Leid mij van het onwerkelijke naar het werkelijke.
Leid mij van duisternis naar licht.
Leid mij van de dood naar onsterfelijkheid.
– Brihadaranyaka Upanishad
1.3.38
Er is een pad waarnaar telkens weer in oude geschriften en door wijzen
wordt verwezen, waarlangs we naar hogere werelden kunnen reizen, waardoor
we schitterende dingen zouden kunnen bereiken, en waardoor we misschien
God bereiken, wat ook onze persoonlijke opvatting over zo’n wezen
is. Er wordt gezegd dat het pad niet kort en duidelijk is maar een lange
en kronkelige weg die we moeten ontdekken en tot het einde moeten gaan.
Het is vol tegenwerking, moeilijk te begaan, en schijnt steil en doornig
te zijn. Waar kunnen we dit pad vinden dat vol gevaar belooft te zijn,
maar waarlangs we willen reizen op zoek naar het beloofde goud aan het
einde ervan? Waar moeten we naartoe en wie moeten we behagen of tevredenstellen?
Meesters van wijsheid hebben de mensheid de hele geschiedenis door
geleerd dat dit pad verborgen is en dat we voortdurend moeten zoeken
om het te vinden, hoewel het ons heel nabij is. Terwijl we uitzien naar
uiterlijke wegen om ons dichterbij het goddelijke te brengen, worden
we vaak misleid door al die wereldse stimulansen die zo verheffend lijken.
Fysieke en psychische extase en bedwelming spelen hun spel met ons,
en schijnen ons naar een andere wereld te voeren waar alles schitterend
is, ver van de ellende van onze wereld. Maar het pad is veel dichterbij
dan welke uiterlijk teweeggebrachte vrolijkheid ook. Het wordt niet
gevonden in vreemde landen, noch hoog op een berg, noch gehuld in enig
uiterlijk kleed; het ligt daar niet te wachten tot we het vinden. Het
is dichterbij dan elke weg die we vóór ons zien, omdat
het binnenin ieder van ons is: het pad is in ons.
De geheime plaats waarover in zoveel oude religieuze geschriften wordt
gesproken, ligt in feite in de binnenkamers van ons hart — niet
het fysieke hart, maar de zetel van licht in ieder van ons — daar
is het pad dat leidt naar de kern van het heelal. Het pad is daar altijd,
waarheen we ook gaan, waar we ook zijn. Dit pad in ons kan ons naar
hogere wegen voeren, naar hogere werelden, naar een meer meedogende
manier van leven. Alles ontwikkelt zich van binnenuit, een evolutie
van innerlijke kwaliteiten die in ons leven naar buiten komen.
Tegelijk roept dit pad, dat wordt overwoekerd door de wirwar van het
aardse bestaan, het beeld op van angstaanjagende vijanden die we moeten
ontmoeten en met wie we moeten afrekenen als we de top willen bereiken.
Het zijn echter geen zichtbare tegenstanders, geen vijanden van buitenaf,
maar betreffen een tegenstand van binnenuit: tegenwerkende krachten
en verlangens die uit onszelf komen. De lange strijd tussen onze lagere
en hogere natuur is een echo van de eeuwige dualiteit in het heelal.
Elke keer dat we een stap zetten, splitst de weg zich voor ons. Het
is als de keuze tussen het pad van de pratyekaboeddha en het pad van
de boeddha van mededogen. De pratyekaboeddha streeft persoonlijke verlossing
na, terwijl de boeddha van mededogen in de eerste plaats de verlichting
van de mensheid nastreeft. Er zijn dus zelfs paden binnen het
pad naarbinnen. We scheppen letterlijk onszelf door de kleine keuzes
die we ieder moment van ons leven maken — een altijd maar doorgaand
dit of dat, omhoog of omlaag, naarbinnen of naarbuiten.
Als we reizen langs dit innerlijke pad moeten we op onze hoede zijn
voor de gevaren onderweg, maar niet bang ervoor, want wijzelf hebben
die obstakels daar in dit of in een vorig leven geplaatst. ‘Het
is niet ‘vrees voor God’ die ‘het begin van wijsheid’
is, maar kennis van dat ZELF dat WIJSHEID
ZELF is’, heeft H.P. Blavatsky uitgelegd.1
Ingeworteld in dat deel van ons dat zich opnieuw belichaamt liggen de
latente gevolgen van oorzaken die we in beweging hebben gezet. Deze
gevolgen worden ondergaan door de persoonlijkheid die we in ieder nieuw
leven aannemen. De oorzaken die we in beweging zettten keren tot ons
terug, soms als bekende vrienden die keer op keer verschijnen, tot we
de meedogende weg van handelen herkennen en het kosmische evenwicht
herstellen. Het pad, hoewel steil en vol gevaar, is zowel meedogend
als verlichtend voor hen die onzelfzuchtig blijven. Als we deze karmische
vingerwijzing volgen, verkrijgen we een ongekende levenswijsheid. Blavatsky
zei: ‘Help de natuur en werk met haar mee; en de natuur zal u
als een van haar scheppers beschouwen en voor u buigen.’2
Hoe vinden we dit pad binnenin ons en volgen we zijn kronkelige weg?
‘Niemand kan groeien in de ware geestelijke zin, tenzij hij zoveel
heeft geleden dat zijn hart en zijn denken zijn afgestemd op het leed
in de wereld’, zei Katherine Tingley, en ze voegde eraan toe dat
‘liefde de grootste kracht is in de wereld en discipline de magische
talisman. Met liefde in ons hart en met zelfdiscipline zijn we op het
pad dat leidt naar de relatieve vervolmaking van de mens.’ De
sleutel is dus liefde — niet persoonlijke, zelfzuchtige, sensuele
of sexuele liefde, maar wijze, onzelfzuchtige liefde voor de hele mensheid,
ja voor alle wezens, zoals de Boeddha heeft onderwezen.
Dus liefde is de sleutel en opent de weg. Wanneer de poort is geopend,
zien we een perspectief vóór ons dat ons wenkt verder
te gaan. En we zullen verdergaan, een ieder op zijn eigen tijd, want
dit is de weg die elk van ons uiteindelijk zal moeten volgen. Het is
niet door een of ander middel of vermogen dat we de weg vóór
ons onmiddellijk zien. Ons hele wezen moet op dit verheven doel worden
afgestemd. G. de Purucker zegt:
Het occultisme zet uiteen wat de essentie, de kwintessens
van de waarheid of werkelijkheid is. Het kan niet met alleen het hogere
denkvermogen worden bestudeerd, ook kan het niet worden bestudeerd
met alleen die andere vermogens in de mens, die hij in het algemeen
onder ‘gevoelens’ rangschikt. Maar het moet als een geheel
worden bestudeerd, en het beantwoordt volledig aan alle eisen van
de gehele geestelijke en psychische samengestelde aard van de mens,
en is daarom volkomen en in alle opzichten bevredigend. Het verschaft
de mens niet alleen een grondslag voor het edelste ethische stelsel
dat de wereld kent, maar beschrijft voor hem ook wat ethiek is en
waarop ze berust en waartoe de nodige en volmaakte beoefening ervan
leidt. En dat is, zo wordt ons gezegd, langs het oude smalle pad waarover
de Upanishads spreken . . .
– Beginselen van de Esoterische
Filosofie, blz. 490
Als we dat eenmaal gaan betreden en verantwoordelijk worden, vinden
we het moeilijk terug te keren en op onze oude manier te leven. Als
ons motief — het verlangen om het bewustzijn van de hele
mensheid te verheffen — zuiver is, gaan we verder, en plaatsen
we de ene voet voor de andere, en gaan langzaam en vastberaden vooruit,
tot het einde toe. En wat is dat einde? De Purucker vertelt ons dat
zij die dit pad volgen
tenslotte rechtstreeks in verbinding en dialoog komen
met de alwijze en rustig beschouwende goden, want dat pad voert ons
rechtstreeks . . . naar die geestelijke, bovengeestelijke en goddelijke
regionen waar zich de kern van het wezen van elk van ons bevindt.
– Ibid.
Dus het pad naarbinnen is hetzelfde voor ons allen, maar toch voor
ieder uniek. Een laatste gedachte over dit zelfgeleide pad is van zenmeester
Basho als hij zegt: ‘Probeer niet in het voetspoor van mensen
uit het verleden te treden; zoek wat ook zij zochten.’
Verwijzingen
- Studies in Occultism, blz. 9.
- De Stem
van de Stilte, Fragment I.