Na zestien eeuwen lijkt het leven en het werk van keizer Julianus nog
even nabij als gisteren, even werkelijk als vandaag, en niet zonder
reden. In de geschiedenis wordt Julianus vooral vermeld als ‘de
apostaat’ (een afvallige van het christendom) – een benaming
waardoor hij bij de generaties na hem in een ongunstig licht is komen
te staan en men geen oog had voor zijn duidelijke genialiteit, zijn
opmerkelijke loopbaan en, als allerbelangrijkste, de opdracht die hij
probeerde te vervullen en waar hij tijdens zijn korte en tragische bewind
op zo briljant wijze een begin mee maakte.
Hij kwam in een tijd (331 - 363 n.Chr.) dat de oude tempeldienst van
de Helleense volken, die zich over de Romeinse wereld had verspreid,
in een toestand van verval was en feitelijk de doodsteek had ontvangen
door het optreden van Constantijn de Grote, die persoonlijk het christendom
had omhelsd en deze daardoor praktisch tot staatsgodsdienst had gemaakt.
De jonge christelijke kerk was in die tijd op haar beurt echter een
broeinest van verbitterde interne strijd over moeilijke leerstellige
kwesties, in een poging haar dogma’s vast te stellen. De kerk
was, in plaats van de geest van toewijding te weerspiegelen van veel
oorspronkelijke christenen, een in hoge mate politieke macht geworden,
want Constantijn had de priesters talrijke belastingvrijstellingen en
bijzondere voorrechten verleend. Het was kortom het einde van een tijdperk,
en het was onzeker naar welke kant in de toekomst in de westerse wereld
de weegschaal zou doorslaan. Het ging om twee beginselen: aan de ene
kant was er de erkenning van het recht op volledige vrijheid van godsdienst
voor iedereen – dit was wat Julianus afkondigde. Aan de andere
kant was er een religieus priesterschap dat een leer vaststelde en die
dan aan onafhankelijk denkende mensen probeerde op te leggen.
De enige hoop voor het westen om gespaard te blijven voor een lange
periode van geestelijke verduistering leek te liggen in het neoplatonisme
en de ermee samenhangende mithraïsche leringen, die de filosofie
van Pythagoras en Plato en tot op zekere hoogte de wijsheid van de mysteriescholen
levend hielden. Het is voor ons nu, in deze tijd van vrijmoedigheid
en vrijheid van denken, misschien gemakkelijker om het werk van Julianus
te zien als een laatste poging om ‘de steeds toenemende domme
bijgelovigheid en het blinde geloof van die tijd een halt toe
te roepen’, vóór de duistere Middeleeuwen Europa
zouden overspoelen.1 Dit was de stand van
zaken toen Julianus de macht in het keizerrijk overnam.
De voorbereiding voor wat zijn bestemming zou worden, was ongewoon
geweest. Het had er bijna op geleken, zoals hijzelf geloofde, dat de
waakzame goden hem hun bescherming hadden gegeven. Als jongetje van
zes had hij met een oudere halfbroer de massale afslachting van zijn
familie overleeft die gebeurde na de dood van zijn oom, Constantijn
de Grote, en de opvolging op de keizerlijke troon door zijn neef Constantius
in 337 n.Chr. De beide prinsen, die angstig en verbijsterd waren (sommige
historici hebben gezegd dat Julianus die schok uit zijn kinderjaren
nooit helemaal te boven is gekomen), werden naar afgelegen streken van
het keizerrijk weggevoerd en daar opgevoed zonder de behandeling die
hen als prinsen toekwam. De leraren die met hun opvoeding waren belast
gaven aan hun religieuze opleiding een christelijk tintje. Maar dezelfde
voorzienigheid die hen het leven had gered, lijkt ook een hand te hebben
gehad in hun opleiding, want Julianus had als leermeester de geleerde
familieslaaf Mardonius die de leraar was geweest van zijn adellijke
moeder Basilina. Ze was kort na de geboorte van Julianus overleden.
Onder leiding van Mardonius bestudeerde de prins de heldendichten van
Homerus en de klassieke kosmogonieën van Hesiodus; ook gaf Mardonius
onderricht in de houding en training van een zoeker naar waarheid. Dit
wekte bij Julianus een blijvende liefde voor filosofie. Toen hij, bijna
volwassen, meer vrijheid kreeg om te reizen, en in Constantinopel, Nicomedia,
Pergamum, Athene en andere centra van wetenschap kon gaan studeren,
zette hij zijn werk voort met het enthousiasme van iemand die geen grotere
ambitie heeft dan de weg van de filosoof te gaan. Niettemin liet Constantius
hem altijd bewaken, vooral tijdens een periode van zeven maanden in
Milaan in 354 toen het leven van Julianus in reëel gevaar was door
de intriges van vijandige krachten aan het hof. Op dat moment werd keizerin
Eusebia, de vrouw van Constantius, zijn beschermvrouwe en steun, zodat
Julianus in plaats van ter dood te worden veroordeeld naar Athene werd
verbannen, waar hij maar al te graag zijn academische studies hervatte.
Eigenlijk waren die maanden in Athene de gelukkigste van zijn leven.
Vrienden uit die tijd hebben aantekeningen nagelaten over de genegenheid
die al zijn medestudenten voor hem hadden; zij en ook zijn leraren waren
gecharmeerd van ‘zijn zachtaardige en innemende manieren’
(Gibbon), en ook van zijn onmiskenbare talent voor het zoeken naar kennis.
Waarschijnlijk in deze periode werd Julianus ingewijd in de Eleusinische
en ook de Mithraïsche mysteriën, al was hij altijd heel terughoudend
over deze dingen.
De onderbreking in Athene zou echter maar van korte duur zijn. Na ongeveer
zes maanden kwam er een einde aan toen Constantius Julianus vanwege
de spanningen in verband met de Perzische veldtocht weer naar Milaan
ontbood, deze keer om hem te benoemen tot caesar over het westen, waar
hij moest deelnemen aan de oorlog tegen de barbaren in Gallië.
Hij nam deze nieuwe plichten met schroom op zich, want hij had geen
training of ervaring in militaire zaken; maar met een voor hem kenmerkende
vastberadenheid begon hij strategie en krijgskunst te studeren. Het
resultaat was dat hij tenslotte het opperbevel over de Romeinse legioenen
in Gallië kreeg; en in een reeks snelle veldtochten veegde hij
de grensstreken schoon. Vervolgens richtte hij zijn aandacht op bestuurszaken,
en maakte een einde aan de ambtelijke corruptie die de mensen door buitensporig
hoge belastingen uitzoog en hun geld aan onnodige uitgaven verspilde.
Zo schiep hij in Gallië een toestand van orde en bloei.
Deskundigen zijn het erover eens dat Julianus als rechtvaardig en humaan
heerser erg geliefd was, door zijn troepen werd aanbeden om zijn redelijkheid
en aandacht voor hun welzijn, en hun nooit vroeg iets te doen wat hijzelf
niet zou doen. Hun enthousiasme voor Julianus als bevelhebber, gevoegd
bij hun onvrede over de niet erg welkome eis van Constantius dat ze
hun gezin in Gallië zouden verlaten om hem in de Perzische veldtocht
bij te staan, leidde tot een opstand onder de soldaten die erin resulteerde
dat Julianus eenzijdig en zonder hoofdelijke stemming werd verkozen
tot de rang van Augustus – hoogste heerser over het wijdvertakte
Romeinse keizerrijk.
Voor het echter tot een treffen tussen de elkaar bestrijdende legers
kwam, overleed Constantius en zo begon de regeringsperiode van Julianus
die minder dan twintig maanden zou duren. Meer dan eens had hij laten
doorschemeren dat hem slechts een korte tijd vergund zou zijn en zodra
de ceremoniën voor Constantius naar behoren in acht waren genomen,
begon hij aan zijn hervormingen. Het herbouwen van de tempels was misschien
de eerste, tegelijk met het hervatten van de tempel-riten. Hij kondigde
zijn beroemde edict inzake godsdienstvrijheid af. Hij verzocht iedereen
die om geloofsredenen was verbannen, naar huis terug te keren, schafte
de bijzondere voorrechten en privileges van de christelijke bisschoppen
en priesters af en verbood hun het vrije gebruik van de openbare middelen
van vervoer. Zijn meest impopulaire besluit was misschien om christelijke
leraren te verbieden les te geven in de klassieke Griekse literatuur,
want hij was van mening dat een leerling niet de ware heroïsche
geest kon ontvangen als die leerling les kreeg van iemand die heimelijk
verwierp wat hij onderwees.
De oosterse pracht en praal van het keizerlijke paleis in Constantinopel,
dat krioelde van niets-uitvoerende klaplopers die leefden van de gemeenschapsgelden,
vervulde hem met afkeer en hij maakte daar een einde aan; in plaats
daarvan richtte hij een veel eenvoudiger huishouding in, terwijl hijzelf
zijn ascetische gewoonten voortzette en het eenvoudige kleed van de
filosoof droeg. Daarna volgde een herziening van het belastingstelsel
om de lasten van de armen te verlichten. Hij gaf ook de aanzet tot allerlei
nieuwe activiteiten die moesten leiden tot een wederopbloei van literatuur
en kunst en tot het versterken van de centra van wetenschap. ‘Als
er iets is dat onze liefderijke zorg verdient, is het de heilige muziekkunst’,
schreef hij aan Ecdicius, prefect van Egypte, en hij gaf hem opdracht
jongens met talent te selecteren die dan niet in hun eigen levensonderhoud
hoefden te voorzien en zich volledig in deze wetenschap konden bekwamen.
Al dadelijk in het begin benoemde Julianus een commissie van hoogstaande
mensen om op te treden tegen de corrupte adviseurs die Constantius hadden
omringd, en nodigde in hun plaats een groep filosofen uit om hem bij
te staan, van wie de meesten, zo niet allen, evenals hijzelf leerlingen
waren in de mysteriën, en die hem door hun bescherming en begrip
op bepaalde manieren bij zijn werk zouden kunnen helpen. Maximus de
Efeziër, die Julianus in de mysteriën had ingewijd, was een
van hen; verder Libanius de redekunstenaar, die in Nicomedia en Athene
zijn leraar was geweest; Oribasius de medicus, die alleen in kennis
en vaardigheid werd overtroffen door Galenus en die op uitnodiging van
Julianus een medische encyclopedie schreef; Priscus, die een grondige
kennis van filosofie had; Himerius, een sofist uit Athene bij wie Julianus
misschien heeft gestudeerd; Sallustius uit Gallië, een van de wijste
van zijn adviseurs; en Anatolius, een goede vriend van Julianus die
de hoogste post als Hoofd van de Ministeries kreeg. Deze mensen stonden
in zeker opzicht op gelijke voet met Julianus zelf en hij accepteerde
niet alleen hun advies, maar ook hun protesten en maanbrieven.
In de vierde eeuw verkeerde het christelijke priesterdom nog in een
pril stadium en was daarom niet in staat de strekking en omvang van
de opdracht van Julianus te begrijpen. Ze namen hem de veranderingen
in hun status hoogst kwalijk en begonnen een haatcampagne die tot op
de dag van vandaag voortduurt. Iemand die een compleet beeld wil schetsen
van de hervormingen van Julianus en van de leringen die zijn geschriften
bevatten, moet op zijn zoektocht naar een paar parels van waarheid door
een poel van vooroordelen en verkeerde voorstellingen waden. Hij zal
zich voor informatie hoofdzakelijk tot de teksten van christelijke geleerden
moeten wenden, en daar komt hij allerlei vormen van vooringenomenheid
tegen, van het venijn van Gregorius van Nazianza tot het terloopse en
beleefde ongeloof van latere vertalers en commentatoren, die wel eerlijk
waren maar toch nog steeds niet in staat om te zien dat er vele wegen
zijn die naar de waarheid leiden.
Gore Vidal wijst er in zijn bestseller Julian: A Novel uit
1962 op dat het leven van Julianus de verbeelding van romantici heeft
geprikkeld en aanleiding heeft gegeven tot verhalen en toneelstukken.
Volgens Vidal schreef zelfs Lorenzo de Medici over dit onderwerp een
toneelstuk2, en was het sombere drama van
Ibsen in diens tijd heel bekend. Ook in onze eeuw is een aantal romans
verschenen die zich op de figuur Julianus baseren, maar deze achteraf
verzonnen verhalen hebben voor een onderzoeker die probeert de draagwijdte
van Julianus’ werk te peilen, weinig waarde. Natuurlijk kan iedere
schrijver, met inbegrip van Gore Vidal zelf die er misschien het dichtste
bij komt van allemaal, alleen maar dat beeld van zijn onderwerp schetsen
dat uit zijn eigen zienswijzen en vermogens voortvloeit. Sommigen, zoals
Louis DeWohl, hebben zich schuldig gemaakt aan het verzinnen van een
verhaal dat van begin tot einde verloopt zoals de schrijver zich dat
wenste, en dat veel onrecht doet aan het werkelijke karakter van de
hoofdpersoon.
Wat de kwestie van zijn afvalligheid van het geloof betreft: verschillende
geschiedschrijvers betwijfelen of Julianus ooit een belijdend christen
is geweest, omdat zijn enige binding met het christendom dateert uit
de tijd dat hij als minderjarige onder voogdij stond; en zelfs in die
jaren is het duidelijk dat zijn echte liefde uitging naar de goden uit
de oudheid en naar de rechtschapenheid en kracht van de homerische helden.
Alleen in beperkte kring wordt Julianus nog als afvallige beschouwd.
In de meeste gevallen heeft men inmiddels deze kwalificatie losgelaten
omdat ze in onze tijd van intellectuele vrijheid niet meer past of van
kracht is. De Encyclopedia Americana (uitg. 1944) rekent er op korte
en bondige manier mee af als die het heeft over ‘Julianus de Afvallige,
die nooit een christen was, behalve in naam en onder dwang’.
Lasteraars hebben van Julianus gezegd dat als hij langer zou hebben
geleefd, hij eenvoudig een nieuwe kerk zou hebben gesticht met zichzelf
als hoofd, en dat zijn motieven louter persoonlijk waren. Maar kunnen
we niet op even goede gronden beweren beweren dat hij stappen deed om
een school te vestigen waar de neoplatonische filosofie centraal stond?
De grondslag voor zijn stelsel was ongetwijfeld al gelegd: namelijk
volstrekte geloofsvrijheid voor iedereen.
Julianus begon zijn regering in december 361 in Constantinopel. In
362 trof hij voorbereidingen voor een hervatting van de oorlog met de
Perzen en in maart van het volgende jaar trok hij ten strijde, en aanvankelijk
met succes; maar op 26 juni 363 werd hij in het heetst van de strijd
dodelijk verwond door een speer, naar men denkt van een christelijke
koningsmoordenaar. Zijn laatste uren, toen hij in zijn tent lag omringd
door de filosofen die zijn trouwe metgezellen waren geweest, zijn wel
vergeleken met de laatste uren van Socrates, want ze werden grotendeels
besteed aan filosofische en verheven gesprekken. Bij het aanbreken van
de dag, zo wordt verteld, vroeg hij te worden opgetild om de eerste
stralen van de opkomende zon te begroeten en ging hij heen, onder de
hoede van de grote Helios.3
En zo kwam aan de korte maar actieve regering van Julianus een einde,
maar door de stuwkracht die hij aan zijn hervormingen had gegeven, bleven
deze in de jaren daarna hun invloed uitoefenen. De geschiedenis beweert
echter dat tegen de zesde eeuw ‘het neoplatonisme triomfantelijk
was verpletterd en het vuur ervan gedoofd’. Maar was het echt
zo volledig verpletterd als de schijn het deed voorkomen? Het blijft
een feit dat er door de eeuwen heen in het westen steeds mensen zijn
geweest die, individueel en in groepen, geloofd hebben in de leerstellingen
van Pythagoras, Plato en Jamblichus. Ze werden vaak als ketters gebrandmerkt
en er werden pogingen gedaan om ze te vernietigen, maar de ideeën
die ze koesterden zijn blijven bestaan.
De enige betrouwbare manier om iemand naar waarde te schatten is zich
te wenden tot de geschriften van die persoon zelf; en in het geval van
Julianus zijn die vrij omvangrijk want hij was een productief schrijver
en correspondent, en een behoorlijke hoeveelheid van zijn werk is bewaard
gebleven. Hierin ligt een innerlijk bewijs dat hij een waar vertegenwoordiger
van de beschermers van het welzijn van de mensheid was. Als we het in
dit licht bezien, hadden de hervormingen van Julianus en de leringen
die hij aanbood de weg kunnen vrijmaken voor een verdere ontwikkeling
van de hogere vermogens van de mens.
Onder de werken die ons zijn overgeleverd, maakt Julianus’s ‘Betoog
tegen de Galileeërs’ overduidelijk deel uit van zijn pogingen
tot hervorming. Hij probeert daarin de christelijke leringen te interpreteren
in een meer universele zin en onderbouwt zijn beweringen waar nodig
met bijbelse citaten die hij zich herinnerde uit studies in zijn jeugd.
Zoals Wilmer Cave Wright echter zegt in zijn inleiding tot zijn vertaling:
‘We kunnen niet anders dan dit alles te zien door de ogen van
een vijandig gezinde afvallige.’ Zijn ‘Betoog tegen de Galileeërs’
zoals we dat nu kennen is een verminkte versie, omdat geestelijken en
kopiïsten zich de vrijheid veroorloofden die gedeelten weg te laten
waar ze zich bijzonder aan ergerden. Zowel Gregorius van Nazianza als
bisschop Cyrillus van Alexandrië, bijvoorbeeld, schreven felle
tegenaanvallen; toch, als we rustig lezen in wat er is overgebleven,
wekt dat niet een indruk van wrok, maar alleen van een verlangen om
te analyseren en tot de kern van de dingen door te dringen – een
gewoonte die Julianus zich in Athene had eigen gemaakt, want de Atheners
waren er dol op bij hun discussiëren over filosofische onderwerpen
tot in de details te gaan of, zoals we nu zouden zeggen, ‘de diepte
in’. Ze waren niet bang dat te doen; in feite verhelderde het
hun begrip zonder dat ook maar enigszins hun geloof werd verstoord in
de grondbeginselen die voor hen vanzelfsprekende waarheden waren. Dit
was natuurlijk precies het tegenovergestelde van wat in de christelijke
kerk gebruikelijk was, waarin vrijwel vanaf het begin personen die vragen
durfden te stellen of zelfstandig durfden na te denken als ketter werden
bestraft.
Laten we één voorbeeld bespreken om deze methode van
Julianus toe te lichten. Het heeft betrekking op Adam en Eva en het
eten van de verboden vrucht van de Boom van Kennis op aandrang van de
slang. Julianus vraagt:
Is het niet buitengewoon vreemd dat God de mensen
die hij had gemaakt het vermogen zou ontzeggen om het verschil te
kennen tussen goed en kwaad? . . . een kennis die het enige lijkt
te zijn dat samenhang in het denken van de mens kan brengen. . . God
weigerde de mens te laten proeven van de wijsheid, terwijl er toch
niets voor hem van meer waarde zou kunnen zijn . . . en daarom was
de slang eerder een weldoener voor de mansheid dan de vernietiger
ervan.
Julianus gebruikt deze en andere bijbelteksten om erop te wijzen dat
veel van zulke passages als allegorieën met een verborgen betekenis
moeten worden uitgelegd – een belangrijke sleutel, ook voor het
begrijpen van andere geschriften. Het vormt de meest kenmerkende gedachte
van het neoplatonisme, en is ontleend aan Plato en Pythagoras, en ook
aan Orpheus die door Julianus ‘de oudste van alle geïnspireerde
filosofen’ en ‘stichter van de heiligste van alle mysteriën’
wordt genoemd.
Noten
- Gaetano Negri: Julian, the Apostate, blz.
176-7.
- Op het hoogtepunt van de renaissance had Lorenzo de
Schitterende (1448-1492), die het werk van zijn grootvader Cosimo
de’ Medici (1389-1464) voortzette, aan zijn hof in Florence
niet alleen zijn beroemde school voor de herleving van de kunst, maar
ook die voor de studie van de filosofie van Plato.
- Andere verslagen (Amianus, enz.) vermelden middernacht
als het uur van de dood van Julianus, maar er zijn goede redenen om
de bovenstaande versie als de juiste te beschouwen.