De koninklijke wetenschap
en het koninklijke mysterie bestaan uit toewijding aan en bestudering
van het licht dat van binnenuit komt. De allereerste stap in de richting
van ware mystiek en waar occultisme is te pogen de betekenis van universele
broederschap te begrijpen. Zonder dat leidt zelfs de hoogste ontwikkeling
in de beoefening van magie tot niets.
– W.Q. Judge, Echoes of the Orient
1:4
Occultisme is de studie van het ‘verborgene’,
van de innerlijke werelden die de waarnemingen van onze stoffelijke
zintuigen tot leven brengen en ordenen. Hoewel het grootste deel van
het menselijk leven plaatsvindt in ons innerlijk – zoals gedachten,
gevoelens en verlangens – overheerst de invloed van zintuiglijke
waarnemingen ons denken zo volledig, dat we ons vaak vereenzelvigen
met ons lichaam en onze ervaring in de fysieke wereld. Occultisme tracht
boven deze oppervlakkige, op de zintuigen gebaseerde visie uit te stijgen
om tot een meer waarheidsgetrouw begrip van onszelf en onze omgeving
te komen. Het is een heel oud pad: er zijn altijd mensen geweest die
gedreven waren om onder de oppervlakte te kijken, om zichzelf te ontdekken
en om te zoeken naar de verborgen werkelijkheden van het heelal. Hun
bevindingen zijn opgenomen in alle religies van de wereld. Ze vormen
bovendien de basis van verschillende mystieke scholen en genootschappen.
William Q. Judge beval het occultisme aan als een studie
van de ‘werkingen van de universele geest’ (Echoes of
the Orient1 3:264). In zijn geschriften
besprak hij voor dit doel bruikbare methoden en hij wees daarbij bovendien
op mogelijke valkuilen. Zijn gedachten bieden criteria om de waarde
van de vele technieken op het gebied van geestelijke en occulte ontwikkeling
die tegenwoordig overal te krijgen zijn te toetsen.
Met betrekking tot het occultisme legden Judge en H.P.
Blavatsky bij hun eigen leerlingen de nadruk op twee hoofdpunten. Allereerst
‘dat de mens geestelijk en lichamelijk in essentie identiek is
aan het absolute beginsel en aan God in de natuur . . .’ (3:416).
Deze gedachte houdt de essentiële eenheid in van alle wezens met
de geestelijke bron van het heelal en met elkaar. Broederschap is dus
een realiteit die is vastgelegd in de samenstelling van de
natuur, niet slechts een edele gedachte of een droombeeld. Mensen die
de verborgen werkelijkheden willen doorgronden moeten zich hiernaar
schikken. Zoals Blavatsky schrijft in De Stem van de Stilte:
Help de natuur en
werk met haar mee; en de natuur zal u als een van haar scheppers beschouwen
en voor u buigen.
En zij zal de poorten van haar geheime kamers wijd
voor u openen en aan uw blik de schatten onthullen die zijn verborgen
in de diepste diepten van haar zuivere maagdelijke boezem. . . .
Dan zal zij u de middelen en de weg tonen, . .
. En dan, het doel – waarachter, badend in het zonlicht van
de geest, onuitsprekelijke heerlijkheden liggen, door niemand gezien
behalve door het oog van de ziel.
– Fragment I
In de eerste uitspraak van Judge en Blavatsky ligt bovendien
besloten dat de kosmos is bezield, dat wil zeggen een bewust geheel
is dat wordt beheerst door een leven dat alles doordringt. Het leven
van de kosmos is geen afwijking of alleen maar een bijproduct van ingewikkelde
stoffelijke structuren, maar een fundamentele eigenschap die aan het
heelal en al zijn delen eigen is. En evenals alle andere bestaansvormen
maken mensen deel uit van het volledige scala van het universele bestaan
– van het bewustzijn, het leven en de substantie ervan.
Het tweede punt waarop Judge en Blavatsky de nadruk legden
in hun uiteenzetting over occultisme was dat in de mens ‘dezelfde
potentiële vermogens aanwezig zijn als in de scheppende machten
van de natuur. . . . ieder mens is in potentie een god, omdat in hem
de enorme krachten van de natuur huizen’ (3:416). De vermogens
van het geheel liggen binnenin verborgen en door wilskracht en actieve
studie kunnen ze worden ontwikkeld. Judge was van oordeel dat, omdat
wij in essentie goddelijke scheppende centra zijn, het contraproductief
is om lang bij onze beperkingen of gemaakte fouten stil te staan. Zodra
we de lessen hebben geleerd, moeten we veeleer verdergaan zonder spijt
of twijfel aan onszelf en ernaar streven de kern van ons wezen, het
universele bewustzijn, steeds meer gestalte te geven.
Voor de meeste mensen is het zich naar binnen keren de
meest directe en voor hen bereikbare wijze om het pad naar begrip voor
en bewuste deelname aan de hogere aspecten van de natuur te betreden.
Zelfanalyse leidt tot zelfkennis: we beseffen dat we zowel een ogenschijnlijke
pluriformiteit als in essentie een eenheid zijn.
Er is maar één
leven, één bewustzijn. Het gaat schuil achter alle verschillende
typen bewuste wezens. Al deze vormen, ieder met hun eigen intelligentie,
weerspiegelen een deel van dat ene leven, waardoor in ieder
van ons ten onrechte een gevoel van egoïsme ontstaat. De VORM
als zodanig betekent niets; verschijnselen zijn geen op zichzelf
bestaande werkelijkheden; alles moet tot het Zelf worden teruggevoerd.
Vertrouw op het Ene bewustzijn, dat in ieder mens afzonderlijk zijn
hogere zelf is. Door middel van dit hogere zelf moet hij het lagere,
of wat hij gewoonlijk ‘mijzelf’ noemt, sterker maken.
– 3:263
Ons wezenlijke bewustzijn of zelf, de kern van ons bestaan,
is universeel en verbindt ons met het kosmische beginsel. Het zelf drukt
zich uit door verschillende typen substantie of toestanden van zijn:
geestelijk, verstandelijk, emotioneel, vitaal, astraal, lichamelijk.
Om een volledig wezen te vormen concentreert het wezenlijke zelf in
ieder van deze modaliteiten een afspiegeling van zichzelf – een
evoluerende ziel of monade. We kunnen onszelf gemakkelijk voorstellen
als een drieëenheid van lichaam, ziel en geest. Bij nadere bestudering
kunnen we in onszelf goddelijke, geestelijke, menselijke, dierlijke,
plantaardige, minerale en elementale centra waarnemen, die min of meer
overeenkomen met de natuurrijken. Deze verschillende bewustzijnscentra,
die van elkaar zijn gescheiden maar toch samenwerken en van elkaar afhankelijk
zijn, vormen samen een volledig menselijk (of ander) wezen. Maar hoe
we ons innerlijk wezen ook classificeren, door alle modaliteiten en
monaden heen werkt het ene universele zelf: ‘Al deze zogenaamde
lichamen en verschijningsvormen zijn er om dat ENE–
het Zelf – in staat te stellen de natuur volledig te begrijpen
en ‘de ziel van dienst te zijn’ ’ (3:265).
Zelfanalyse geeft ons de mogelijkheid om onderscheid te
maken tussen enerzijds de wezenlijke eenheid en anderzijds de veelheid
door middel waarvan zij zich uitdrukt. Door ons te realiseren dat onze
innerlijke structuur samengesteld van aard is, zien we de verschillende
aspecten van onszelf zoals ze zijn. We kunnen kiezen met welke delen
we ons willen vereenzelvigen en waar we ons bewustzijn willen concentreren.
We kunnen ons zo losmaken van gewoonten en begeerten door te weigeren
ons zelfgevoel te identificeren met iedere opwelling die in ons opkomt.
Als we erover nadenken zien we dat sommige impulsen hun oorsprong vinden
in onze emotionele natuur, andere in het verstand, het lichaam of de
intuïtie. Zodra we weigeren ons ‘zelf’ kritiekloos
te vereenzelvigen met onze diverse begeerten, gedachten en gevoelens,
verliezen ze hun aantrekkingskracht en hun greep op ons.
We kunnen het besef dat we een samengesteld wezen zijn
ook gebruiken om positieve veranderingen teweeg te brengen.
Aan iets waaraan
iemand niet denkt kan hij niet gehecht zijn; daarom moet de eerste
stap zijn de gedachten te richten op het hoogste ideaal. . . . Dit
Zelf moet worden herkend als iets dat binnenin zetelt. We moeten er
diep over nadenken en ons een zo goed mogelijk begrip ervan vormen,
als we enige ware kennis willen verkrijgen. –
3:262-3
Door dit proces nadert het individu de universele geest
die de wortel van zijn bestaan is. Maar als we ons meer willen vereenzelvigen
met dit universele bewustzijn ‘moeten we ons bewustzijn geleidelijk
en volhardend terugtrekken van de illusie van de zintuigen’, en
het niveau van ons bewustzijn verhogen. Zo zal men tenslotte ‘de
bovenzintuiglijke wereld leren kennen zoals men ook de zaken die de
zinnen en de tijd betreffen kent, namelijk door ondervinding’
(3:263).
Wanneer mensen de innerlijke gebieden door ondervinding
ontdekken, komen ze vaak nieuwe gevoelens en vermogens tegen waarvan
ze geloven dat die spiritueel zijn. Bijna al deze behoren echter tot
de psychische of astrale sfeer die bestaat uit materie die slechts één
graad etherischer is dan fysieke stof. Onze lichamelijke zintuigen zijn
geworteld in inwendige zintuigen, het meest direct in die van het astrale
gebied. Als we gevoelig zijn voor deze elementen, komen de waarnemingen
ervan ons bewustzijn binnen wanneer onze astrale zintuigen worden geprikkeld.
Of deze psychische indrukken spontaan opkomen dan wel opzettelijk worden
teweeggebracht, er bestaat een onmiskenbaar risico dat onze aandacht
erdoor in beslag wordt genomen. We zullen dan door onze astrale zintuigen
geheel en al van de werkelijkheid worden afgeleid zoals eerst door onze
lichamelijke zintuigen.
Judge maakt een scherp onderscheid tussen occultisme en
het verkrijgen van ‘occulte’ vermogens. Hij erkent ‘het
bestaan van verborgen, grote krachten in de natuur’, maar zegt
dat deze noch gemakkelijk in bedwang zijn te houden, noch veilig zijn:
‘volgens ons kan ware wijsheid niet worden bereikt door middel
van verschijnselen, maar door een ontwikkeling die binnenin ons begint’
(1:4). Deze krachten zijn bijzonder gevaarlijk omdat ze zo sterk een
beroep doen op de zelfzuchtige, op het ego gerichte kant van de menselijke
natuur. Mensen zoeken naar deze krachten om zich belangrijk en bijzonder
te kunnen voelen of om hen persoonlijk succes in hun beroep of financiën
te bezorgen. Maar ‘als er één onfeilbare test is,
één absoluut bewijs dat men op de verkeerde weg zit, dan
is het wel wanneer materieel gewin in welke vorm dan ook wordt betrokken
bij geestelijke ontwikkeling’, want ‘alleen psychisme
kan hand in hand gaan met materieel gewin of verleidingen – psychisme
van de linkerhand, dat leidt tot de ruïnering van degenen die zich
daaraan schuldig maken (ook zij die zichzelf om de tuin hebben geleid)
en van hun slachtoffers in dit of een ander leven’ (3:261).
Wanneer we het pad van ontwikkeling volgen, moeten we
op een gegeven moment een keuze maken tussen het aanwenden van onze
krachten in samenwerking met de natuur en ten bate van anderen, dan
wel deze te gebruiken tegen de natuur in en voor onszelf:
de grenslijn tussen deze twee wegen
is moeilijk te onderscheiden. Ze is als de haarlijn, waarvan de mohammedaanse
mysticus zegt dat deze de waarheid van de leugen scheidt. Men moet
erg kritisch staan tegenover de vraag of het eigen motief werkelijk
wel zo onbaatzuchtig is als men het zichzelf voorspiegelt. Maar dat
kan altijd worden getest door zich af te vragen hoe oprecht het gevoel
van broederschap is dat men in zich heeft. Iemand die alleen met zijn
verstand ernaar verlangt kennis te vergaren en meer te ontdekken op
dit gebied is zelfzuchtig en van het soort van de linkerhand, want
zolang niet iedere wens om de waarheid te kennen erop is gericht deze
kennis aan anderen door te geven, is deze besmet. –
3:91
Daarom zijn ethiek en motief werkelijk de meest
cruciale elementen bij de bestudering van het occultisme. Als men voorbijgaat
aan de ethiek, ‘is dit het begin van zwarte magie, en dat betekent
dat men is begonnen aan een onderneming waarin men tegen de hele kosmos
in moet slagen, waarbij men de vijand van alles behalve zichzelf moet
zijn, omdat men anders zal falen’ (3:478). Zelfzuchtige motieven
leiden onvermijdelijk naar de donkere zijde van de natuur, want gelijke
zaken trekken elkaar aan.
Judge beveelt degenen die het occultisme op een veilige
manier willen benaderen aan, te trachten om ‘hun gedachten aan
hun beeldend vermogen’ aan te passen – het vermogen om in
creatieve zin iets aanschouwelijk te maken en zich iets voor te stellen.
Iedere gedachte-energie, zo legt hij uit, kneedt de ‘zielensubstantie’
tot vormen die zolang blijven bestaan als de energie ermee verbonden
blijft. Deze ‘energetische beelden’ werken in op het innerlijke
wezen van degene die ze heeft voortgebracht en op dat van anderen.
Het belang om onze
gedachten onder controle te houden wordt, gelet op het beeldend vermogen
van de ziel en haar voorstellingsvermogen, dan duidelijk. Omdat het
denken dynamisch is, worden deze beelden – die vaak zelf een
opeenhoping van levens zijn omdat ieder atoom in de atomaire substantie
van ether een leven is – alom gevoeld. Vaak is gezegd dat iemand
tussen gevangenismuren kan worden opgesloten en toch voor de mensheid
kan werken, alleen al door op de juiste wijze te denken.
– 3:267-8
Wij zijn zo gewend om gedachten, omdat ze onstoffelijk
zijn, als onbelangrijk te beschouwen, dat we de verantwoordelijkheid
om onze gedachten en gevoelens onder controle te houden niet serieus
nemen. Maar hun uitwerking op zowel onszelf als onze omgeving is groot.
Wat zijn nu de belangrijkste middelen om een dieper begrip
van de werkelijkheid te verkrijgen? Het eerste is het beoefenen van
onzelfzuchtigheid en mededogen in ons dagelijks leven. ‘Een mens
moet in de praktijk brengen wat hij weet. Zolang hij dat niet
in de praktijk brengt, kan hij het niet kennen; hij moet zelf die hogere
trilling zijn, . . .’ (3:267). Onbaatzuchtigheid is in
dit proces essentieel:
Degenen onder ons die denken dat kennis
kan worden verkregen zonder het pad van liefde te volgen, vergissen
zich. De ziel is zich bewust van wat ze nodig heeft. Ze vraagt altruïsme,
en zolang dat ontbreekt zal een puur intellectuele studie tot niets
leiden. Met name verlangt het HOGERE ZELF van
diegenen die welbewust op dat ZELF een beroep
hebben gedaan een actieve beoefening en toepassing van de filosofie
die wordt bestudeerd. – 3:450
De tweede sleutel tot de studie van het occultisme is
zelfkennis, want ‘we moeten onszelf kennen voordat we
zaken die buiten onszelf liggen kunnen begrijpen’. Waarom wordt
dit pad van zelfloosheid en innerlijke bespiegeling zo weinig aangeprezen
en is het zo moeilijk te herkennen? Misschien omdat
dit niet de weg is die onderzoekers
het gemakkelijkst lijkt. De meesten vinden het veel plezieriger –
en denken daarmee sneller resultaten te boeken – om te kijken
naar de van buitenaf komende verlokkingen, en alle psychische zintuigen
te ontwikkelen, waardoor het ware geestelijke werk wordt buitengesloten.
De ware weg is duidelijk en gemakkelijk te vinden;
deze is zo gemakkelijk dat velen die het occultisme zogenaamd bestuderen
eraan voorbijlopen, omdat ze niet kunnen geloven dat deze zo eenvoudig
is.
– 1:46-7
Deze ‘eenvoudige’ weg van zelfkennis en altruïsme
is alleen verborgen voor het lagere op zichzelf gerichte ego. Onze innerlijke
godheid kent dit pad goed. Zij heeft in lang vervlogen aeonen daarop
wankelend haar weg gezocht. De liefde die zij leerde, het mededogen
voor haar broeders, is het zonlicht van de geest dat ons hogere zelf
zo overvloedig uitstraalt om aan ons beoordelingsvermogen leiding te
geven. Ons dagelijks bewustzijn ziet dit licht misschien als niet veel
meer dan zwakke flikkeringen van intuïtie en geweten. Maar wanneer
we doorzetten – voortdurend ernaar streven om af te zien van eigen
voordeel, en te leven om anderen te helpen – zullen we steeds
duidelijker met onze innerlijke visie gaan waarnemen. We zullen dan
het ware occulte pad in onszelf hebben gevonden.