Trekvogels
Gertrude W. van Pelt

 

Voor het kiezelsteentje dat op het strand ligt, zijn alle andere steentjes, die rusten onder het beweeglijke, ondoorzichtige oppervlak van de oceaan, dood. Zij zijn verborgen in een andere wereld, waarvan de geheimen besloten liggen in de duisternis van donkere wateren. En voor die andere, die vredig rusten op het vochtige bed van moeder aarde en door de zachte hand van de getijden worden gewiegd, zijn hun broeders buiten in de open lucht, ook dood. De eeuwige bewegingen van wind en golven doen hen van plaats verwisselen, maar geen enkele kan de overheersende invloed van het nu weerstaan. Zo mag het zijn voor de steentjes; maar de mens draagt, verborgen in zijn hart, voor altijd de kennis van wat zich aan beide zijden van de oever bevindt.
     Over het oppervlak van de aarde komen en gaan de bladeren en bloemen. De naakte takken in de winter verraden niets van de schoonheid die in hen verborgen ligt. Dan komt het wonder van de lente, die de onzichtbare wereld onthult die deze wereld, de buitenste schil van de werelden, voedt. Wat kan duidelijker zijn? De dieren verschijnen, verdwijnen, en komen weer, en ook wij volgen deze gewoonte die zoveel eeuwigheden terug werd gevormd. Als trekvogels zijn we nu hier, dan daar, worden begroet door onze lotgenoten, en worden dan hier niet meer gezien door hen die blijven. Hele rassen verschijnen en schrijven geschiedenis in letters van goud of bloed, verdwijnen weer, en laten misschien slechts een wildernis achter om te getuigen van hun grootheid, of enkele gedegenereerde nakomelingen als teken van hun falen.
     Eeuwen later zien we misschien een nieuw en fris land, dichtbevolkt en gonzend van energie, dat aan een oud verdwenen ras herinnert, en we zeggen: ‘wat was, komt weer; er is niets nieuws onder de zon.’ Maar niet iedereen beseft dat het niet het ras is, dat nieuw is. Hele werelddelen dragen rassen vol bruisend leven; dan verdwijnen ze weer alsof ze nooit hadden bestaan. En nieuwe landen, eeuwenlang overspoeld door de zuiverende wateren, rijzen elders omhoog om de zielen te ontvangen die op hen wachten.
     Overal coördinatie, zoals slechts mogelijk is als alles tot één groot organisme behoort dat in al zijn delen bewust is. Elke eenheid is onderdeel van het geheel, en is dat continu. Vormen, en al wat er uiterlijk mee verband houdt, veranderen. Zoals de golven van de oceaan terug ebben en weer aanrollen; zoals het hart van ieder schepsel samentrekt en rust, zo is het levensritme in het grote en het kleine en laat het nooit afweten. Alles wordt uitgeademd tot activiteit, alles keert terug in de stilte. Toch is alles er altijd en kan net zo min ophouden een eeuwig deel te vormen van dat grotere kosmische proces, als iemand kan zeggen: ‘Ik wil niet langer onderworpen zijn aan de wet van de zwaartekracht.’
     Wat onszelf betreft, het is de stilte die ons verbijstert. Die lijkt zo diep en eindeloos; zij die daarin zijn teruggetrokken, zo ver weg, zijn blijvend gescheiden van ogen die gewend zijn intens te dwalen over de buitenkant van het leven, ogen die nog niet hebben geleerd naar binnen te zien om de verborgen bedoeling ervan te doorgronden. Maar zelfs als we naar buiten zien, mits we dat goed doen, blijkt dat dit mysterie zo luid wordt verkondigd, dat het boven al het lawaai van mindere geluiden kan worden gehoord en dat het in zo forse letters staat geschreven dat het vaak verloren gaat zoals de grote letters op een kaart verloren gaan in een doolhof van kleinere woorden en overvloedige details.
     Het korte leven van de ziel op aarde en haar schijnbare vertrek, zo raadselachtig voor ons die voor een ogenblik aan de oever staan, maar zo klaar door de onvermijdelijke feiten van het leven, zijn niet anders dan de alomtegenwoordige eb en vloed. Het is reïncarnatie, de grote polsslag van het menselijk leven. Eerst verscheen deze gedachte als een vreemdeling in het moderne denken van het westen, maar eenmaal binnen, werd hij snel herkend als een oude vriend, een verloren sleutel tot doeltreffend denken. Het is als de x in de algebra; bepaal zijn waarde en elk probleem wordt opgelost en alle puzzelstukjes passen in elkaar.
     We zijn inderdaad trekvogels, en met ons komen en gaan wordt de reis meer en meer vertrouwd, de sluier dunner en dunner, tot hij tenslotte oplost en de dood is overwonnen. Dat is de grote overwinning, het doel, wanneer er tussen de twee werelden geen sluier is en het bewustzijn zich op natuurlijke wijze beweegt van de ene naar de andere. Het is Leven, overal en altijd.

 

Uit het tijdschrift Sunrise mei/juni 1997

© 1997 Theosophical University Press Agency