Yoga en geestelijke verlichting
David Pratt

 

Er bestaan verschillende yogastelsels waarvan hathayoga de in het westen meest bekende is. Centraal daarin staan lichaamshoudingen en ademhalingstechnieken die zouden moeten leiden tot het ontwikkelen van hogere vermogens, waaronder occulte krachten. Er bestaat echter een toenemende belangstelling voor verschillende vormen van tantrayoga. Hiroshi Motoyama, een bekende Japanse autoriteit op het gebied van yoga, propageert een vorm van tantrayoga die veel lijkt op hathayoga; een belangrijke rol daarin spelen lichaamshoudingen, het reguleren van de ademhaling en het activeren van de chakra’s (de zeven subtiele energiecentra in het lichaam). Het richt zich tevens op het opwekken van de kundalini — een psychische kracht die zich aan de basis van de ruggegraat bevindt, en normaal gesproken inactief is. H.P. Blavatsky noemt het ‘een scheppend vermogen dat, wanneer het tot werkzaamheid wordt gewekt, even gemakkelijk kan doden als scheppen.’1 Volgens Motoyama echter zijn deze methoden volkomen ongevaarlijk, maar aan die opvatting moeten we ernstig twijfelen als we lezen wat hij schrijft over zijn eerste ervaringen met tantrayoga.

Nadat Motoyama maandenlang elke dag drie tot vier uur tantrayoga had beoefend, kreeg hij zijn eerste ervaring van het opstijgen van de kundalini:

Op een dag, toen ik zoals gewoonlijk voor het altaar zat te mediteren, kreeg ik een merkwaardig koortsachtig gevoel in de onderbuik . . . Plotseling stroomde er een onvoorstelbare kracht door mijn ruggengraat tot bovenin mijn hoofd en, hoewel het maar een of twee seconden duurde, steeg mijn lichaam een paar centimeter op van de vloer. Ik werd door angst bevangen. Mijn hele lichaam was branderig en door een hevige hoofdpijn kon ik de hele dag helemaal niets doen. De koortsige toestand duurde twee of drie dagen. Ik had het gevoel alsof mijn hoofd door de energie zou barsten.2

Hij voegt er dan aan toe dat hij, ondanks deze betreurenswaardige bijwerkingen, in elk geval niet de ernstige lichamelijke en mentale moeilijkheden heeft ondervonden die veel mensen doormaken wanneer ze proberen de ku.nd.alini op te wekken!

En hij vervolgt: ‘Ik werd overgevoelig, zowel lichamelijk als mentaal. . . . Ik werd onevenwichtig in mijn emoties en raakte gauw van streek.’ Hij begon steeds vaker lagere astrale entiteiten te zien: ‘als de geesten erg sterk en vijandig waren, kon ik ze niet helpen en ik werd ongunstig door ze beïnvloed . . . mijn lichaam en denken werden labiel’ (blz. 242-3). Toen hij probeerde zijn keelchakra te openen, ontstond er een irritatie van de keel en kreeg hij ademhalingsproblemen. Hij begon een gevoel van volkomen zinloosheid te krijgen:

Nadat ik die toestand verschillende keren had doorgemaakt, werd ik me ervan bewust dat ik voor een afgrond van absolute leegte stond. Ik kreeg zo’n vreselijke angst dat ik met yoga wilde ophouden. . . . Tijdens dit proces ontmoette ik een afschuwelijk, duivelachtig wezen. Het was een onbeschrijfelijk angstaanjagende belevenis.      – blz. 250

Dit zijn enkele van de negatieve ervaringen die Motoyama onderging. Hij vermeldt ook dat hij paranormale vermogens kon ontwikkelen en tenslotte een gevoel van vrede en optimisme kreeg en een grotere sympathie voor zijn medemensen. Maar hij legt er niet voor niets herhaaldelijk de nadruk op dat toezicht van een bevoegde leraar een absolute noodzaak is. Het blijft echter de vraag hoeveel van de talrijke yogi’s en zich goeroes noemende lieden werkelijk kennis van zaken hebben en betrouwbaar zijn.

Motoyama heeft de chakra’s wetenschappelijk onderzocht met behulp van twee elektrische instrumenten die hij zelf heeft ontworpen. Zijn conclusie is dat het activeren van de chakra’s door zich erop te concentreren niet alleen tot de ontwikkeling van bepaalde paranormale vermogens leidt, maar ook een grotere kans geeft op functie-stoornissen in de inwendige organen die met de opgewekte chakra’s zijn verbonden. Hij wijst erop dat overmatig gebruik van de paranormale mogelijkheden van een bepaalde chakra waarschijnlijk een afwijking of ziekte zal veroorzaken in het inwendige orgaan dat door deze chakra wordt bestuurd, en zelfs tot een vroegtijdige dood kan leiden. Hij zegt dat veel paranormaal begaafde mensen die de manipurachakra — die zich in de zonnevlecht bevindt en verband houdt met helderziende vermogens — hebben overbelast, jong stierven of ernstige problemen met hun maag en ingewanden kregen. Hij liep zelf een maagzweer op.

Dit alles bevestigt de waarschuwingen die we in theosofische literatuur aantreffen. De lichaamshoudingen alleen zijn misschien tamelijk onschadelijk, maar wanneer ze worden gecombineerd met speciale ademhalingsoefeningen en een intense mentale concentratie op de chakra’s, en ze worden beoefend met een bijna fanatieke vastberadenheid zoals bij Motoyama, is er overduidelijk een heel reële kans dat het natuurlijke evenwicht van de levenskrachten in het lichaam wordt verstoord, en ziekte, psychische onevenwichtigheid en zelfs krankzinnigheid het gevolg kunnen zijn. Niettemin blijft Motoyama een fervent voorstander van dergelijke technieken en hij gaat zelfs zover te beweren dat ‘het opwekken van de chakra’s een proces is dat moet worden doorgemaakt wil de ziel kunnen evolueren en wil men innerlijke verlichting kunnen bereiken’ (blz. 246).

Hathayoga en tantrayoga zijn de laagste vormen van yoga en houden zich voornamelijk met het lichaam en het lagere denkvermogen bezig. Omdat ze weinig of niets doen om onze hogere natuur te ontwikkelen, brengen ze geen blijvende positieve resultaten voort, want alleen die dingen die door ons geestelijk zelf kunnen worden vastgelegd blijven bestaan voorbij de dood. Maar er zijn verschillende hogere vormen van yoga-beoefening. De voornaamste zijn karmayoga, de yoga van het handelen (vergelijkbaar met wat in het westen bekendstaat als ‘verlossing door werken’); bhaktiyoga, de yoga van liefde en toewijding (vergelijkbaar met ‘verlossing door geloof of liefde’); jñanayoga, de yoga van wijsheid of kennis; en raja-yoga, letterlijk ‘koninklijke eenwording’, de yoga van geestelijke zelfdiscipline. Tenslotte is er brahmayoga, ‘goddelijke eenwording’, die een synthese is van het beste en zuiverste uit de andere yogastelsels.

Echte hathayoga betekent het zuiver, fit en gezond houden van ons lichaam, zodat dit kan functioneren als een geschikt instrument voor de menselijke ziel. Karmayoga betekent dat we zonder klagen en zo goed mogelijk ons werk en onze plicht moeten doen. Bhaktiyoga betekent dat we ons wijden aan het dienen van onze medemens. Jñanayoga betekent het bestuderen van de goddelijke wijsheid en dus van de natuur zelf. Rajayoga betekent het vinden van vreugde in zelfdiscipline, en het leren meester te worden over onze lagere natuur in plaats van er de slaaf van te zijn. Als we proberen dit allemaal te doen, beginnen we brahmayoga te beoefenen, wat tenslotte leidt naar het uiteindelijke doel van yoga: zelfbewuste vereniging met ons hogere zelf, de innerlijke godheid. Deze staat van eenzijn met onze hogere natuur — de schatkamer van al de in vorige levens verzamelde wijsheid en kennis — brengt geestelijke verheldering en verlichting.

De New Age-beweging biedt een heel scala van technieken en praktijken, waaronder hatha- en tantrayoga, die ons in staat zouden moeten stellen paranormale vermogens te ontwikkelen, in contact met andere entiteiten te komen, onze vroegere levens te herinneren en innerlijke verlichting te bereiken. Veel van de praktijken die worden aangeboden zijn hoogst dubieus, en nog nooit is het vermogen om het echte van het onechte te onderscheiden zo onontbeerlijk geweest.

Een algemene regel is dat men niet aan oefeningen moet beginnen als die er voornamelijk op zijn gericht om persoonlijke vooruitgang en eigen voordeel te bewerkstelligen of invloed te krijgen op anderen, of als ze de deur openzetten voor kwaadwillige lagere astrale invloeden en daardoor een mentale onevenwichtigheid veroorzaken. Het kan daarentegen geen kwaad wat tijd voor ontspanning en zelfonderzoek uit te trekken, vooral als we daardoor in het dagelijks leven broederlijker en evenwichtiger gaan functioneren. Hoe vrediger, evenwichtiger en harmonischer we vanbinnen zijn, hoe meer we in de wereld om ons heen als een bron van vrede en harmonie kunnen fungeren.

Van vitaal belang is ons motief, en maar al te vaak schuilt er in psychische praktijken een sterk element van zelfzuchtigheid. Er zijn natuurlijk ook oprechte mensen, die hun paranormale gaven willen gebruiken om anderen te helpen, maar in het geval van bijvoorbeeld psychisch genezen is het best mogelijk dat behandelingen die succes lijken op te leveren, op langere termijn misschien kwalijke bijwerkingen hebben. Liefdevolle daden hoeven niet altijd wijze daden te zijn.

Het pad dat alle grote geestelijke tradities in de hele wereld aanraden is het pad van mededogen, broederschap en zelfdiscipline. Zoals de hindoegeleerde T. Subba Row het verwoordde: ‘Alle grote leraren hebben een paar algemene ethische beginselen – en niet astrale wonderen – als de te volgen weg aanbevolen.’3 Van Krishna tot Boeddha tot Christus is de gulden regel altijd geweest: Heb elkaar lief.

Er zit niets wezenlijk geestelijks in het vermogen om een lepel te verbuigen, aura’s te zien of een tafel te laten zweven. Er is veel meer spiritualiteit in het helpen van onze medemens. Zij die erin zijn geslaagd de ontwikkeling van paranormale vermogens te forceren, maar nog niet hun denken hebben gezuiverd en nog niet hebben geleerd zich te beheersen, plaatsen alleen maar een extra verzoeking op hun weg en lopen het gevaar van lichamelijk, mentaal en moreel letsel. In dit stadium van onze evolutie is het beter om te proberen de principes achter paranormale vermogens te begrijpen dan om ze in onszelf te ontwikkelen. Volgens de theosofie zullen in het verdere verloop van onze evolutie twee hogere zintuigen (verbonden met helderziendheid en intuïtie) op een natuurlijke manier tot ontwikkeling komen, maar pas als we het stadium hebben bereikt waarin we geschikt zijn ze te bezitten en in staat ze verstandig te gebruiken.

Er is echter één vermogen dat we wel moeten proberen aan te kweken en dat is onze geestelijke wilskracht. Elke keer dat we toegeven aan een zelfzuchtige of onwaardige impuls, verzwakken we onze wil en ons moreel besef en maken we het wat gemakkelijker om opnieuw voor die impuls te zwichten; en iedere keer dat we een zelfzuchtige of onwaardige impuls weerstaan, versterken we onze wil en ons moreel besef en maken we de volgende overwinning wat makkelijker. Door onze wil te ontwikkelen kunnen we geleidelijk de kwaliteit van onze gedachten, en daardoor ook van onze begeerten, gevoelens en daden, verbeteren.

Er kan niet genoeg nadruk op worden gelegd dat men niet een stuk van de weg naar zelftransformatie en geestelijke verlichting kan afsnijden. Naar een meditatiebandje luisteren, een mantra zingen, een weekendcursus volgen of een boek lezen zal niet vanzelf tot het bereiken van kosmisch bewustzijn leiden. Ze kunnen een hulp zijn – of misschien een hinderpaal – maar blijvende vooruitgang kan nooit met alleen uiterlijke middelen worden bereikt. Evenmin kan die worden gekocht. Zelfverwezenlijking is het resultaat van veel levens van zelfreiniging en altruïsme. Met de woorden van H.P. Blavatsky:

De kernleer van de esoterische filosofie erkent geen voorrechten of bijzondere gaven van de mens, behalve die zijn eigen ego heeft verkregen door persoonlijke inspanning en verdienste gedurende een lange reeks van zielsverhuizingen en reïncarnaties.      – De Geheime Leer, 1:47

Anders gezegd, er bestaat in de natuur geen bevoorrechting. De omstandigheden bij onze geboorte, onze fundamentele karaktertrekken en de beproevingen die we in de loop van ons leven ondergaan, zijn niet het gevolg van toeval en ze worden ook niet opgelegd door een gril van een of andere sluwe godheid; ze zijn ons eigen maaksel, het resultaat van onze gedachten en daden in vorige levens. En al kunnen we ons karma uit het verleden niet veranderen, we kunnen wel vormgeven aan onze toekomst door de manier waarop we nu leven.

Motoyama beweert dat hij door het beoefenen van tantrayoga het vermogen heeft verkregen om het negatieve karma van andere mensen te wijzigen. Als dit waar was zou het grenzen aan zwarte magie, want het is alleen door leven na leven de gevolgen van al onze gedachten en daden te ondervinden dat we leren het beter te doen, dat we innerlijke kracht verwerven en dat we evolueren. Er worden geen resultaten bereikt als we niet zelf aan die vooruitgang werken. William Quan Judge zegt dat de gevorderde mensen die over de mensheid waken hun occulte vermogens zouden kunnen gebruiken om de mensheid van haar kwalen te genezen, maar, zegt hij, ‘dat doen ze niet: de mensheid zal steeds in ellende verder moeten worstelen tot ze zelfdiscipline en zelfkennis verkrijgt. Het lijkt misschien hard, maar het is de wet.’4

Alles in de natuur is met elkaar verbonden, niets kan alleen voor zichzelf leven. Elke gedachte, emotie en handeling treft de wereld om ons heen, ten goede of ten kwade. Het idee dat iets volkomen van iets anders is gescheiden wordt in het boeddhisme de ketterij van afgescheidenheid genoemd. We zijn allemaal een onderdeel van een onmetelijk en ondoorgrondelijk geheel; we zijn eonen geleden aan één goddelijke bron ontsprongen en zullen allen naar die bron terugkeren. Het is onze plicht met de natuur mee te werken en niet ertegenin, en elkaar voort te helpen op het pad. Elke poging tot zelfverbetering en iedere inspanning om anderen te helpen draagt, hoe gering ook, bij aan de vooruitgang van de hele mensheid.

Het hoogste en edelste ideaal dat we kunnen nastreven, wordt in het mahayanaboeddhisme het bodhisattva-ideaal genoemd. Een bodhisattva is een mens die zover op het pad van geestelijke vooruitgang is gevorderd dat hij verlichting heeft verworven en de drempel van nirvana heeft bereikt. Maar in plaats van de vrede en gelukzaligheid van nirvana binnen te gaan, wat alle verdere actieve betrokkenheid bij menselijke zaken uit zou sluiten, geeft hij nirvana op en keert naar de aarde terug om de worstelende mensheid te helpen. Deze geest van zelfopoffering is prachtig vastgelegd in de gelofte van de Chinese bodhisattva Kwan Yin:

Nooit zal ik eigen, individuele verlossing nastreven of ontvangen; nooit zal ik de uiteindelijke vrede alleen ingaan; maar altijd en overal zal ik leven en me inzetten voor de redding van ieder schepsel in de hele wereld.

Het meest betrouwbare pad naar geestelijke verlichting ligt in de onophoudelijke aspiratie om dit ideaal te verwezenlijken, en vooral in het voortdurend proberen om mededogen en broederschap in ons dagelijks leven in praktijk te brengen.

 

Noten

  1. De Stem van de Stilte, Fragment I, noten.
  2. Theories of the Chakras: Bridge to Higher Consciousness, Quest, 1981, blz. 241.
  3. Esoteric Writings, Theosophical Publishing House, 1933, blz. 535-6.
  4. Practical Occultism, blz. 196.
 
Andere artikelen over occultisme, meditatie, yoga, gebed, paranormale vermogens
 

Uit het tijdschrift Sunrise jan/feb 1997

© 1997 Theosophical University Press Agency