Zelfgeleide evolutie
Sarah Belle Dougherty

 

Als mens ontwikkelen we zelfbewustzijn. We kunnen nadenken over onze gedachten en gevoelens, en bewuste beslissingen nemen over wat we wel en niet willen doen. Op het niveau waar we nu als mens staan, lijken we een keerpunt te hebben bereikt waar ons instinct afneemt, maar het intuïtief, bewust meewerken met de natuur zich nog niet voldoende heeft ontwikkeld. Bewust met de natuur leren meewerken is misschien wel de voornaamste les die we als mensheid moeten leren.
     Wij, evenals al het andere in de kosmos, zijn niet toevallige mengsels van materie die ophouden te bestaan als ons lichaam uiteenvalt. Ieder wezen is in zijn diepste essentie een geestelijke individualiteit. Dit diepste aspect evolueert door verschillende bewustzijnscentra te projecteren, die zich elk tot uitdrukking brengen door middel van uiteenlopende vormen van substantie — geestelijke, mentale, vitale, astrale en stoffelijke. Wat evolueert zijn deze bewustzijnscentra. Ze brengen zich telkens weer in substantie tot uitdrukking om zo steeds meer van hun goddelijk potentieel vanuit zichzelf naar buiten te brengen. De evolutie van het stoffelijke zoals de wetenschap die bestudeert, is maar één facet van dit individuele innerlijke proces.
     In één opzicht kunnen we daarom alle evolutie als zelfgeleid beschouwen omdat ze wordt bestuurd door het innerlijke zelf of bewustzijnscentrum van ieder individu. Door zijn drang naar vollediger zelfexpressie brengt dit innerlijke zelf een groei van vermogens teweeg en een ermee gepaard gaande verandering van de verschillende lichamen — fysieke, mentale en geestelijke — door middel waarvan het zich tot uitdrukking brengt. H.P. Blavatsky verklaart dit proces als een van de grondbegrippen waarop haar Geheime Leer berust, en zegt dat er een ‘verplichte pelgrimstocht voor iedere ziel is . . . door de cyclus van incarnatie (of ‘noodzakelijkheid’) in overeenstemming met de cyclische en karmische wet’ zodat geen goddelijke ziel ‘een onafhankelijk (bewust) bestaan kan hebben voordat ze ‘door iedere grondvorm van de verschijnselenwereld is gegaan van die’ periode van manifestatie en

individualiteit heeft verkregen, eerst door een instinct en daarna door zelf teweeggebrachte en zelf bedachte krachtsinspanningen (beperkt door haar karma), terwijl zij zo opklom door alle graden van intelligentie heen, . . . van delfstof en plant tot aan de heiligste aartsengel (Dhyani-Boeddha). De kernleer van de esoterische filosofie erkent geen voorrechten of bijzondere gaven van de mens, behalve die zijn eigen ego heeft verkregen door persoonlijke inspanning en verdienste gedurende een lange reeks van zielsverhuizingen en reïncarnaties.      – 1:47

     Hoewel het heel duidelijk ons innerlijke zelf is dat onze evolutie stuurt, staan we in het algemeen niet met dit aspect van ons in verbinding — we zijn ons er niet van bewust. In plaats daarvan houden we ons heel veel bezig met het uiterlijke zelf, ons gewone alledaagse op onszelf gerichte bewustzijn, dat voor ons is wie we zijn. Doorgaans hebben we het gevoel dat dit persoonlijke zelf ons leven stuurt. Heel vaak gaat dat zelfs grotendeels onbewust — het zou kunnen dat we niet nadenken over onze gedachten, motieven en daden, en over de gevolgen die ze voor onszelf en anderen hebben. Zelfgeleide evolutie heeft voor een deel te maken met het zich meer bewust worden van dit gewone zelf en zijn handelingen, het weloverwogen besluiten waar we heen willen en het disciplineren van onszelf zodat we ons doel kunnen bereiken.
     Natuurlijk hebben veel mensen doeleinden, bezitten ze discipline, handelen ze om hun doel te bereiken en analyseren ze hun vorderingen. Maar bij zelfgeleide evolutie komt een ander aspect naar voren: welk ‘zelf’ heeft de leiding? Is het het gewone op onszelf gerichte zelf? Of is het ons meer universele innerlijke zelf? Bij de meesten van ons is het het uiterlijke egocentrische zelf wat altijd de baas probeert te spelen. Maar vanuit theosofisch gezichtspunt is zelfgeleide evolutie het zich verbinden met de positieve, geestelijke krachten in de natuur en in onszelf. Het is een proces waarbij het uiterlijke zelf er voortdurend naar streeft een getrouwe afspiegeling te worden van dat goddelijke bewustzijn in het hart van ieder mens. Het doet denken aan de bede van Socrates: ‘Moge ik schoonheid hebben in mijn innerlijke ziel en moge het uiterlijke en het innerlijke als een eenheid zijn.’
     Evenals theosofie legt het boeddhisme nadruk op het zelf richting geven aan ons leven. Boeddha gaf een analyse van de toestand van de mens en een doel voor toekomstig handelen in zijn Vier Edele Waarheden: dat lijden bestaat, dat het een oorzaak heeft, dat aan het lijden een eind kan worden gemaakt, en dat het zal ophouden door het Edele Achtvoudige Pad te volgen. Dit pad bestaat uit juist inzicht, juist denken, juist spreken, juist handelen, juiste middelen van bestaan, juiste inspanning, juiste opmerkzaamheid en juiste meditatie. Voor het volgen van dit pad is een bewuste beheersing van alle facetten van het leven nodig en moet men een geestelijke, mentale en emotionele discipline ondergaan om uit te kunnen stijgen boven het menselijk bestaan zoals wij dat kennen. Dit doel spreekt veel mensen aan.
     Een belangrijk verschil tussen de theravada- en mahayanascholen in het boeddhisme heeft op dit doel betrekking. Theravada legt de nadruk op verlossing van het eigen lijden door het ingaan van nirvana, en de arhat of boeddha is het ideaal dat zal moeten worden gerealiseerd. Mahayana legt meer nadruk op verlossing van het lijden van anderen, door in de wereld te blijven en alle wezens te helpen bij het bereiken van geestelijk geluk. Het ideaal ervan is het worden van een bodhisattva. Dit verschil vormt de basis van de twee paden van geestelijke evolutie, het pad voor het zelf en het pad van mededogen. Het kiezen tussen deze doeleinden is medebepalend voor welke weg we in de toekomst gaan.
     Zelfgeleide evolutie is het tegengestelde van zich passief laten meedrijven met de grote evolutiestroom, of op een onbewuste manier reageren op gebeurtenissen. We kunnen ons afvragen: als ons innerlijke zelf inderdaad voortdurend leiding geeft aan onze evolutie, waarom zouden we dan niet met de gewone evolutiestroom meegaan, want uiteindelijk zullen we toch vooruitgang boeken? Boeddha zei hierop: ieder van ons is verantwoordelijk voor elk aspect van zichzelf en zijn omstandigheden, en we hebben het vermogen ons toekomstige zelf en onze omstandigheden naar eigen goeddunken te vormen — en dat doen we ieder moment, hoe dan ook. Waarom gaan we dan niet zelf onze toekomstige erfelijke aanleg, ons karakter en onze omgeving bepalen in plaats van alleen maar passief te blijven, of erger nog, in de toekomst daadwerkelijk voor onszelf en anderen onaangename omstandigheden te scheppen? Het gaat erom of we willen voortgaan met een langzaam leerproces van vallen en opstaan, van onbewuste of halfbewuste acties en reacties, of dat we zelf onze koers bepalen en die doelbewust volgen. Het zijn ongetwijfeld clichés dat ‘eigen ervaring de beste leermeester is’ en ‘men door schade en schande wijs wordt’; en al ‘telt een gewaarschuwd mens voor twee’, hoe vaak moeten we nog onze vingers branden en leed en moeilijkheden ondervinden voordat we besluiten de dingen anders aan te pakken?
     Zelfonderzoek is een belangrijke sleutel tot zelfgeleide evolutie. Als goddelijke wezens zijn we een heelal in het klein en bevatten we potentieel alles wat onze ouder, het grotere heelal, in zich heeft. Als men dus zichzelf grondig wil kennen, moet men het universum op alle niveaus kennen. Door onszelf te zien zoals we zijn, door onze verschillende aspecten te begrijpen en te zien hoe die met elkaar in verband staan, door te begrijpen waarom allerlei dingen in ons leven en bewustzijn gebeuren, kunnen we vanuit kennis in plaats van onwetendheid gaan handelen en kunnen we onze beslissingen op de realiteit gaan baseren in plaats van op illusies en misverstanden.
     Een oud gezegde in het Sanskriet geeft ons nog een sleutel: ‘Waar een goddelijk wezen naar verlangt, dat zal dat goddelijke wezen worden’. We zijn in essentie en fundamenteel goddelijke wezens. Wat we verlangen — waar we ons met hart en ziel op richten, wat we ons voorstellen en wensen, waar we onze zinnen op zetten — dat worden we. Wat is het dat we verlangen? Veel dingen, vaak tegenstrijdige. Maar door de gedachten en gevoelens die we koesteren, door onze motieven en aspiraties en daden — met andere woorden, door het leven dat we leiden — tonen we waar we werkelijk het meest naar verlangen, en maken we onszelf tot wat we zullen worden. Door weloverwogen te proberen in harmonie met het goddelijke in ons te geraken, komen we onvermijdelijk in steeds grotere harmonie met alles om ons heen, en richten we ons op het hoofddoel van de evolutie: het streven naar onbaatzuchtige liefde voor onze medeschepselen waar die ook zijn.

 

Uit het tijdschrift Sunrise mei/juni 1997

© 1997 Theosophical University Press Agency