Leven in verandering
Stanton A. Coblentz

 

Zelfs het rustigste leven toont soms vreemde kronkelingen en onverwachte wendingen. Zelden vindt men een mens die, zoals de filosoof Immanuel Kant, elke dag met zo’n regelmaat langs een voorspelbare route in zijn geboortestad wandelde, dat zijn buren beweerden hun klok gelijk te kunnen zetten op zijn komen en gaan. Voor de meesten van ons, zelfs al lijkt onze horizon helder en ons pad bijna voorbestemd, komen er op de één of andere dag heftige storingen, onvoorziene en onontkoombare belemmeringen, slagen van het noodlot die ons leven veranderen; of misschien, wat even verrassend zij het minder algemeen is, een vloedgolf van geluk, die alle verwachtingen verre overtreft. Het ene moment zal ongeluk of ziekte als een speerstoot ons treffen; het andere moment raken we verward in een valstrik die we ogenschijnlijk niet zelf hebben gezet. Ook kan een toevallig afdwalen van onze vastgestelde weg ons in den blinde doen ronddolen; of wij kunnen verstrikt raken in de moeilijkheden van vrienden en verwanten, of van de wereld om ons heen of, omgekeerd, ons plotseling in rustig vaarwater bevinden, nadat de donderwolken die wij vreesden waren weggetrokken.
     Het is waar, dat in veel gevallen ons eigen optreden en karakter er een rol in speelden; de keuze van de weg, onze vasthoudendheid en moed, kunnen beslissende factoren zijn. Maar hoe staat het als wij door tegenslagen worden getroffen, in leed worden gedompeld en tot wanhoop worden gebracht door krachten die wij net zo min kunnen beheersen als de wind of de bliksem. In alle wisselvalligheden schijnen veranderingen buiten onze macht heer en meester te zijn; zoals in het geval van het kind dat zijn ouders verliest, of van de jonge man die verminking of de dood tegemoet gaat in een oorlog die hij noch heeft gewild, noch heeft veroorzaakt; de zwaar door het lot getroffen mannen of vrouwen; de arbeiders die worden meegesleurd door de stroom van maatschappelijke veranderingen, die zegenrijk of funest kunnen zijn; de uitvinder die zich verrijkt door een gelukkige gedachte die hem invalt en de industrieel die door diezelfde gedachte door de concurrentie te gronde wordt gericht. De voorbeelden kunnen worden uitgebreid. Ieder van ons zal zich voorvallen herinneren, niet alleen uit eigen ervaring maar ook uit het leven van de mensen om ons heen.
     Deze schommelingen zijn zo snel en zo talrijk, dat het menselijk leven — als wij het konden zien als één groots panorama — een buitengewoon gevarieerd beeld te zien zou geven. Ongetwijfeld zouden we grote plekken zien waar evenwichtigheid en stabiliteit de boventoon voeren, die de meesten van ons bewust of onbewust zoeken. Maar deze vredige gebieden kunnen worden verstoord, doorkruist en bezoedeld aan hun grenzen; en soms geheel vernietigd door gedeelten die er uitzien als een wervelwind. Daar is alles opgenomen in een maalstroom en verwarring van gebeurtenissen en daar krijgt iedereen klappen: jonge, oude, en weerloze mensen.
     Het menselijk leven kan in hoofdzaak worden gezien als een strijd tussen stabiliteit en verandering, waarin de laatste tenslotte altijd zegeviert, overeenkomstig de waarheid waaraan Tennyson uitdrukking geeft in Morte D’Arthur:

Ik zie nu dat de goede oude tijden dood zijn . . .
En de dagen, en de jaren worden duister om mij heen,
Onder nieuwe mensen, vreemde gezichten, andere zielen . . .
Wijzigt zich de oude orde, maakt plaats voor het nieuwe,
En God vervult zichzelf op vele wijzen
Opdat één goed gebruik de wereld niet te gronde richt.

     Men mag aannemen dat er veel meer aan verandering onderhevig is dan de dichter in de slotregel suggereert. Men heeft het gevoel dat de mens wordt gevormd, onderricht en gehard door verandering, hoe zwaar, wreed en schijnbaar onbillijk het mag lijken. Men voelt ook dat ieder leven, hoe beperkt in bereik het ook mag zijn, aanwijzingen inhoudt van de veranderingen die in alle levens in opeenvolgende incarnaties zijn ondergaan, waarin de diepten van ongeluk zijn gepeild, de hoogten van roem en geluk beklommen, men door tegenspoed is getoetst, in verzoeking gebracht door het fortuin en zonder het te weten is gevormd, als klei in de hand van de beeldhouwer.
     De grootse toekomst van onze strevende, lijdende en aspirerende mensheid, dat ieder tijdperk toont, weerspiegelt wellicht in zijn kaleidoscopische veranderingen de veel ruimere vergezichten van de vele eeuwen waardoor de mens zich heeft voortbewogen tot zijn tegenwoordige peil. Zoals er geen sociale vooruitgang kan zijn zonder verandering, geen baby tot volwassenheid kan groeien en geen mens zich materieel of geestelijk kan verbeteren zonder verandering, zo kunnen wij ook in het gehele beeld van het leven, zoals het zigzags- en spiraalsgewijs voortgaat, zien dat verandering overheerst en van het hoogste belang is. Niet dat wij op enigerlei wijze kunnen weten, of reden hebben te concluderen, dat alle verandering wenselijk of nuttig is; integendeel, het is een deel van onze training het goede te bewaren en het waardeloze en slechte af te wijzen; meer dan dat, het is ons niet mogelijk op te klimmen als we niet kunnen onderscheiden tussen het monster en de engel die de verandering kan zijn.
     Binnen de grenzen van deze beperkingen is verandering de gids, de wegwijzer en de beschermer van het leven. Zo zeker als de hand aan het stuur van een auto de chauffeur naar zijn gekozen doel brengt, of hem in een sloot of afgrond stort, zo kan verandering de brenger van de verlossing of de val van een mens zijn. Het is, denk ik, een vitaal deel van de training van ons leven de plaats die verandering inneemt te herkennen, zodat wij het kunnen accepteren wanneer het onvermijdelijk is, werken om het tot stand te brengen wanneer het wenselijk is, en begrijpen dat alle verandering in het verleden, heden en de toekomst, samen moet werken om ons omhoog te leiden langs het lange slingerende pad, dat leidt naar de vervolmaakte mens en de ideale samenleving.

 

Uit het tijdschrift Sunrise juli/aug 1997

© 1997 Theosophical University Press Agency