Gedachten en verantwoordelijkheid
J.W. Engelse

 

Een van de moeilijkste vragen die men ons kan stellen is: Wie denk je dat je bent? Men kan antwoorden als de oude hindoes: aham asmi parabrahma (‘ik ben parabrahma’) of tat tvam asi (‘je bent Dat’). Is het niet zo dat alles wat we waarnemen voortkomt uit de geest? Van het kopje en de ballpoint die we gebruiken tot de huizen waar we in wonen, zijn al deze dingen, voordat ze hun huidige vorm kregen, voortgekomen uit het denken van een ontwerper of architect. Geldt dat niet ook voor onze daden en voor de woorden die we spreken? Maken die niet de wereld zoals die op dit moment is, en is dit niet de verantwoordelijkheid van ons allen? Met de woorden van H.P. Blavatsky:

Daar de mensheid in wezen een en dezelfde essentie heeft en die essentie één is — een essentie die oneindig, ongeschapen en eeuwig is, en die we God mogen noemen of natuur — kan niets een volk of een mens treffen zonder alle andere volken en alle andere mensen te raken. Dit is even zeker en vanzelfsprekend als dat een steen die in een vijver wordt geworpen, vroeg of laat elke afzonderlijke waterdruppel erin in beweging zal brengen.      – De Sleutel tot de Theosofie, blz. 39

     Dit voegt een extra dimensie toe aan onze dagelijkse verantwoordelijkheid. Als we oprecht wensen er iets aan te doen, moeten we onze wekker vijf minuten vroeger zetten en die tijd gebruiken om te proberen ons één te gaan voelen met parabrahma, Dat, of ons hogere zelf — alleen maar voor een paar seconden, om te beginnen. We zouden hetzelfde kunnen doen vóór we gaan slapen. Dan zouden we nog kunnen proberen een ander moment te vinden overdag, enz. Tenslotte zouden we, na vele pogingen, in contact met ons hogere zelf kunnen blijven terwijl we de hele dag ons werk doen, en bezig zijn op kantoor of in de winkel of de afwas doen — er is dan iets op de achtergrond, een soort geluid of gevoel misschien. Als we dat doen, voegen we de kwaliteit van onze gedachten toe aan het reservoir van hoger denken waar de mensheid zo wanhopig behoefte aan heeft.
     Vanuit hetzelfde perspectief bezien hoeven we niet al te intensief naar het nieuws op de TV te kijken of de krant te te lezen; deze bestrijken alleen maar het sensationele, dat uit gedachten bestaat die niemand van nut zijn. Wat werkelijk van belang is voor de verbetering van de mensheid en de aarde — en als bijproduct voor onszelf — komt niet in het nieuws en staat niet in de krant, zoals de jongen die op zijn vrije zaterdag boodschappen voor zijn invalide buurman doet, het meisje dat gratis babysit, de verpleegster die liefdevol voor bejaarden of invaliden zorgt, en duizenden van dat soort kleinere en grotere offers. Ze houden onze wereld draaiende.
     Op een bepaalde manier maken al dit soort dingen ons leven gemakkelijker, en maken ze het ook gemakkelijker om moeilijke beslissingen te nemen; al deze dingen versterken ons gevoel van vertrouwen dat er rechtvaardigheid is in wat er ook met ons gebeurt, aangenaam zowel als onaangenaam. Het wordt dan deel van ons dagelijks gedachtegoed dat alles wat er met ons gebeurt goed is, van verkeerslichten die op rood staan tot ziekte, en zelfs erger. Walt Whitman zei het zo mooi: ‘Wat zal zijn zal goed zijn, want wat er is is goed.’ We hoeven niet bang te zijn voor wat er allemaal op ons pad komt: we moeten het alleen maar zo positief en opgewekt mogelijk accepteren — eigenlijk is het enige wat ons overkomt onze gedachten.
     Het is nu de tijd om te handelen. De natuur zal voor zichzelf zorgen — voor de gaten in de ozonlaag, de vervuiling en al het andere — als en zodra we zorgvuldiger omgaan met onze gedachten en dienovereenkomstig gaan handelen.

Uit het tijdschrift Sunrise jan/feb 1997

© 1997 Theosophical University Press Agency