achterbleven. Judge ging ermee
door brieven naar India te sturen, maar kreeg weinig respons. Het kwam
zover dat hij de indruk kreeg in de steek te zijn gelaten. Die eerste
tijd werd de jonge Judge gehinderd door zijn eigen gevoel van onzekerheid
alsmede door financiële en huiselijke problemen. Maar in zijn worsteling
om die te overwinnen ontwikkelde hij grote innerlijke kracht. Door zijn
aanhoudende arbeid bouwde hij tenslotte de TS in Amerika op en H.P.B.
noemde hem daarom de ‘reanimator van de theosofie in de Verenigde
Staten’. Het werk vorderde in het begin langzaam, maar de schakel
bleef ongebroken. Het was een periode van duisternis en stilte. H.P.B.
had een soortgelijke periode doorgemaakt toen ze schreef: ‘Jarenlang
dacht ik dat de Meester me geheel in de steek had gelaten.’
In 1883 ontving Judge een boodschap van Meester M die hem opriep naar
India te gaan. Tijdens zijn korte verblijf in Adyar in 1884 publiceerde
het Christian College Magazine in Madras ‘De val van
Koot Humi’, met vervalste brieven waarvan werd beweerd dat ze
door H.P.B. waren geschreven. Dit was een onderdeel van ‘De Coulomb-samenzwering’,
een gebeurtenis die de Society hevig in beroering zou brengen en haar
lot mede zou bepalen.
Judge keerde eind 1884 naar Amerika terug en ontmoette aan boord van
het schip voor het eerst A.E.S. Smythe, toekomstig General Secretary
van de Theosophical Society in Canada, die als volgt over hem sprak:
Judge beheerste de gewone omstandigheden volkomen
en wist honing te zuigen uit het nietigste onkruid. Hem kennen betekende
van hem houden . . . Hij wandelde op de dekken met mensen die gezelschap
nodig hadden, hij speelde kaart, behalve op zondag want daar trok
hij de grens, hij deed aan ringwerpen, en hij praatte wat, . . . Hij
zag er oud en flets uit en als men mij had gezegd dat hij 33 was,
zou ik hebben gezegd dat men er 20 jaar naast zat. We wisten niets
van . . . de strijd die er in Adyar was geweest over de reputatie
van H.P.B. – The Canadian Theosophist,
april 1939, blz. 35
Na zijn terugkeer in Amerika kwam er een aanmerkelijke verbetering
in de omstandigheden van Judge. Hij ontmoette nieuwe belangstelling
voor de theosofie, misschien ten dele als gevolg van de Coulomb-affaire.
Nieuwsbladen en particulieren wilden er allemaal meer over weten. Judge
oogstte veel respect voor zijn behandeling van deze vragen, en zijn
artikelen over theosofie werden in brede kring gewaardeerd. Met een
kleine groep toegewijde werkers, en soms alleen, begon hij aan de opbouw
van de TS in Amerika.
In april 1886 introduceerde Judge het tijdschrift The Path.
Zijn schrijfstijl is eenvoudig, direct en ondubbelzinnig. Hij spreekt
in de taal van de gewone man. Hij kan erg ingewikkelde leringen naar
een niveau brengen dat velen kunnen begrijpen, en toch bevatten zijn
geschriften de diepere betekenissen voor hen die ze kunnen zien. Hij
doet een beroep op het subtiele inzicht van degenen die dat bezitten.
Een vriend van hem zei eens dat hij, wanneer hij naar theosofische bijeenkomsten
ging, ‘niet kon begrijpen waar ze allemaal over praatten, totdat
Judge opstond’. En een ander: ‘Hij deed ververwijderde zaken
dichtbij lijken en de dingen die te dichtbij waren, plaatste hij naar
achteren op hun juiste afstand’ (Theosophy, maart 1933,
blz. 193).
Judge reisde veel rond om voordrachten te houden en nam een grote hoeveelheid
literair werk voor zijn rekening in een tijdvak van ongeveer tien jaar.
Dit werk eiste een zware tol van zijn lichaam, dat vanaf zijn kindertijd
nooit sterk was geweest. Als kleine jongen maakte hij een ernstige ziekte
door. De dokter verklaarde hem dood, maar tot ieders verbazing kwam
hij weer bij en bleef in leven. Er was toen een merkwaardige karakterverandering
in de jongen optreden. Dit voorval wordt genoemd in een verhaal van
Judge getiteld ‘In een geleend lichaam’ (Brieven die
me hebben geholpen, 2:86).
Om Judge en zijn bijzondere band met HPB en de theosofische beweging
beter te begrijpen, moeten we ons bezighouden met een belangrijk aspect,
zelfs al begrijpen we het niet helemaal. Een vriend en naaste medewerker
van Judge zei over hem: ‘Hij besteedde er eens een paar uur aan
om aan mijn vrouw en mij de ervaring te beschrijven die het ego had
toen het de leiding nam over het instrument dat het zoveel jaren zou
gaan gebruiken’ (Theosophy, mei 1896, blz. 52). Dit proces,
dat in het oosten bekendstaat als tulku, vindt plaats wanneer
een levende ingewijde of occultist een deel van zijn bewustzijn uitzendt
om zich gedurende enige tijd te belichamen in iemand die speciaal is
uitgekozen om een specifieke taak te verrichten. Deze lering verschaft
de sleutel tot de vele schijnbare tegenstrijdigheden in het karakter
van boodschappers en chela's waarvan de geschiedenis van de theosofische
beweging getuigt. In dit verband hebben we een bewijs in H.P.B.’s
brief aan Judge van 1886:
Het probleem bij jou is dat je de grote verandering
niet kent die zich enkele jaren geleden in jou heeft voltrokken.
Bij anderen is soms hun astrale lichaam veranderd en vervangen
door dat van adepten (en van elementaren) en zij beïnvloeden
de uiterlijke en de hogere mens. Bij jou is de nirmanakaya
en niet het ‘astrale’ met jouw astrale versmolten. Vandaar
de duale natuur en de strijd.
In december 1888 was Judge in Londen om H.P.B. te helpen bij de vorming
van de esoterische sectie. Hij schreef het Book of Rules [Boek
van voorschriften] van de sectie en H.P.B. vaardigde een speciale instructie
uit waarbij ze Judge benoemde tot ‘mijn enige vertegenwoordiger
voor genoemde sectie in Amerika en . . . het enige kanaal waardoor alle
mededelingen zullen worden gezonden en ontvangen tussen de leden van
genoemde sectie en mijzelf’, en ze deed dit op grond van zijn
karakter ‘als een chela met een staat van dienst van dertien jaar’.
In hetzelfde jaar werd Judge door Olcott benoemd tot vice-voorzitter
van de Theosophical Society.
Toen H.P.B. in 1891 overleed, verloor de Society een grote bindende
kracht. Haar dood versterkte aanvankelijk de banden tussen de leden,
maar in plaats daarvan traden geleidelijk mensen op de voorgrond met
een sterk karakter en een sterke wil. Het was voor Judge inderdaad een
moeilijke taak, toen zij die in die tijd de enige grote vertegenwoordiger
was, was heengegaan en de nieuwsgierigheid en belangstelling die haar
originele en treffende missie had opgewekt, waren weggeëbd. Het
bestaansrecht van de TS lag voortaan in haar filosofische grondslag
en dit was het doel dat Judge na jaren van zwoegen en onbuigzame vasthoudendheid
bereikte.
Na de dood van H.P.B. reisde Judge per schip naar Engeland, waar hij
ervoor zorgde dat de esoterische sectie onder de gezamenlijke leiding
kwam te staan van hemzelf en Annie Besant.
In januari 1892, minder dan een jaar na de dood van H.P.B., verklaarde
Olcott dat hij sukkelde met zijn gezondheid, en hij trad af als voorzitter
van de TS. Toen zijn aftreden in de Blavatsky Lodge in Londen aan de
orde kwam, schreef de voorzitter ervan, Annie Besant, een brief aan
de loge, gedateerd 11 maart 1892, waarin ze zegt:
volgens mij is de tegenwoordige vice-voorzitter en
nog overblijvende medeoprichter van de Society, William Quan Judge,
de meest geschikte persoon om de Society te leiden en iemand die niet
met recht kan worden gepasseerd. Hij is niet alleen de vice-voorzitter
en een van de stichters, maar hij was de vertrouwde vriend en collega
van H.P. Blavatsky van 1875 tot ze heenging.
– Echoes of the Orient 1:xliii
De Indiase afdeling had al in februari 1892 besloten dat als teken
van eerbied Olcott tijdens zijn leven niet zou worden opgevolgd, maar
dat zijn taken zouden worden uitgevoerd door de vice-voorzitter. De
Europese en Amerikaanse afdelingen kozen unaniem Judge als voorzitter.
Achter de schermen speelde zich echter het een en ander af. Op 20 april
telegrafeerde Judge aan Olcott dat hij geen afstand kon doen van zijn
functie als secretaris van de Amerikaanse afdeling. Volgens Olcott sloot
Judge een afschrift bij van een boodschap van een van de meesters voor
Olcott, waarin hem werd gezegd: ‘het is niet de tijd, noch juist,
noch eerlijk, noch wijs, noch de werkelijke wens van de
dat je weggaat, hetzij lichamelijk of officieel.’ Omdat de gezondheid
van Olcott was verbeterd, trok hij op 21 augustus officieel zijn ontslagaanvraag
in en maakte bekend dat Judge zijn opvolger zou worden als voorzitter
(The Theosophist, supplement, sept. 1892, blz. xci).
In 1893 zorgde Judge voor deelname van de Theosophical Society aan
het Parlement van Religies tijdens de wereldtentoonstelling in Chicago,
een gebeurtenis waaruit de grote invloed bleek die de theosofische publiciteit
in Amerika en in de hele wereld had gehad. Hij en Annie Besant kregen
beiden veel aandacht door hun heldere uiteenzetting van oude leringen.
Er was echter storm op til. Een leerling van Judge, C.A. Griscom jr.,
deelt mee (Theosophy, mei 1896, blz. 52):
Judge vertelde me in december 1894 dat het lichaam
van Judge er door zijn karma aan toe was het volgende jaar te sterven
en dat het met buitengewone middelen over die periode heen moest worden
geholpen. Hij verwachtte toen dat dit proces volledig zou slagen en
hij dat lichaam nog vele jaren zou kunnen gebruiken, maar hij rekende
niet op de aanvallen van buitenaf . . .
– en dit bereikte een hoogtepunt in ‘de zaak Judge’,
wat ingrijpende gevolgen had voor de TS. De bijzonderheden – die
talrijk zijn en erg ingewikkeld – zijn beschikbaar en belangstellenden
kunnen deze zelf nalezen. Het gaat in de kern over het feit of Judge
mededelingen ontving van meesters. Hij werd ervan beschuldigd de naam
en het handschrift van de mahatma’s te ‘misbruiken’
en ‘een misleidende materiële vorm aan boodschappen te geven
die langs paranormale weg van de meester waren ontvangen’. Een
bericht van de meester in 1893 ging aan de gerechtelijke tenlasteleggingen
tegen hem vooraf:
Vat nog meer moed. We hebben je niet zonder troost
gelaten. De loge waakt altijd. Een nieuwe dag zal aanbreken. Maar
er moet nog door veel duisternis worden heengegaan en Judge is in
gevaar. Je moet waakzaam zijn en standhouden, en standhouden
en STANDHOUDEN.
– Irish Theosophist, juni 1896,
blz. 168
Ik heb nooit goed begrepen wat de beschuldigingen tegen Judge in feite
inhouden; misschien was het het 19de eeuwse equivalent van de praatjes
van onze 20ste eeuwse kwakzalvers. Olcott besliste echter op aandrang
van anderen dat deze beschuldigingen ernstig genoeg waren om Judge te
vragen af te treden. In februari 1894 telegrafeerde Olcott de tenlasteleggingen
aan Judge en bood hem twee mogelijkheden: (1) alle functies neerleggen;
in dat geval zou een algemene openbare verklaring worden afgelegd; of
(2) een onderzoekscommissie laten bijeenkomen zoals in de constitutie
van de Society is bepaald. In een situatie waarin ‘onschuldig
tot schuld bewezen’ niet relevant werd geacht, koos Judge de laatste
mogelijkheid en antwoordde op 10 maart: ‘Beschuldigingen absoluut
vals. Je kunt de stappen ondernemen die je nodig acht; ik ga in juli
naar Londen.’
Op 10 juli 1894 vergaderde een onderzoekscommissie in Londen en werd
Judge geconfronteerd met zes door Besant opgestelde beschuldigingen.
Haar voornaamste beschuldigingen waren dat Judge oneerlijk was geweest
door te beweren dat hij van 1875 tot heden voortdurend in verbinding
stond met meesters; en dat hij boodschappen, opdrachten en brieven had
verzonden alsof die door meesters waren geschreven en verzonden. Het
verhoor werd ter plekke gestaakt omdat Judge de rechtsgeldigheid van
de commissie betwistte en vaststelde dat ‘de voorzitter en vice-voorzitter
als zodanig door een dergelijke commissie alleen wegens ambtsmisdrijf
– dat wil zeggen het misbruiken van bevoegdheden en onwettige
gedragingen – konden worden verhoord’. Belangrijker is dat
de beschuldigingen een schending van de neutraliteit van de Society
in geloofszaken betekenden door een dogma in het leven te roepen over
het bestaan van de meesters. De constitutie van de Society was over
deze zaken duidelijk, maar het schijnt dat het voornemen om Judge af
te zetten het denken van sommige mensen vertroebelde. Waarom? In De
Mahatma Brieven en bij H.P.B. vinden we misschien een aanwijzing
over chelaschap.
Het fiasco van de behandeling leverde een nogal verwarde en verwarrende
verklaring van Besant op, waarin ze zegt: ‘Verder wil ik duidelijk
maken dat ik Judge niet beschuldig en niet heb beschuldigd van het plegen
van valsheid in geschrifte in de gewone betekenis van het woord.’
Ze gaat verder met uit te leggen waaraan zij denkt dat Judge feitelijk
schuldig is, maar geeft toe dat hij een occultist is.
Judge was een occultist en begreep hoe deze boodschappen werden geschreven
en geprecipiteerd. Waarom begrepen Olcott en Besant het niet? Misschien
waren zij geen occultisten. Het is interessant te lezen wat de meesters
zeggen over hun boodschappen. In De Mahatma Brieven schreef
KH aan Sinnett over M: ‘U moet er niet al te zeker van zijn dat
ze, omdat ze in zijn handschrift zijn, ook door hemzelf zijn
geschreven, al is natuurlijk ieder woord door hem goedgekeurd om een
bepaald doel te dienen’ (blz. 256); en ook, ‘Heel vaak worden
onze brieven – tenzij ze heel belangrijk of geheim zijn –
door onze chela’s in ons handschrift geschreven’ (blz. 327).
Een toelichting van H.P.B. over precipitatie komt voor in The Path
van april 1894: ‘Maar de meeste precipitaties zijn gedaan door
chela’s, die voor u bijna meesters zouden lijken’. Hoewel
de brieven van de meesters aan Sinnett tot 1923 niet voor iedereen verkrijgbaar
waren, waren de brieven in het bezit van Sinnett en ze waren bekend
bij functionarissen van de Society. Waarom werden ze niet geraadpleegd?
In ieder geval werd de zaak na enige verwarring terzijde gelegd en
dacht men dat ze was afgedaan. Maar – en dit wijst op wat ik zie
als een diep occulte kwestie – Walter Old, die in Europa en India
een hoge positie bekleedde in de Society, was niet overtuigd en diende
zijn ontslag in omdat hij de conclusie van de commissie niet kon accepteren.
Hij had het recht dit te doen, maar hij ging een stap verder: hij gaf
de hele reeks documenten over de Zaak Judge, die Olcott hem had toevertrouwd,
aan de Westminster Gazette, die ze einde 1894 publiceerde.
Dit opende een doos van Pandora: Olcott en Besant herhaalden de beschuldigingen
met nog meer klem. Waarom werden dezelfde beschuldigingen niet tegen
hen en nog verschillende anderen ingebracht, die openlijk hadden toegegeven
dat ze boodschappen van meesters hadden ontvangen? Waarom waren ze zo
vastbesloten om Judge te zien vertrekken? Het is interessant op te merken
dat alle tegen Judge ingebrachte beschuldigingen dezelfde waren als
de beschuldigingen die in vroegere jaren tegen H.P.B. waren ingebracht.
Het resultaat van deze betreurenswaardige affaire was dat de Amerikaanse
afdeling tijdens haar jaarlijkse conventie in Boston op 28-29 april
1895 met een stemverhouding van 191 tegen 10 zich als de ‘Theosophical
Society in America’ volledig zelfstandig verklaarde, met Judge
als voorzitter voor het leven. Een aantal loges in Groot-Brittannië,
Europa en Australië volgden het voorbeeld.
Olcott en Besant gaven beiden in latere jaren toe dat ze Judge onrechtvaardig
hadden behandeld. Besant heeft dit in de jaren twintig tegen B.P. Wadia1
gezegd, die lid was geweest van de Algemene Raad van de TS te Adyar.
Toen zij over de Zaak Judge werd geïnterviewd gaf ze toe dat Judge,
alles bij elkaar, niet schuldig was aan de tegen hem ingebrachte beschuldigingen.
Ze zei dat ze enige tijd tevoren tot de conclusie was gekomen dat Judge
geen valsheid in geschrifte had gepleegd en dat de door hem ontvangen
boodschappen echt waren. Toen haar werd gevraagd dit aan de theosofisch
geïnteresseerden in de hele wereld bekend te maken, had Besant
bedenkingen en merkte op dat het een oude en vergeten kwestie was –
‘Waarom dat weer oprakelen?’ zei ze. Wadia vroeg haar of
hij dit openbaar mocht maken, maar ze weigerde botweg. Waarom?
We richten onze aandacht nu op Olcott en een gesprek in New York met
Laura Holloway (een van de auteurs van Man: Fragments of Forgotten
History) in 1906, een jaar voor zijn dood. Holloway en Olcott kenden
elkaar al lang. Tijdens het gesprek haalde Olcott herinneringen op over
de eerste jaren, en ze herinnerde hem eraan dat er een derde medewerker
met hem en H.P.B. was geweest in het begin, tegenover wie Olcott later
vijandig kwam te staan. Hij nam haar hand en zei ‘op een berustende
wijze die grote indruk maakte’:
We leren veel en leren veel af; ik heb veel meegemaakt
en meer geleerd, vooral wat Judge betreft.
Ik weet nu, en het zal je troost geven het te horen,
dat ik Judge onrecht heb aangedaan, niet moedwillig of met boze opzet;
maar toch heb ik dit gedaan en ik heb er spijt van.
– The Word, oktober 1915, blz.
10
Judge had lang getobd met zijn gezondheid. Hij had het leven lang instandgehouden
door pure wilskracht. Ondanks zijn snel slechter wordende conditie,
bleef hij brieven dicteren en aantekeningen maken voor toekomstig werk.
Zijn laatste grote plan was een boek te schrijven over occultisme –
een plan dat hij nooit heeft kunnen verwezenlijken.
Op 21 maart 1896 ging William Quan Judge heen, rechtop zittend op de
sofa, om ongeveer 9 uur in de ochtend, in tegenwoordigheid van zijn
vrouw, E.T. Hargrove en een dienstdoende verpleegster. Zijn vrouw, een
streng methodiste, had zijn theosofische overtuiging niet gedeeld; ze
sloot zich echter later, na zijn dood, aan bij de United Lodge of Theosophists
– ze overleed 17 april 1931. Hargrove heeft over Judge gezegd:
We kunnen het ons nu permitteren ons bemoedigd te
voelen door het leven dat hij heeft geleid en moeten ook bedenken
dat deze man, William Quan Judge, meer toegewijde vrienden had, geloof
ik, dan enig ander levend mens; meer vrienden die letterlijk direct
voor hem wilden sterven, die naar elke plek van de wereld zouden zijn
gegaan bij de minste aanwijzing van hem. En nooit ofte nimmer heeft
hij gebruikgemaakt van die macht en invloed voor zijn eigen persoonlijke
doeleinden; hij gebruikte die macht, groot als ze was, nooit in Amerika,
nooit in Europa, Austraal-Azië of elders, voor iets anders dan
ten bate van de theosofische beweging.
Arme Judge. Het waren niet de beschuldigingen die
aan hem knaagden, die waren te onwaar om hem te deren. Het was het
feit dat degenen die eens luid hadden verkondigd dat ze veel aan hem
hadden te danken en zijn vrienden waren, tot de eersten behoorden
die zich tegen hem keerden. Hij had het hart van een klein kind en
zijn mildheid werd alleen geëvenaard door zijn kracht. . . .
Hij bekommerde zich nooit om wat de mensen van hem of zijn werk dachten,
zolang ze voor broederschap wilden werken. . . . Zijn vrouw heeft
gezegd dat ze nooit heeft meegemaakt dat hij een leugen vertelde,
en zij die in de theosofie het nauwste met hem waren verbonden, zijn
het erover eens dat hij de meest waarheidlievende mens was die ze
ooit hebben gekend. – Brieven die me hebben
geholpen 2:229-30
William Quan Judge bleef tot het einde trouw aan de Zaak en de plannen
die H.P.B. en haar meesters hadden aangegeven – die zaak was zijn
leven. Zijn energie, zijn oog voor details, zijn kracht, zijn visie,
zijn eenvoud bij het uitleggen van diepzinnige occulte leringen, zijn
volstrekte loyaliteit aan H.P.B. – we delen daar nu in mee. Hij
heeft nooit verkondigd de opvolger van H.P.B. te zijn; hij zei dat H.P.B.
sui generis was, haar eigen bijzondere aard had. Hij was degene
die gewoon de fakkel overnam toen H.P.B. heenging – ze wist dat
die in goede handen was. Een korte herdenkingsplechtigheid vond plaats
in het hoofdkantoor, Madison Avenue 144, op maandag 23 maart om 12 uur.
Zijn stoffelijk overschot werd die middag gecremeerd in het Fresh Pond
crematorium op Long Island. Weer ging een strijder, die de schakel onverbroken
hield, heen.
Verwijzing
- The Theosophical Movement:
1875 – 1950, The Cunningham Press, Los Angeles, 1951,
blz. 297-8.