William Q. Judge over karma*
W.T.S. Thackara

 

*Lezing gehouden op een bijeenkomst ter gelegenheid van de honderdste sterfdag van William Q. Judge in het Theosophical Library Center te Altadena, California, op vrijdag 22 maart 1996.

 

Als we nadenken over de rijkgeschakeerde bijdragen van W.Q. Judge aan het verbeteren van de toestand waarin de mens verkeert, treedt misschien als het belangrijkste naar voren zijn streven om theosofische beginselen begrijpelijk, toegankelijk en in ons dagelijks leven praktisch toepasbaar te maken. Een van zijn geliefde thema’s was karma: we oogsten wat we op de akker van ervaring zaaien. Karma is de ethische wet van oorzaak en gevolg en van onpartijdige gerechtigheid — van compensatie, van de aanpassing van de gevolgen aan hun oorzaken, die onfeilbaar de harmonie en het evenwicht herstelt — en vormt de grondslag van de Gulden Regel. Samen met de bijbehorende leer van reïncarnatie werd karma door Judge vaak genoemd als het belangrijkste en verlossing schenkende denkbeeld van de theosofie. Dat inzicht in karma onontbeerlijk is om de grote en kleine levensproblemen aan te pakken, blijkt uit een brief aan W.Q.J. die enige tijd na het overlijden van H.P. Blavatsky van hun ingewijde helper en leraar werd ontvangen. Deze bevat niet alleen heel goede raad, maar ook een filosofische leer over karma die een belangrijke sleutel geeft voor het in praktijk brengen van de theosofie. Het gaat om de volgende regels:

Dappere soldaten hebben orders noch voortdurende aanmoediging nodig. Volg de regels die langgeleden zijn opgesteld en ‘we zullen uitzien naar resultaten’. Zoals door mij in de G.L. [De Geheime Leer] is gezegd ‘atma is karma’, dus zullen alle resultaten die voortvloeien uit wat we oprecht doen, goed zijn, zolang we maar niet aan die resultaten zijn gehecht. . . . Wees wijs en voorzichtig, en verwacht niets, want dit is een tijdperk van duisternis. [Je] kunt niet genoeg op je hoede zijn. . . . Je zult zaden moeten zaaien. Schenk daar al je aandacht aan en forceer de groei niet. . . .
        – The Theosophical Forum, oktober 1947, blz. 577

Hoewel deze regels aan Judge persoonlijk zijn gericht en specifiek betrekking hadden op de zware eisen waaraan hij toen als leider van de beweging moest voldoen, hebben ze ons ook nu veel te bieden. De drie woorden waar het volgens mij allemaal om draait zijn: ‘atma is karma’. Uit dat korte zinnetje vloeit al het overige voort.

Atma (of atman) is een Sanskrietterm die betrekking heeft op ons hoogste zelf, onze goddelijke vonk, de monadische bron, oorsprong en schepper van ons wezen. Vandaar het vaak herhaalde gezegde dat ‘wij ons eigen karma zijn’. Uiterlijk vertegenwoordigen we het resultaat of totaal van onze gedachten en daden dat zich op ieder moment tot uitdrukking kan brengen. Daarachter ligt het nog niet uitgewerkte karma dat door ons in dit of voorgaande levens is geschapen en wacht om in de toekomst tot uitdrukking te komen.

Maar omdat de uiteindelijke bron van karma ons hoogste goddelijke Zelf, de god in ons is, kunnen we ook concluderen dat achter al het karma dat we persoonlijk hebben geschapen het totaal van ons evolutionaire potentieel staat dat zowel oneindige wijsheid als grenzeloos mededogen omvat. Een andere manier om dit te zeggen is dat ons karma niet alleen maar een koude, blinde mechanische actie en reactie is, maar op een intelligente manier wordt geregeld en ingegeven door meedogende geestelijke hulp, zelfs tot in de kleinste gebeurtenissen in ons leven — eenvoudig omdat het heelal bestaat voor het welzijn en ten goede van alle levende wezens. Niettemin is het ons karma dat ons bereikt en geheel en al ons toebehoort. Daarom is het ons geboden ons werkelijke Zelf te kennen. Nogmaals: ‘atma is karma, dus alle resultaten die voortvloeien uit wat we oprecht doen, zullen goed zijn — zolang we niet aan die resultaten zijn gehecht’.

Om ons te helpen deze dynamiek te begrijpen, gebruikte Judge de omschrijving ‘karmisch weerstandsvermogen’, die hij in verband bracht met het christelijke denkbeeld van het vergaren van schatten in de hemel (Echoes of the Orient 2:427). Omdat we de neiging hebben ons karma persoonlijk op te vatten — ‘mijn karma’ en ‘jouw karma’, wat de indruk wekt dat ze volkomen verschillend en afgescheiden zijn — wees Judge op nog drie soorten karma die als factoren ook in de beschouwing moeten worden betrokken: familiekarma, ras- of nationaal karma, en het karma van de tijd waarin we nu leven. Door ons individuele en collectieve handelen hebben we zogezegd een voorraad karmische kracht aangelegd van zowel positieve als negatieve aard, die iedereen en alles sterk en onverbiddelijk beïnvloedt. We zijn daarom een deel van, worden getroffen door, en zijn tot op zekere hoogte verantwoordelijk voor alles wat binnen de kring van onze ervaring komt — het goede zowel als het slechte, en het aangename zowel als het onaangename.

Om ons te helpen het denkbeeld van ons vervlochten collectieve karma te begrijpen, illustreerde Judge een aspect ervan met het verhaal van een oosterse koning die één zoon had:

‘En die zoon verrichtte een daad waarvoor hij als straf zou worden gedood door een grote steen die op hem werd geworpen. Maar omdat men inzag dat dit het kwaad niet zou opheffen noch de overtreder de kans zou geven een beter mens te worden, adviseerden de raadslieden van de koning de steen in kleine stukjes te breken en die naar de zoon, zijn kinderen en kleinkinderen te werpen, omdat ze dat zouden kunnen doorstaan. Zo gebeurde het, en zij allen leden enigszins en toch werd niemand vernietigd.’ In dit geval ging men er natuurlijk vanuit dat de kinderen en kleinkinderen niet in het gezin van de vorst konden zijn geboren als ze in het verleden, in andere levens, niet de hand hadden gehad in de vorming van zijn karakter en daarom tot op zekere hoogte in zijn straf moesten delen.
          – ‘Thoughts on Karma’ [Gedachten over karma], The Path, augustus 1892 (Echoes 1:258)

Dezelfde redenering is van toepassing op onze goede daden, die vermoedelijk opwegen tegen onze zonden en tekortkomingen. Als ‘atma karma is’, volgt hieruit dat ons karma voortvloeit uit en wordt gereguleerd door ons hoogste zelf — wat niet wil zeggen dat we het tot uiting komen ervan niet zouden kunnen wijzigen door ‘ogenblikkelijk karma’ op het persoonlijke vlak te scheppen. We kunnen er echter op vertrouwen dat, wanneer we onze dagelijkse plichten naar beste vermogen vervullen, de hele evolutionaire kracht van het heelal achter ons staat, waarbij deze ons aanspoort en naar steeds hoger voert, wegwijzers en hulpmiddelen biedt, en ons in zekere zin beschermt — zolang we maar niet aan de resultaten zijn gehecht. Dit komt ook naar voren in de Bhagavad-Gita in de leringen over karmayoga, de yoga van het handelen, en van karmasannyasayoga, de ‘verzaking van handelen’, wat wil zeggen het verzaken van de persoonlijke vruchten van het handelen of onthechting van zelfzuchtige motieven. Door het vervullen van plicht, zegt de Gita, ‘merkt hij die volmaakt is in toewijding [yoga] na verloop van tijd dat geestelijke kennis spontaan in hem opwelt, in het zelf (en uit het Zelf)’ (4:38).

Onze heilige instructies liggen inderdaad binnenin ons, afgedrukt op het weefsel van onze ziel. Daarom hebben we geen specifieke mondelinge of schriftelijke orders van de goden of van de meesters nodig, omdat ons karma zelfs in de moeilijkste omstandigheden tot ons komt met een vracht aan innerlijke en uiterlijke aanwijzingen en hulp die we nodig hebben om iedere situatie om te zetten in een scheppende kans. En dit is precies wat William Q. Judge heeft gedaan — door middel van zijn geschriften, zijn gesproken woord, en een leven gebaseerd op een diep vertrouwen in karma en de heilzame doelstellingen van de goddelijke wijsheid.

 
Andere artikelen over karma, vrije wil, lot
 

Uit het tijdschrift Sunrise mei/juni 1997

© 1997 Theosophical University Press Agency