De levende geest van het oude Griekenland – Een briefwisseling
Jim Belderis en Valia Maheras

 

[De volgende uittreksels uit een briefwisseling tussen een lid van onze redactionele staf, Jim Belderis, en zijn nicht in Griekenland, Valia Maheras, laten zien hoe bij mensen de filosofie van de Ouden een bezielend element kan zijn in hun dagelijkse spiritualiteit – Red.]


Thessalonica, 20 september 1995
Beste Jim,
     Deze zomer is me iets heel moois overkomen. De ogen van mijn ziel zijn opengegaan! Mijn man komt uit een stad in de bergen waar een nogal zware aardbeving had plaatsgevonden, en veel gebouwen waren verwoest. We gingen erheen om zijn vrienden en familieleden te helpen. En we gingen een betoverde wereld binnen. Kleine dorpjes met stenen huizen, oude ruïnes, een prachtige natuur – maar het meest inspirerende van alles waren de mensen. Ze waren warm, vriendelijk en optimistisch. En ik kreeg het gevoel dat ik daar thuishoorde. Ik had het gevoel dat ik er eerder had gewoond en mijn hart daar had achtergelaten, en het na al die tijd daar weer had teruggevonden. Ik weet nu dat dit de manier is waarop ik wil leven, en dingen doen die betekenis hebben, dingen die werkelijk belangrijk zijn voor mensen en voor de natuur. Maar elke keer dat ik deze dingen met mijn vrienden in de stad bespreek, krijg ik de indruk dat ze denken dat ik naïef ben, en proberen ze hún manier van leven te verdedigen.


Pasadena, 4 november 1995
Beste Valia,
     Ik werd vooral getroffen door je beschrijving van de mensen die je ging helpen, en hoe ze tenslotte jou hielpen. Er is iets heel dieps in ons dat ons allen verbindt. Het is dit diepere deel van ons dat ons warm en vriendelijk maakt tegenover onze medemensen. Het is ook dat deel van ons dat de ‘atmosfeer’ van mensen en plaatsen aanvoelt. Natuurlijk houden de meeste mensen zich niet met deze zaken bezig en zouden ze aan de werkelijkheid ervan twijfelen. Dit is de boodschap van de parabel van Plato over de grot: de meeste mensen zien niet werkelijk het licht omdat ze altijd in de schaduwen van hun geest hebben gewoond. Denk er eens aan hoe het zou zijn als we ons hele leven in een grot zouden wonen en nog nooit het echte licht hadden gezien. We zouden bang zijn om die te verlaten. Daarom beschrijft Plato iemand die de moed had om een weg te vinden uit de grot, hoewel al zijn vrienden hun twijfels hadden. Als hij tenslotte naar buiten komt en het werkelijke licht ziet, is dat zo mooi dat hij zich daar voor altijd in wil baden. Maar hij heeft mededogen met hen die nog in de schaduwen leven, en hij realiseert zich dat hij terug moet gaan om ze te helpen een weg naar buiten te vinden. Als hij terugkeert naar de grot, blijft hij met zijn hart in het ware licht, en niemand gelooft hem als hij het licht beschrijft. Wat zouden wij kunnen doen, als we ons in zijn positie zouden bevinden? Wel, we zouden een andere manier kunnen bedenken om de mensen te vertellen dat er een andere, veel belangrijker werkelijkheid bestaat: we zouden kunnen leren om zelf in het licht te leven. Dan kunnen de mensen die we in ons dagelijks leven thuis en op het werk ontmoeten het licht in onze ogen zien, het licht in ons hart voelen, en weten ze dat we proberen de wereld op een andere manier te zien.


Thessalonica, 9 december 1995
Beste Jim,
     Ik was diep geroerd door je beschrijving van Plato’s grot. Dit zijn dingen die voor mij moeilijk onder woorden zijn te brengen. Als ik de teksten van de Ouden lees heb ik een gevoel van vervulling, van tevredenheid en van geestelijke vreugde. Er zijn zoveel geschriften van filosofen, geschiedkundigen en lyrici, en ook van natuurkundigen, wiskundigen, astronomen en ingenieurs, die met zo’n volmaaktheid en rijkdom van uitdrukkingen schrijven over alle wonderen van de kosmos, zowel esoterisch als exoterisch. Ik heb het gevoel dat er in die tijd iets magisch gebeurde in dit kleine hoekje van de wereld, dat de schitterende ideeën van de toekomst hier in Griekenlands verleden werden geïntegreerd, en dat dit wonder zich over de hele wereld heeft verspreid en we vandaag overal de zaden ervan ontdekken. Ik had het grote geluk enkele heel mooie denkbeelden van mijn professoren aan de universiteit te horen. Maar in feite kunnen we maar één idee meenemen uit deze hele schat aan gedachten. Het is zoals je schreef: alsof we het Licht hebben gezien en we het, wat er ook met ons gebeurt, steeds met ons zullen meedragen. Het is een gave die we met elkaar gemeen hebben, en die niemand ons kan ontnemen, zoiets als een klein zaadje dat in ons ontkiemt en groeit en zijn wortels ontvouwt, en deze naar overal om ons heen uitstrekt.


Pasadena, 9 januari 1996
Beste Valia,
     Het is inderdaad een prachtige ervaring om gedachten over het innerlijke leven uit te wisselen. Het versterkt de idee dat ons ware wezen heel diep is en we door onzichtbare banden met elkaar zijn verbonden. Misschien is de meest wezenlijke behoefte van een mens om voortdurend te worden herinnerd aan onze nauwe onderlinge verbondenheid. Dat moet de reden zijn waarom we zoveel eerbied voor de filosofen uit de oudheid hebben die daar met zoveel overtuiging over schreven. Ik voel me vooral tot de eenvoud van Socrates aangetrokken die ons zei dat filosofie begint wanneer we aan onze vaste manier van denken gaan twijfelen, en iemand zich de vraag stelt ‘Wat bedoel ik met ‘mijzelf’?’, ‘Hoe kan ik weten wat goed is voor mijzelf?’ Ik heb me lang afgevraagd waarom Socrates geen aanspraak op wijsheid maakte – het enige wat hij verkondigde was dat hij die met liefde zocht. Maar terwijl ik dit schrijf heb ik het gevoel dat ware wijsheid niet iets is dat iemand heeft. Wijsheid is juist het proces van het overal zoeken naar waarheid – en die met liefde te zoeken. Op die manier leven we een leven van toegenegenheid, hebben we zorg voor ieder persoon en ieder moment, en staat ons denken open voor een bijzonder soort creativiteit: we geven vorm aan onze gedachten en daden zodat ze in harmonie werken met de natuur en met onze medemensen. Men kan dit natuurlijk niet elk moment doen. Het denken is vol ongerustheid, verwachting en teleurstelling, en we ruilen onze zorg voor wat er bezig is te gebeurten in voor de illusies van ons denken. Het beste wat we kunnen doen, is rustig terug te keren naar een open geest en met een zorgzaam hart, iedere keer weer. Ik geloof dat deze openheid en zorg het Licht is. We dragen het altijd in ons, en als we het met anderen delen, maakt het hun leven lichter. Het schijnt op de donkere zaden van het Licht in hen en wekt die tot nieuw leven.

 

Uit het tijdschrift Sunrise mrt/april 1997

© 1997 Theosophical University Press Agency