Toen de Theosophical Society in 1875 van start ging, waren Helena Blavatsky,
H.S. Olcott en William Q. Judge drie van de oprichters daarvan. Judge
bleef in Amerika toen zijn collega’s in 1879 naar India vertrokken.
In 1884 reisde hij naar Europa en India en bij zijn terugkeer in Amerika
begon hij een campagne om theosofische centra te stichten. Zijn pogingen
om het groeiende ledental te inspireren baseerde hij op wat hij ‘westers
occultisme’ noemde. Een brief die Blavatsky hem vlak voor haar
dood schreef, vat de hoofdgedachte van zijn poging samen:
We werken niet alleen met het doel dat mensen zich
‘theosofen’ noemen, maar vooral opdat de leringen die
ons dierbaar zijn het hele denken van deze eeuw zullen beïnvloeden
en doordringen. Dit kan slechts worden volbracht door een kleine groep
ernstige werkers die niet voor een menselijke beloning en wereldse
erkenning werken, maar die, gesteund en gaande gehouden door hun geloof
in die universele broederschap waar onze meesters een deel van zijn,
gestaag en trouw werken door de leringen over het leven en over plicht
die uit onheuglijke tijden tot ons zijn gekomen te begrijpen en ter
overdenking naar buiten te brengen. Verlies de moed niet zolang enkele
toegewijden willen werken om de kern in stand te houden. U kreeg niet
de opdracht een universele broederschap te stichten en te verwezenlijken,
maar om de kern ervoor te vormen; want pas wanneer de kern is gevormd
kan een vermeerdering beginnen die in toekomstige jaren, hoever ook
verwijderd, tenslotte zal leiden tot de vorming van een lichaam zoals
dat ons voor ogen staat. – Lucifer
8:46, 15 juni 1891, blz. 292
Daarom benadrukte Judge in zijn werk de belangrijkste doelstelling
van de Theosophical Society. Dit fundamentele punt in het theosofische
programma was universele broederschap van alle mensen, ongeacht huidskleur,
verschillen in klasse of aan welke religie men zich had verbonden, en
het hield de erkenning in dat mannen en vrouwen door hun ingeboren aard
elkaar aanvullen. Het begrip universele broederschap strekt
zich zover uit dat het alle levensvormen van onze planeet omvat, waarbij
deze worden beschouwd als de uiterlijke omhulsels van wezens die zich
op de evolutionaire ladder bevinden en die de energie om zich staande
te houden ontlenen aan de ene levenskracht die de hele planeet
bezielt. Door kennis van dit begrip neemt de verantwoordelijkheid van
de mensheid toe om de levensvormen op aarde te koesteren in plaats van
ze te decimeren of het milieu dat een vitaal deel van de aardbol omvat
te plunderen.
Judge reisde her en der door de Verenigde Staten – overal waar
zijn reisschema het toeliet en zich een gelegenheid voordeed –
en slaagde erin vele centra van theosofische activiteit en studie op
te richten. Na Blavatsky’s dood in 1891 zette hij de taak voort
die door haar was begonnen om het hart en het denken van de mensheid
te verheffen. Toen zijn campagne de wind in de rug kreeg van de ‘New
Age’ die toen opkwam, zei hij dat hij het praktische aspect van
het occultisme aanmoedigde als een middel om de evolutie van de werkelijk
menselijke eigenschappen die in ons totaal van mogelijkheden sluimeren
een kans te geven. Wereldwijd hadden orthodoxe godsdienstige stelsels
zich een goddelijk erfdeel toegeëigend dat bedoeld was voor allen,
en het als hun onschendbaar domein omheind. Deze aanmatigende houding
had bijgedragen tot de ontaarding van vroegere waarheden over de menselijke
natuur en de kosmos. Een opeenstapeling van egocentrische definities
en commentaren had een verduisterende sluier geworpen over de oorspronkelijke
openbaringen.
Bovendien werd het occultisme verward met het zoeken naar ‘occulte
kunsten’ gericht op het verkrijgen van ‘vermogens’,
waarvan de meeste niet meer zijn dan uitbreidingen van de fysieke zintuigen.
Deze uitbreidingen van normale vermogens dragen niet bij tot de groei
van de ingeboren menselijke eigenschappen zoals die worden
gesymboliseerd in de oude mythen van zichzelf verloochenende helden
en heldinnen of zijn belichaamd in boeddha’s, christussen en bodhisattva’s,
onder wie figuren als Kwan-Yin en haar broeders en zusters in zelfverzaking,
die verkiezen om hier te blijven en hun minder gevorderde medemensen
te helpen, waarbij ze hun persoonlijke vooruitgang opgeven voor het
welzijn van allen.
Waar het in de campagne van Judge om ging, was niets minder dan de
mogelijke transmutatie van de werkelijke menselijke entiteit binnen
het uiterlijke omhulsel. De andere benadering, die wordt gevolgd door
mensen die de paranormale uitbreiding van zintuiglijke vermogens nastreven,
heeft voornamelijk te maken met een transformatie van sommige
organen van het stoffelijk lichaam. De werkelijke centra van
de zintuigen bevinden zich in de meer verfijnde hogere gebieden van
de menselijke natuur. Intuïtie is de meest verfijnde van die centra
die zich in ons huidige stadium van evolutie kunnen openbaren.
Bij het presenteren van zijn kijk op de evolutie van binnenuit van
de werkelijke mens, maakte Judge gebruik van oosterse teksten. Hij publiceerde
zijn eigen vertolking van de Bhagavad Gita, of Lied van
de Heer, de klassieke Indiase tekst in het Mahabharata
die is opgenomen tussen verhalen over een in een grijs verleden gevoerde
oorlog tussen Rajputs. Deze samenspraak vond plaats tijdens een pauze
in de voorbereidingen voor de eigenlijke veldslag. De militaire situatie
wordt gebruikt om een beschrijving te geven van hetgeen Arjuna (of ieder
mens) ontdekt bij zijn zelfonderzoek in een gesprek met zijn hogere
zelf, Krishna. De verschillende personen die aan weerszijden van de
‘frontlijn’ worden genoemd, stellen verschillende aspecten
van onszelf voor, zoals Judge in zijn toelichting heeft opgemerkt.
Judge publiceerde ook een interpretatie van De yoga aforismen van
Patañjali, waarin hij werd bijgestaan door James Henderson
Connelly. Op die manier probeerde hij om westerlingen – vooral
zij die op zoek waren in de doolhof van oude geschriften, met hun duizenden
commentaren en onjuiste vertalingen – een gids te bieden die leidde
tot de koninklijke eenwording van al onze vermogens. In dit streven
is zelfbeheersing de ideale beheersing, die alleen tot ontwikkeling
kan worden gebracht vanuit de hogere menselijke essentie binnenin, en
niet in het voertuiglijke aspect.
Misschien is de fundamentele vraag die Judge via deze boeken stelde:
wat is voor ons het juiste pad dat we moeten bewandelen als
we de drempel van het goddelijke willen bereiken, die vonk in elk van
ons? Is het het pad van geloof (blind of anderszins)? Is het de betrekkelijk
volledige ontplooiing van onze ‘door god geschonken’ mentale
vermogens, die ongetwijfeld bedoeld waren om door ons te worden gebruikt?
Deze en andere wegen die door mensen worden bewandeld die het ‘ene’
zoeken, brengen het hartsverlangen op de verkeerde weg als
men zich op de weg zelf in plaats van op het doel van al dit reizen
concentreert. Tenslotte komen we misschien tot de ontdekking dat alle
wegen naar die poort tot het goddelijke potentieel binnenin ons voeren.
Het hangt slechts af van de toewijding en het motief die we op onze
zoektocht aan de dag leggen.
Judge bleef zich concentreren op datgene waarop de leraren van Blavatsky
en van hemzelf de nadruk legden. Dat was het opnieuw presenteren van
bepaalde waarheden en idealen, waarvan de erfgenamen van de oude wijsheid
het als hun plicht voelden deze bij iedere nieuwe geboorte van een menselijk
wortelras ter beschikking te stellen. In overeenstemming met de aloude
cyclische terugkeer van dingen bevinden we ons vlak voor zo’n
drempel. De belangrijkste van deze idealen is het verwezenlijken van
de waarheid dat alle mensen zijn verbonden met alle andere levensvormen
op onze planeet. Er zijn taken die zelfbewuste wezens worden opgelegd
of die deze op zich nemen om de goddelijke eigenschappen en vermogens,
die het moment van hun ontwaken afwachten, uit hun sluimertoestand te
wekken.
Evenals Blavatsky betaalde Judge een hoge prijs voor het voorrecht
van dienstverlening en plicht. De resterende jaren van zijn korte leven
concentreerde hij zich erop ons, zijn opvolgers in de tijd hoewel nog
niet ten volle, deelgenoot te maken in de plicht waarvoor hij zichzelf
en ons allen gesteld zag, een plicht die hem duidelijk voor de geest
stond en die hij met bijzondere toewijding vervulde – hij behoorde
ongetwijfeld tot de kleine groep van ‘zelfverzakers’.