Er bestaan verschillende yogastelsels waarvan hathayoga de in het westen
meest bekende is. Centraal daarin staan lichaamshoudingen en ademhalingstechnieken
die zouden moeten leiden tot het ontwikkelen van hogere vermogens, waaronder
occulte krachten. Er bestaat echter een toenemende belangstelling voor
verschillende vormen van tantrayoga. Hiroshi Motoyama, een bekende Japanse
autoriteit op het gebied van yoga, propageert een vorm van tantrayoga
die veel lijkt op hathayoga; een belangrijke rol daarin spelen lichaamshoudingen,
het reguleren van de ademhaling en het activeren van de chakra’s
(de zeven subtiele energiecentra in het lichaam). Het richt zich tevens
op het opwekken van de kundalini — een psychische kracht die zich
aan de basis van de ruggegraat bevindt, en normaal gesproken inactief
is. H.P. Blavatsky noemt het ‘een scheppend vermogen dat, wanneer
het tot werkzaamheid wordt gewekt, even gemakkelijk kan doden als scheppen.’1
Volgens Motoyama echter zijn deze methoden volkomen ongevaarlijk, maar
aan die opvatting moeten we ernstig twijfelen als we lezen wat hij schrijft
over zijn eerste ervaringen met tantrayoga.
Nadat Motoyama maandenlang elke dag drie tot vier uur tantrayoga had
beoefend, kreeg hij zijn eerste ervaring van het opstijgen van de kundalini:
Op een dag, toen ik zoals gewoonlijk voor het altaar
zat te mediteren, kreeg ik een merkwaardig koortsachtig gevoel in
de onderbuik . . . Plotseling stroomde er een onvoorstelbare kracht
door mijn ruggengraat tot bovenin mijn hoofd en, hoewel het maar een
of twee seconden duurde, steeg mijn lichaam een paar centimeter op
van de vloer. Ik werd door angst bevangen. Mijn hele lichaam was branderig
en door een hevige hoofdpijn kon ik de hele dag helemaal niets doen.
De koortsige toestand duurde twee of drie dagen. Ik had het gevoel
alsof mijn hoofd door de energie zou barsten.2
Hij voegt er dan aan toe dat hij, ondanks deze betreurenswaardige bijwerkingen,
in elk geval niet de ernstige lichamelijke en mentale moeilijkheden
heeft ondervonden die veel mensen doormaken wanneer ze proberen de ku.nd.alini
op te wekken!
En hij vervolgt: ‘Ik werd overgevoelig, zowel lichamelijk als
mentaal. . . . Ik werd onevenwichtig in mijn emoties en raakte gauw
van streek.’ Hij begon steeds vaker lagere astrale entiteiten
te zien: ‘als de geesten erg sterk en vijandig waren, kon ik ze
niet helpen en ik werd ongunstig door ze beïnvloed . . . mijn lichaam
en denken werden labiel’ (blz. 242-3). Toen hij probeerde zijn
keelchakra te openen, ontstond er een irritatie van de keel en kreeg
hij ademhalingsproblemen. Hij begon een gevoel van volkomen zinloosheid
te krijgen:
Nadat ik die toestand verschillende keren had doorgemaakt,
werd ik me ervan bewust dat ik voor een afgrond van absolute leegte
stond. Ik kreeg zo’n vreselijke angst dat ik met yoga wilde
ophouden. . . . Tijdens dit proces ontmoette ik een afschuwelijk,
duivelachtig wezen. Het was een onbeschrijfelijk angstaanjagende belevenis.
– blz. 250
Dit zijn enkele van de negatieve ervaringen die Motoyama onderging.
Hij vermeldt ook dat hij paranormale vermogens kon ontwikkelen en tenslotte
een gevoel van vrede en optimisme kreeg en een grotere sympathie voor
zijn medemensen. Maar hij legt er niet voor niets herhaaldelijk de nadruk
op dat toezicht van een bevoegde leraar een absolute noodzaak is. Het
blijft echter de vraag hoeveel van de talrijke yogi’s en zich
goeroes noemende lieden werkelijk kennis van zaken hebben en betrouwbaar
zijn.
Motoyama heeft de chakra’s wetenschappelijk onderzocht met behulp
van twee elektrische instrumenten die hij zelf heeft ontworpen. Zijn
conclusie is dat het activeren van de chakra’s door zich erop
te concentreren niet alleen tot de ontwikkeling van bepaalde paranormale
vermogens leidt, maar ook een grotere kans geeft op functie-stoornissen
in de inwendige organen die met de opgewekte chakra’s zijn verbonden.
Hij wijst erop dat overmatig gebruik van de paranormale mogelijkheden
van een bepaalde chakra waarschijnlijk een afwijking of ziekte zal veroorzaken
in het inwendige orgaan dat door deze chakra wordt bestuurd, en zelfs
tot een vroegtijdige dood kan leiden. Hij zegt dat veel paranormaal
begaafde mensen die de manipurachakra — die zich in de zonnevlecht
bevindt en verband houdt met helderziende vermogens — hebben overbelast,
jong stierven of ernstige problemen met hun maag en ingewanden kregen.
Hij liep zelf een maagzweer op.
Dit alles bevestigt de waarschuwingen die we in theosofische literatuur
aantreffen. De lichaamshoudingen alleen zijn misschien tamelijk onschadelijk,
maar wanneer ze worden gecombineerd met speciale ademhalingsoefeningen
en een intense mentale concentratie op de chakra’s, en ze worden
beoefend met een bijna fanatieke vastberadenheid zoals bij Motoyama,
is er overduidelijk een heel reële kans dat het natuurlijke evenwicht
van de levenskrachten in het lichaam wordt verstoord, en ziekte, psychische
onevenwichtigheid en zelfs krankzinnigheid het gevolg kunnen zijn. Niettemin
blijft Motoyama een fervent voorstander van dergelijke technieken en
hij gaat zelfs zover te beweren dat ‘het opwekken van de chakra’s
een proces is dat moet worden doorgemaakt wil de ziel kunnen evolueren
en wil men innerlijke verlichting kunnen bereiken’ (blz. 246).
Hathayoga en tantrayoga zijn de laagste vormen van yoga en houden zich
voornamelijk met het lichaam en het lagere denkvermogen bezig. Omdat
ze weinig of niets doen om onze hogere natuur te ontwikkelen, brengen
ze geen blijvende positieve resultaten voort, want alleen die dingen
die door ons geestelijk zelf kunnen worden vastgelegd blijven bestaan
voorbij de dood. Maar er zijn verschillende hogere vormen van yoga-beoefening.
De voornaamste zijn karmayoga, de yoga van het handelen (vergelijkbaar
met wat in het westen bekendstaat als ‘verlossing door werken’);
bhaktiyoga, de yoga van liefde en toewijding (vergelijkbaar
met ‘verlossing door geloof of liefde’); jñanayoga,
de yoga van wijsheid of kennis; en raja-yoga, letterlijk ‘koninklijke
eenwording’, de yoga van geestelijke zelfdiscipline. Tenslotte
is er brahmayoga, ‘goddelijke eenwording’, die
een synthese is van het beste en zuiverste uit de andere yogastelsels.
Echte hathayoga betekent het zuiver, fit en gezond houden van ons lichaam,
zodat dit kan functioneren als een geschikt instrument voor de menselijke
ziel. Karmayoga betekent dat we zonder klagen en zo goed mogelijk ons
werk en onze plicht moeten doen. Bhaktiyoga betekent dat we ons wijden
aan het dienen van onze medemens. Jñanayoga betekent het bestuderen
van de goddelijke wijsheid en dus van de natuur zelf. Rajayoga betekent
het vinden van vreugde in zelfdiscipline, en het leren meester te worden
over onze lagere natuur in plaats van er de slaaf van te zijn. Als we
proberen dit allemaal te doen, beginnen we brahmayoga te beoefenen,
wat tenslotte leidt naar het uiteindelijke doel van yoga: zelfbewuste
vereniging met ons hogere zelf, de innerlijke godheid. Deze staat van
eenzijn met onze hogere natuur — de schatkamer van al de in vorige
levens verzamelde wijsheid en kennis — brengt geestelijke verheldering
en verlichting.
De New Age-beweging biedt een heel scala van technieken en praktijken,
waaronder hatha- en tantrayoga, die ons in staat zouden moeten stellen
paranormale vermogens te ontwikkelen, in contact met andere entiteiten
te komen, onze vroegere levens te herinneren en innerlijke verlichting
te bereiken. Veel van de praktijken die worden aangeboden zijn hoogst
dubieus, en nog nooit is het vermogen om het echte van het onechte te
onderscheiden zo onontbeerlijk geweest.
Een algemene regel is dat men niet aan oefeningen moet beginnen als
die er voornamelijk op zijn gericht om persoonlijke vooruitgang en eigen
voordeel te bewerkstelligen of invloed te krijgen op anderen, of als
ze de deur openzetten voor kwaadwillige lagere astrale invloeden en
daardoor een mentale onevenwichtigheid veroorzaken. Het kan daarentegen
geen kwaad wat tijd voor ontspanning en zelfonderzoek uit te trekken,
vooral als we daardoor in het dagelijks leven broederlijker en evenwichtiger
gaan functioneren. Hoe vrediger, evenwichtiger en harmonischer we vanbinnen
zijn, hoe meer we in de wereld om ons heen als een bron van vrede en
harmonie kunnen fungeren.
Van vitaal belang is ons motief, en maar al te vaak schuilt er in psychische
praktijken een sterk element van zelfzuchtigheid. Er zijn natuurlijk
ook oprechte mensen, die hun paranormale gaven willen gebruiken om anderen
te helpen, maar in het geval van bijvoorbeeld psychisch genezen is het
best mogelijk dat behandelingen die succes lijken op te leveren, op
langere termijn misschien kwalijke bijwerkingen hebben. Liefdevolle
daden hoeven niet altijd wijze daden te zijn.
Het pad dat alle grote geestelijke tradities in de hele wereld aanraden
is het pad van mededogen, broederschap en zelfdiscipline. Zoals de hindoegeleerde
T. Subba Row het verwoordde: ‘Alle grote leraren hebben een paar
algemene ethische beginselen – en niet astrale wonderen –
als de te volgen weg aanbevolen.’3
Van Krishna tot Boeddha tot Christus is de gulden regel altijd geweest:
Heb elkaar lief.
Er zit niets wezenlijk geestelijks in het vermogen om een lepel te
verbuigen, aura’s te zien of een tafel te laten zweven. Er is
veel meer spiritualiteit in het helpen van onze medemens. Zij die erin
zijn geslaagd de ontwikkeling van paranormale vermogens te forceren,
maar nog niet hun denken hebben gezuiverd en nog niet hebben geleerd
zich te beheersen, plaatsen alleen maar een extra verzoeking op hun
weg en lopen het gevaar van lichamelijk, mentaal en moreel letsel. In
dit stadium van onze evolutie is het beter om te proberen de principes
achter paranormale vermogens te begrijpen dan om ze in onszelf te ontwikkelen.
Volgens de theosofie zullen in het verdere verloop van onze evolutie
twee hogere zintuigen (verbonden met helderziendheid en intuïtie)
op een natuurlijke manier tot ontwikkeling komen, maar pas
als we het stadium hebben bereikt waarin we geschikt zijn ze te bezitten
en in staat ze verstandig te gebruiken.
Er is echter één vermogen dat we wel moeten proberen
aan te kweken en dat is onze geestelijke wilskracht. Elke keer
dat we toegeven aan een zelfzuchtige of onwaardige impuls, verzwakken
we onze wil en ons moreel besef en maken we het wat gemakkelijker om
opnieuw voor die impuls te zwichten; en iedere keer dat we een zelfzuchtige
of onwaardige impuls weerstaan, versterken we onze wil en ons moreel
besef en maken we de volgende overwinning wat makkelijker. Door onze
wil te ontwikkelen kunnen we geleidelijk de kwaliteit van onze gedachten,
en daardoor ook van onze begeerten, gevoelens en daden, verbeteren.
Er kan niet genoeg nadruk op worden gelegd dat men niet een stuk van
de weg naar zelftransformatie en geestelijke verlichting kan afsnijden.
Naar een meditatiebandje luisteren, een mantra zingen, een weekendcursus
volgen of een boek lezen zal niet vanzelf tot het bereiken van kosmisch
bewustzijn leiden. Ze kunnen een hulp zijn – of misschien een
hinderpaal – maar blijvende vooruitgang kan nooit met alleen uiterlijke
middelen worden bereikt. Evenmin kan die worden gekocht. Zelfverwezenlijking
is het resultaat van veel levens van zelfreiniging en altruïsme.
Met de woorden van H.P. Blavatsky:
De kernleer van de esoterische filosofie erkent geen
voorrechten of bijzondere gaven van de mens, behalve die zijn eigen
ego heeft verkregen door persoonlijke inspanning en verdienste gedurende
een lange reeks van zielsverhuizingen en reïncarnaties.
– De Geheime Leer, 1:47
Anders gezegd, er bestaat in de natuur geen bevoorrechting. De omstandigheden
bij onze geboorte, onze fundamentele karaktertrekken en de beproevingen
die we in de loop van ons leven ondergaan, zijn niet het gevolg van
toeval en ze worden ook niet opgelegd door een gril van een of andere
sluwe godheid; ze zijn ons eigen maaksel, het resultaat van onze gedachten
en daden in vorige levens. En al kunnen we ons karma uit het verleden
niet veranderen, we kunnen wel vormgeven aan onze toekomst door de manier
waarop we nu leven.
Motoyama beweert dat hij door het beoefenen van tantrayoga het vermogen
heeft verkregen om het negatieve karma van andere mensen te wijzigen.
Als dit waar was zou het grenzen aan zwarte magie, want het is alleen
door leven na leven de gevolgen van al onze gedachten en daden te ondervinden
dat we leren het beter te doen, dat we innerlijke kracht verwerven en
dat we evolueren. Er worden geen resultaten bereikt als we niet zelf
aan die vooruitgang werken. William Quan Judge zegt dat de gevorderde
mensen die over de mensheid waken hun occulte vermogens zouden kunnen
gebruiken om de mensheid van haar kwalen te genezen, maar, zegt hij,
‘dat doen ze niet: de mensheid zal steeds in ellende verder moeten
worstelen tot ze zelfdiscipline en zelfkennis verkrijgt. Het lijkt misschien
hard, maar het is de wet.’4
Alles in de natuur is met elkaar verbonden, niets kan alleen voor zichzelf
leven. Elke gedachte, emotie en handeling treft de wereld om ons heen,
ten goede of ten kwade. Het idee dat iets volkomen van iets anders is
gescheiden wordt in het boeddhisme de ketterij van afgescheidenheid
genoemd. We zijn allemaal een onderdeel van een onmetelijk en ondoorgrondelijk
geheel; we zijn eonen geleden aan één goddelijke bron
ontsprongen en zullen allen naar die bron terugkeren. Het is onze plicht
met de natuur mee te werken en niet ertegenin, en elkaar voort te helpen
op het pad. Elke poging tot zelfverbetering en iedere inspanning om
anderen te helpen draagt, hoe gering ook, bij aan de vooruitgang van
de hele mensheid.
Het hoogste en edelste ideaal dat we kunnen nastreven, wordt in het
mahayanaboeddhisme het bodhisattva-ideaal genoemd. Een bodhisattva
is een mens die zover op het pad van geestelijke vooruitgang is gevorderd
dat hij verlichting heeft verworven en de drempel van nirvana heeft
bereikt. Maar in plaats van de vrede en gelukzaligheid van nirvana binnen
te gaan, wat alle verdere actieve betrokkenheid bij menselijke zaken
uit zou sluiten, geeft hij nirvana op en keert naar de aarde terug om
de worstelende mensheid te helpen. Deze geest van zelfopoffering is
prachtig vastgelegd in de gelofte van de Chinese bodhisattva Kwan Yin:
Nooit zal ik eigen, individuele verlossing nastreven
of ontvangen; nooit zal ik de uiteindelijke vrede alleen ingaan; maar
altijd en overal zal ik leven en me inzetten voor de redding van ieder
schepsel in de hele wereld.
Het meest betrouwbare pad naar geestelijke verlichting ligt in de onophoudelijke
aspiratie om dit ideaal te verwezenlijken, en vooral in het voortdurend
proberen om mededogen en broederschap in ons dagelijks leven in
praktijk te brengen.
Noten
- De Stem van de Stilte, Fragment I, noten.
- Theories of the Chakras: Bridge to Higher Consciousness,
Quest, 1981, blz. 241.
- Esoteric Writings, Theosophical Publishing
House, 1933, blz. 535-6.
- Practical Occultism, blz. 196.