Ons geestelijk erfdeel
Bill Dougherty

 

Voor veel mensen bestaat het erfdeel van de mensheid uit het geheel van ideeën, sociale structuren en materiële omstandigheden dat vorige generaties ons heeft nagelaten. Die zienswijze benadrukt de beperkte en heel persoonlijke opvatting dat de mens een eenmalige gebeurtenis is in ruimte en tijd — een vergankelijke, betrekkelijk onbeduidende uitdrukking van transcendente en in principe niet-waarneembare krachten die de mensheid als geheel naar een bepaalde eindbestemming voeren. Een materialistische wetenschapper bijvoorbeeld zal een mensheid zien die door evolutionaire omstandigheden ertoe wordt gedreven om de materiële wereld beter te begrijpen en te kunnen beheersen, om zo in een onpartijdig heelal zijn lichamelijk welzijn en gevoel van veiligheid te vergroten. Een toegewijde christen zal de werkingen van het heelal zien als de uitvoering van Gods plan om hen die een goed leven op aarde hebben geleid, een eeuwige beloning van verlossing en heerlijkheid te geven. Een animist zal steeds op zijn hoede zijn opdat hij niet de talloze vriendelijke en vijandige geesten ontstemt die bijna alle gebeurtenissen in zijn leven beïnvloeden.
     Er zijn echter altijd mensen geweest die zichzelf niet zozeer zien als het kleine en tijdelijke vonkje van één enkel leven, maar als een eeuwige godheid die zich onophoudelijk opnieuw tot uitdrukking brengt — als een uniek geestelijk wezen dat zich steeds weer belichaamt om kennis te verwerven en zijn onbeperkte mogelijkheden van liefde en begrip op steeds volmaaktere wijze tot uitdrukking te brengen. Deze innerlijke god bezielt en prikkelt het leven van de uiterlijke mens — van de zo zelfbewuste menselijke persoonlijkheid die we maar al te vaak voor ons gehele zelf aanzien. Zoals Jezus ons in herinnering bracht, woont in deze innerlijke tempel een levende god. Deze godheid is de bron van het werkelijke bestaan van het individu. Het is ons ware en onvergankelijke zelf.
     Omdat ons gewone zelf een directe uitdrukking is van deze innerlijke godheid, zijn we in ieder opzicht gevormd naar Gods beeld — het beeld van onze eigen innerlijke god. Het hoeft ons dus niet te verbazen dat onze zoektocht naar inzicht in feite een poging is om, zoals Plato het uitdrukte, ons weer bewust te worden of ons te herinneren wat we innerlijk al weten — in feite is dat de kennis van ons geestelijke zelf. Het is paradoxaal dat deze geestelijke bewustwording niet zozeer door het denken wordt bereikt alswel door het hart, dat ernaar streeft en verlangt zich te openen en zo het lijden en de eenzaamheid van anderen te verlichten. Het is duidelijk dat bij alle grote resultaten die tot stand worden gebracht, ons hart ons voortdrijft en tegenslag omzet in triomf. Evenzo worden door de onzelfzuchtige liefde die onze zorg voor anderen doordringt, onze persoonlijke inspanningen duizendvoudig vergroot. Zoals een grote denker ons kan verbazen, zo kan een menselijk hart dat brandt met het vuur van geestelijke liefde — het hart van een Boeddha, van een Jezus, van een meester of van onszelf — de wereld transformeren.
     Zoals de dag volgt op de nacht en de planeten hun baan volgen om de zon, zo zal telkens weer, leven na leven, onze innerlijke god ons naar een belichaamd bestaan voeren om ons te leren hoe we in liefdevolle harmonie met elkaar en met het heelal kunnen leven. Uiteindelijk zullen we zoveel leren dat we op effectieve wijze zullen bijdragen aan het scheppen van die harmonie die leiding geeft aan het innerlijke leven van iedere aspirerende ziel, en vanaf dat moment zullen we een zelfstandig opererend zelfbewust scheppend geestelijk wezen worden.
     Dit is dus ons werkelijke geestelijke erfdeel: geen boeken of ideeën, geen monumenten van steen of met een culturele waarde, maar liefde en sympathie die we voor allen voelen en met hen delen. Wanneer onze ervaring en onze liefde te groot worden om als mens tot uitdrukking te worden gebracht, wanneer onze bewuste verbinding met onze innerlijke god te krachtig wordt om nog door een onvolmaakte menselijke vorm te kunnen worden gedragen, dan zullen we ons werkelijk van de beperkingen van deze menselijke tempel ontdoen en ons tot de broederschap van de goden verheffen.

Uit het tijdschrift Sunrise juli/aug 1997

© 1997 Theosophical University Press Agency