Als we nadenken over de rijkgeschakeerde bijdragen van W.Q. Judge aan
het verbeteren van de toestand waarin de mens verkeert, treedt misschien
als het belangrijkste naar voren zijn streven om theosofische beginselen
begrijpelijk, toegankelijk en in ons dagelijks leven praktisch toepasbaar
te maken. Een van zijn geliefde thema’s was karma: we oogsten
wat we op de akker van ervaring zaaien. Karma is de ethische wet van
oorzaak en gevolg en van onpartijdige gerechtigheid — van compensatie,
van de aanpassing van de gevolgen aan hun oorzaken, die onfeilbaar de
harmonie en het evenwicht herstelt — en vormt de grondslag van
de Gulden Regel. Samen met de bijbehorende leer van reïncarnatie
werd karma door Judge vaak genoemd als het belangrijkste en verlossing
schenkende denkbeeld van de theosofie. Dat inzicht in karma onontbeerlijk
is om de grote en kleine levensproblemen aan te pakken, blijkt uit een
brief aan W.Q.J. die enige tijd na het overlijden van H.P. Blavatsky
van hun ingewijde helper en leraar werd ontvangen. Deze bevat niet alleen
heel goede raad, maar ook een filosofische leer over karma die een belangrijke
sleutel geeft voor het in praktijk brengen van de theosofie. Het gaat
om de volgende regels:
Dappere soldaten hebben orders noch voortdurende
aanmoediging nodig. Volg de regels die langgeleden zijn opgesteld
en ‘we zullen uitzien naar resultaten’. Zoals door mij
in de G.L. [De Geheime Leer] is gezegd ‘atma is karma’,
dus zullen alle resultaten die voortvloeien uit wat we oprecht doen,
goed zijn, zolang we maar niet aan die resultaten zijn gehecht. .
. . Wees wijs en voorzichtig, en verwacht niets, want dit is een tijdperk
van duisternis. [Je] kunt niet genoeg op je hoede zijn. . . . Je zult
zaden moeten zaaien. Schenk daar al je aandacht
aan en forceer de groei niet. . . .
– The Theosophical
Forum, oktober 1947, blz. 577
Hoewel deze regels aan Judge persoonlijk zijn gericht en specifiek
betrekking hadden op de zware eisen waaraan hij toen als leider van
de beweging moest voldoen, hebben ze ons ook nu veel te bieden. De drie
woorden waar het volgens mij allemaal om draait zijn: ‘atma is
karma’. Uit dat korte zinnetje vloeit al het overige voort.
Atma (of atman) is een Sanskrietterm die betrekking
heeft op ons hoogste zelf, onze goddelijke vonk, de monadische bron,
oorsprong en schepper van ons wezen. Vandaar het vaak herhaalde gezegde
dat ‘wij ons eigen karma zijn’. Uiterlijk vertegenwoordigen
we het resultaat of totaal van onze gedachten en daden dat zich op ieder
moment tot uitdrukking kan brengen. Daarachter ligt het nog niet uitgewerkte
karma dat door ons in dit of voorgaande levens is geschapen en wacht
om in de toekomst tot uitdrukking te komen.
Maar omdat de uiteindelijke bron van karma ons hoogste goddelijke Zelf,
de god in ons is, kunnen we ook concluderen dat achter al het karma
dat we persoonlijk hebben geschapen het totaal van ons evolutionaire
potentieel staat dat zowel oneindige wijsheid als grenzeloos mededogen
omvat. Een andere manier om dit te zeggen is dat ons karma niet alleen
maar een koude, blinde mechanische actie en reactie is, maar op een
intelligente manier wordt geregeld en ingegeven door meedogende geestelijke
hulp, zelfs tot in de kleinste gebeurtenissen in ons leven — eenvoudig
omdat het heelal bestaat voor het welzijn en ten goede van alle levende
wezens. Niettemin is het ons karma dat ons bereikt en geheel
en al ons toebehoort. Daarom is het ons geboden ons werkelijke Zelf
te kennen. Nogmaals: ‘atma is karma, dus alle resultaten die voortvloeien
uit wat we oprecht doen, zullen goed zijn — zolang we niet
aan die resultaten zijn gehecht’.
Om ons te helpen deze dynamiek te begrijpen, gebruikte Judge de omschrijving
‘karmisch weerstandsvermogen’, die hij in verband bracht
met het christelijke denkbeeld van het vergaren van schatten in de hemel
(Echoes of the Orient 2:427). Omdat we de neiging hebben ons
karma persoonlijk op te vatten — ‘mijn karma’ en ‘jouw
karma’, wat de indruk wekt dat ze volkomen verschillend en afgescheiden
zijn — wees Judge op nog drie soorten karma die als factoren ook
in de beschouwing moeten worden betrokken: familiekarma, ras- of nationaal
karma, en het karma van de tijd waarin we nu leven. Door ons individuele
en collectieve handelen hebben we zogezegd een voorraad karmische kracht
aangelegd van zowel positieve als negatieve aard, die iedereen en alles
sterk en onverbiddelijk beïnvloedt. We zijn daarom een deel van,
worden getroffen door, en zijn tot op zekere hoogte verantwoordelijk
voor alles wat binnen de kring van onze ervaring komt — het goede
zowel als het slechte, en het aangename zowel als het onaangename.
Om ons te helpen het denkbeeld van ons vervlochten collectieve karma
te begrijpen, illustreerde Judge een aspect ervan met het verhaal van
een oosterse koning die één zoon had:
‘En die zoon verrichtte een daad waarvoor hij
als straf zou worden gedood door een grote steen die op hem werd geworpen.
Maar omdat men inzag dat dit het kwaad niet zou opheffen noch de overtreder
de kans zou geven een beter mens te worden, adviseerden de raadslieden
van de koning de steen in kleine stukjes te breken en die naar de
zoon, zijn kinderen en kleinkinderen te werpen, omdat ze dat zouden
kunnen doorstaan. Zo gebeurde het, en zij allen leden enigszins en
toch werd niemand vernietigd.’ In dit geval ging men er natuurlijk
vanuit dat de kinderen en kleinkinderen niet in het gezin van de vorst
konden zijn geboren als ze in het verleden, in andere levens, niet
de hand hadden gehad in de vorming van zijn karakter en daarom tot
op zekere hoogte in zijn straf moesten delen.
– ‘Thoughts
on Karma’ [Gedachten over karma], The Path, augustus
1892 (Echoes 1:258)
Dezelfde redenering is van toepassing op onze goede daden, die vermoedelijk
opwegen tegen onze zonden en tekortkomingen. Als ‘atma karma is’,
volgt hieruit dat ons karma voortvloeit uit en wordt gereguleerd door
ons hoogste zelf — wat niet wil zeggen dat we het tot uiting komen
ervan niet zouden kunnen wijzigen door ‘ogenblikkelijk karma’
op het persoonlijke vlak te scheppen. We kunnen er echter op vertrouwen
dat, wanneer we onze dagelijkse plichten naar beste vermogen vervullen,
de hele evolutionaire kracht van het heelal achter ons staat, waarbij
deze ons aanspoort en naar steeds hoger voert, wegwijzers en hulpmiddelen
biedt, en ons in zekere zin beschermt — zolang we maar niet
aan de resultaten zijn gehecht. Dit komt ook naar voren in de Bhagavad-Gita
in de leringen over karmayoga, de yoga van het handelen, en
van karmasannyasayoga, de ‘verzaking van handelen’,
wat wil zeggen het verzaken van de persoonlijke vruchten van het handelen
of onthechting van zelfzuchtige motieven. Door het vervullen
van plicht, zegt de Gita, ‘merkt hij die volmaakt is
in toewijding [yoga] na verloop van tijd dat geestelijke kennis spontaan
in hem opwelt, in het zelf (en uit het Zelf)’ (4:38).
Onze heilige instructies liggen inderdaad binnenin ons, afgedrukt op
het weefsel van onze ziel. Daarom hebben we geen specifieke mondelinge
of schriftelijke orders van de goden of van de meesters nodig, omdat
ons karma zelfs in de moeilijkste omstandigheden tot ons komt met een
vracht aan innerlijke en uiterlijke aanwijzingen en hulp die we nodig
hebben om iedere situatie om te zetten in een scheppende kans. En dit
is precies wat William Q. Judge heeft gedaan — door middel van
zijn geschriften, zijn gesproken woord, en een leven gebaseerd op een
diep vertrouwen in karma en de heilzame doelstellingen van de goddelijke
wijsheid.