Onze plaats op aarde en in de kosmos
Imants Vilks

 

Kritische denkers van onze generatie kunnen de tegenstelling niet accepteren tussen religieuze en wetenschappelijke kennis, waar de wetenschappers beweren zich alleen maar met bewijsbare feiten en processen bezig te houden en het aan filosofen overlaten een onderzoek in te stellen naar verschijnselen en te zoeken naar verbanden die niet in exacte taal kunnen worden beschreven of bewezen. Hoewel de ervaring van de menselijke ziel individueel is en niet proefondervindelijk te verifiëren, hoeft die ervaring bij het wetenschappelijk onderzoek niet te worden weggelaten. Bewezen wetenschappelijke kennis kan als grondslag worden gebruikt om iets te gaan begrijpen van de door wetten geregelde natuur van de menselijke ziel en het bestaan van de mensheid. We kunnen over onze plaats in het heelal een wereldbeeld creëren waarin eenheid en harmonie de boventoon voeren, gebaseerd op zowel wetenschappelijke feiten als op de ervaringen van de menselijke ziel die minder goed bekend zijn. Laten we met dit oogmerk De oceaan van theosofie van William Q. Judge beschouwen en daarbij de terminologie en begrippen van de moderne wetenschap en informatica gebruiken. We maken er geen aanspraak op dat deze benadering een nauwkeurige beschrijving van de werkelijkheid geeft; het is eerder een experiment, en ieder moet voor zichzelf beoordelen of de resultaten ervan waar zijn of niet.

De mens is een samengesteld organisme en bestaat uit verschillende aspecten. De zichtbare kanten duidt Judge aan als de sterfelijke vier: het rupa of stoffelijk lichaam, het astraallichaam, de prana of het levensbeginsel, en het kamarupa of begeerte-lichaam.

Het stoffelijk lichaam is tijdens het leven het voertuig van alle andere menselijke beginselen. Het is de hardware waarin de software, verschillende programma’s, leeft en werkt. Deze programma’s zijn onder andere de lichaamsstructuur (astraallichaam), de stofwisseling (prana), biologische instincten (kamarupa), en de automatische besturingssystemen die zorgdragen voor mechanische bewegingen, handhaving van de temperatuur van het bloed, het functioneren van de inwendige organen en het ontvangen van externe informatie.

Het astrale lichaam is het model dat als richtsnoer dient voor het stoffelijke: ‘Het oude Sanskrietwoord beschrijft het nauwkeurig – lingasarira, het modellichaam – want het is de blauwdruk of het model voor het fysieke lichaam’ (Oceaan, blz. 45). Alle planten, mineralen en dieren hebben een astraal model of etherisch dubbel, en dit verklaart hoe het zaad zijn eigen soort voortbrengt en hoe alle bewuste wezens hun soortgenoten produceren. Dit astrale programma – vastgelegd in het permanente geheugen van ieder plantaardig, dierlijk en menselijk lichaam – bevat informatie over de constitutie van dat lichaam en zorgt ervoor dat het lichaam gedeeltelijk of geheel wordt hersteld wanneer het wordt beschadigd. Dit programma wordt aan volgende generaties doorgegeven door de DNA-moleculen in de genen van elk zaad of iedere kiemcel.

Het derde van de sterfelijke vier is prana of het levensbeginsel, dat zowel vernietigt als instandhoudt. In biologische organismen manifesteert het zich als de verschillende facetten van de stofwisseling. Het is van belang dat

leven niet het gevolg is van de werking van de organen en het verdwijnt ook niet als het lichaam uiteenvalt. Het is een allesdoordringend beginsel. Het is de oceaan waarop de aarde drijft; het doordringt de bol en ieder wezen en voorwerp erop. Het werkt onophoudelijk rondom ons, heeft invloed op ons en klopt voortdurend in ons. Wanneer wij in een lichaam zijn, gebruiken we slechts een heel gespecialiseerd instrument om met zowel prana als jiva te kunnen werken.     – Oceaan, blz. 43

Het laatste beginsel van dit sterfelijke viertal is het kamarupa, en Judge omschrijft het als de hartstochten en begeerten. Het is de basis van waaruit handeling plaatsvindt en brengt de wil in beweging; het is eigen aan alle organische natuurrijken. Het vormt het dierlijke deel in de mens. Overlevings- en voortplantingsinstincten bepalen de gedragingen van biologische organismen en brengen het gevoel van voldaanheid voort dat ontstaat door te gehoorzamen aan de eisen van het instinct. De ontwikkeling van dit programma wordt gestuurd door aanpassingen aan de druk van het milieu en aan het kosmische informatieveld.

Door gebruik te maken van termen uit de informatica, kunnen we een nieuwe definitie van het leven creëren waarin het levende organisme wordt gekarakteriseerd door 1) stofwisseling – substantie en energie worden uitgewisseld met de omgeving; 2) voortplanting – het vermogen om individuen als zichzelf voort te brengen en het eigen programma door te geven; en 3) het vermogen om de entropie van de omgeving te verminderen op grond van informatie uit de eigen genen en uit het kosmische informatieveld. Het leven is hier een gecompliceerd multidimensionaal programma dat emotionele en logische informatie en algoritmen voor zijn ontwikkeling bevat, en dat zich in levende wezens bevindt en daarin werkt.

Maar de mens is meer dan zijn sterfelijke kant. We hebben ook een hogere triade, soms de onsterfelijke pelgrim genoemd. Het cruciale element van dit gedeelte in ieder mens is het denkvermogen, de kenner of waarnemer, door Judge manas genoemd, het Sanskrietwoord voor ‘denkvermogen’:

Het is de schakel tussen de geest van god boven en het persoonlijke beneden; . . .

De manier waarop dit licht van het denkvermogen aan de verstandeloze mens werd gegeven, wordt duidelijk door het beeld van één kaars die vele kaarsen aansteekt. . . .

Manas, de denker, is het reïncarnerende wezen, de onsterfelijke die de vruchten en waarden in zich meedraagt van al de verschillende levens die hij op aarde of elders heeft gehad. Zijn aard wordt tweeledig zodra hij met een lichaam wordt verbonden. Want de menselijke hersenen zijn een voortreffelijk organisme en manas gebruikt ze om op grond van uitgangspunten conclusies te trekken. . . .

In manas worden de gedachten van alle levens opgeslagen. . . .

. . . Gewone mensen kunnen niet vermijden dat ze telkens weer worden geboren, omdat het lagere manas nog is gebonden aan de begeerte, het overheersende beginsel in deze periode. En omdat manas zo door begeerte wordt beïnvloed, wordt het, terwijl het in een lichaam woont, voortdurend misleid, en door deze misleiding kan het niet voorkómen dat de krachten die tijdens het leven zijn opgewekt, op hem inwerken. Deze krachten worden door manas voortgebracht, dat is door het denken tijdens het leven. Elke gedachte vormt zowel een fysieke als een mentale schakel met de begeerte waarin deze wortelt. Het hele leven is vol met zulke gedachten en wanneer de rustperiode na de dood is afgelopen, is manas als gevolg van de gedachten van het laatste leven door ontelbare elektromagnetische draden met de aarde verbonden, en daarom door begeerte, want begeerte was de oorzaak van zoveel gedachten en onwetendheid over de ware aard van de dingen. Als men uit deze leer begrijpt dat de mens werkelijk een denker is en een voortbrengsel van het denken, zal al het andere met betrekking tot incarnatie en reïncarnatie duidelijk worden. Het lichaam van de innerlijke mens bestaat uit gedachten. Daaruit moet volgen dat als de gedachten meer verwant zijn aan het aardse leven dan aan het leven elders, een terugkeer naar het leven hier onvermijdelijk is.     – Oceaan, blz. 61-3, 68-9

Het denkvermogen of de rede is ook een deel van een multidimensionaal programma dat in het menselijk lichaam is ingeplant. Het voornaamste kenmerk van dit programma is dat het gebruik maakt van afzonderlijke elementen van de menselijke taal – woorden en logische regels. Dit programma bevat informatie over zijn omgeving, zichzelf, het biologische lichaam waarin het is opgenomen, en algoritmen om deze informatie te verwerken. De bronnen van deze informatie en algoritmen zijn genen uit vroegere biologische entiteiten (voorouders), het kosmische en lokale informatieveld, en wat rechtstreeks door de zintuigen wordt ontvangen. De eerste twee bronnen manifesteren zich voornamelijk via ieders individuele behoeften en leervermogen.

Bij de geboorte is dit mentale programma nog onontwikkeld, maar het toont duidelijke signalen dat het leert en zich ontwikkelt. De voornaamste taak van het programma is zijn eigen vervolmaking. Het bevat zowel informatie die in het tegenwoordige leven is verzameld als een dieper deel dat informatie bevat uit vroegere levens en uit het informatieveld. Na de dood wordt de ervaring die verband houdt met de bijzondere omstandigheden van dat leven gewist.

Het denkvermogen kan informatie uitwisselen met een ander deel van het multidimensionale programma – de ziel – waarvan de taal eerder een continu proces is dan uit afzonderlijke eenheden bestaat. De uitwisseling van deze informatie, door het opnemen van losse woorden in continue taal en omgekeerd, verloopt niet op een manier die universeel van toepassing is. Ieder denkt individueel en omschrijft de beelden van het continue denken in eigen woorden. Het is dus haast onmogelijk om gedachten en woorden strikt met elkaar in overeenstemming te laten zijn.

Het tweede bestanddeel van de bovenste triade noemt Judge buddhi. Ze is de spirituele ziel, de intuïtie, die weet en niet afhankelijk is van de rede; onderscheidingsvermogen, ‘het hoogste verstandelijke vermogen, dat wat onderscheidt en oordeelt’ (Oceaan, blz. 37); het voertuig van zuivere universele geest. De ziel is een programma dat herhaaldelijk in een menselijk lichaam wordt ingeplant en ze is het meer verheven aspect van het menselijke bewustzijn. Ze gebruikt continue taal voor het denken en ontvangt informatie uit haar omgeving en uit het kosmische en lokale informatieveld. Het bewustzijn is het verwerkelijkte deel van het programma van het denkvermogen en de ziel. Het niet-verwerkelijkte deel vormt het onbewuste, dat zonder speciale methoden of training niet toegankelijk is. Het verbergt de aan vroegere levens en aan het kosmische informatieveld ontleende informatie, het besef van heiligheid, van schoonheid en van hogere morele waarden. Dat het schoonheidsbesef voor veel mensen parallel loopt (vooral die uit dezelfde cultuur) impliceert dat er voor deze informatie een gemeenschappelijke bron en een gemeenschappelijk erfgoed bestaan.

Het hoogste deel van de bovenste triade in de mens is atma: universele geest of het absolute beginsel. Men kan het licht noemen dat via buddhi uitstraalt, het goddelijke bewustzijnsveld, het kosmische informatieveld of de Heilige Geest. Het kosmische informatieveld is de ruimte waarin alle informatie over ons heelal is opgeslagen, wordt verwerkt en uitgewisseld met programma’s uit de biologische levensvormen op onze aarde, mogelijk door middel van elektromagnetische of andere energiegolven. Men kan moeilijk ontkennen dat de successen van onze beschaving zijn gebaseerd op informatie – uit de kosmos en uit het onderbewuste van de mens – die voor de mens toegankelijk is. De ontwikkeling van de aarde en de kosmos heeft zich in één richting voltrokken, die van afnemende entropie. Dit kan twee oorzaken hebben: ten eerste, alle informatie over ontwikkeling is opgeslagen in de materie en in natuurwetten; ten tweede, de ontwikkeling van de kosmos, bijvoorbeeld het ontstaan van leven op aarde, verloopt gedeeltelijk conform de informatie uit het kosmische informatieveld.

Opvoeding en onderwijs zijn tegenwoordig gebaseerd op bewijs, logisch denken en verstandelijk begrijpen. Die aanpak maakt het moeilijk oudere denkbeelden die in strijd zijn met bekende natuurwetten te accepteren, zoals bijvoorbeeld de opstanding van het stoffelijk lichaam. Het is ook zo dat de tegenstelling tussen mensen die goede levensomstandigheden, gezondheid en welvaart genieten en degenen die armoede, ziekte en gebrek aan scholing ondervinden, direct tegen onze principes van rechtvaardigheid ingaan. Het geschoolde deel van de samenleving aanvaardt in het algemeen de denkbeelden over de aarde en het heelal die overeenkomen met onze wetenschappelijke basiskennis. We kunnen van de bijbel natuurlijk niet verwachten dat die de schepping van het heelal beschrijft in termen van de oerknal; veel mensen leven echter niet volgens de christelijke filosofie, niet omdat ze onvolmaakt zijn, maar omdat hun wereldbeeld niet in die filosofie is geworteld. De mensen van nu hebben behoefte aan een filosofie en ethiek die is gebaseerd op hun kennis, begrip en overtuigingen – die religieus en filosofisch onderzoek in harmonie brengt met de resultaten van de wetenschap.

Als de mens is voortgebracht met een doel, moet er in ons bewustzijn en in de omgeving waarin we leven voldoende informatie beschikbaar zijn om die taak te kunnen vervullen. Door te proberen subjectieve menselijke ervaring in wetenschappelijke taal weer te geven, kunnen we op den duur dichter komen bij het formuleren van een filosofie over onze plaats in het aardse en kosmische systeem die beantwoordt aan de behoeften van de moderne mens.

 

Uit het tijdschrift Sunrise sept/okt 1996

© 1996 Theosophical University Press Agency