Keizer Julianus en het neoplatonisme – 1
Madeline Clark

 

Na zestien eeuwen lijkt het leven en het werk van keizer Julianus nog even nabij als gisteren, even werkelijk als vandaag, en niet zonder reden. In de geschiedenis wordt Julianus vooral vermeld als ‘de apostaat’ (een afvallige van het christendom) – een benaming waardoor hij bij de generaties na hem in een ongunstig licht is komen te staan en men geen oog had voor zijn duidelijke genialiteit, zijn opmerkelijke loopbaan en, als allerbelangrijkste, de opdracht die hij probeerde te vervullen en waar hij tijdens zijn korte en tragische bewind op zo briljant wijze een begin mee maakte.

Hij kwam in een tijd (331 - 363 n.Chr.) dat de oude tempeldienst van de Helleense volken, die zich over de Romeinse wereld had verspreid, in een toestand van verval was en feitelijk de doodsteek had ontvangen door het optreden van Constantijn de Grote, die persoonlijk het christendom had omhelsd en deze daardoor praktisch tot staatsgodsdienst had gemaakt. De jonge christelijke kerk was in die tijd op haar beurt echter een broeinest van verbitterde interne strijd over moeilijke leerstellige kwesties, in een poging haar dogma’s vast te stellen. De kerk was, in plaats van de geest van toewijding te weerspiegelen van veel oorspronkelijke christenen, een in hoge mate politieke macht geworden, want Constantijn had de priesters talrijke belastingvrijstellingen en bijzondere voorrechten verleend. Het was kortom het einde van een tijdperk, en het was onzeker naar welke kant in de toekomst in de westerse wereld de weegschaal zou doorslaan. Het ging om twee beginselen: aan de ene kant was er de erkenning van het recht op volledige vrijheid van godsdienst voor iedereen – dit was wat Julianus afkondigde. Aan de andere kant was er een religieus priesterschap dat een leer vaststelde en die dan aan onafhankelijk denkende mensen probeerde op te leggen.

De enige hoop voor het westen om gespaard te blijven voor een lange periode van geestelijke verduistering leek te liggen in het neoplatonisme en de ermee samenhangende mithraïsche leringen, die de filosofie van Pythagoras en Plato en tot op zekere hoogte de wijsheid van de mysteriescholen levend hielden. Het is voor ons nu, in deze tijd van vrijmoedigheid en vrijheid van denken, misschien gemakkelijker om het werk van Julianus te zien als een laatste poging om ‘de steeds toenemende domme bijgelovigheid en het blinde geloof van die tijd een halt toe te roepen’, vóór de duistere Middeleeuwen Europa zouden overspoelen.1 Dit was de stand van zaken toen Julianus de macht in het keizerrijk overnam.

De voorbereiding voor wat zijn bestemming zou worden, was ongewoon geweest. Het had er bijna op geleken, zoals hijzelf geloofde, dat de waakzame goden hem hun bescherming hadden gegeven. Als jongetje van zes had hij met een oudere halfbroer de massale afslachting van zijn familie overleeft die gebeurde na de dood van zijn oom, Constantijn de Grote, en de opvolging op de keizerlijke troon door zijn neef Constantius in 337 n.Chr. De beide prinsen, die angstig en verbijsterd waren (sommige historici hebben gezegd dat Julianus die schok uit zijn kinderjaren nooit helemaal te boven is gekomen), werden naar afgelegen streken van het keizerrijk weggevoerd en daar opgevoed zonder de behandeling die hen als prinsen toekwam. De leraren die met hun opvoeding waren belast gaven aan hun religieuze opleiding een christelijk tintje. Maar dezelfde voorzienigheid die hen het leven had gered, lijkt ook een hand te hebben gehad in hun opleiding, want Julianus had als leermeester de geleerde familieslaaf Mardonius die de leraar was geweest van zijn adellijke moeder Basilina. Ze was kort na de geboorte van Julianus overleden.

Onder leiding van Mardonius bestudeerde de prins de heldendichten van Homerus en de klassieke kosmogonieën van Hesiodus; ook gaf Mardonius onderricht in de houding en training van een zoeker naar waarheid. Dit wekte bij Julianus een blijvende liefde voor filosofie. Toen hij, bijna volwassen, meer vrijheid kreeg om te reizen, en in Constantinopel, Nicomedia, Pergamum, Athene en andere centra van wetenschap kon gaan studeren, zette hij zijn werk voort met het enthousiasme van iemand die geen grotere ambitie heeft dan de weg van de filosoof te gaan. Niettemin liet Constantius hem altijd bewaken, vooral tijdens een periode van zeven maanden in Milaan in 354 toen het leven van Julianus in reëel gevaar was door de intriges van vijandige krachten aan het hof. Op dat moment werd keizerin Eusebia, de vrouw van Constantius, zijn beschermvrouwe en steun, zodat Julianus in plaats van ter dood te worden veroordeeld naar Athene werd verbannen, waar hij maar al te graag zijn academische studies hervatte. Eigenlijk waren die maanden in Athene de gelukkigste van zijn leven. Vrienden uit die tijd hebben aantekeningen nagelaten over de genegenheid die al zijn medestudenten voor hem hadden; zij en ook zijn leraren waren gecharmeerd van ‘zijn zachtaardige en innemende manieren’ (Gibbon), en ook van zijn onmiskenbare talent voor het zoeken naar kennis. Waarschijnlijk in deze periode werd Julianus ingewijd in de Eleusinische en ook de Mithraïsche mysteriën, al was hij altijd heel terughoudend over deze dingen.

De onderbreking in Athene zou echter maar van korte duur zijn. Na ongeveer zes maanden kwam er een einde aan toen Constantius Julianus vanwege de spanningen in verband met de Perzische veldtocht weer naar Milaan ontbood, deze keer om hem te benoemen tot caesar over het westen, waar hij moest deelnemen aan de oorlog tegen de barbaren in Gallië. Hij nam deze nieuwe plichten met schroom op zich, want hij had geen training of ervaring in militaire zaken; maar met een voor hem kenmerkende vastberadenheid begon hij strategie en krijgskunst te studeren. Het resultaat was dat hij tenslotte het opperbevel over de Romeinse legioenen in Gallië kreeg; en in een reeks snelle veldtochten veegde hij de grensstreken schoon. Vervolgens richtte hij zijn aandacht op bestuurszaken, en maakte een einde aan de ambtelijke corruptie die de mensen door buitensporig hoge belastingen uitzoog en hun geld aan onnodige uitgaven verspilde. Zo schiep hij in Gallië een toestand van orde en bloei.

Deskundigen zijn het erover eens dat Julianus als rechtvaardig en humaan heerser erg geliefd was, door zijn troepen werd aanbeden om zijn redelijkheid en aandacht voor hun welzijn, en hun nooit vroeg iets te doen wat hijzelf niet zou doen. Hun enthousiasme voor Julianus als bevelhebber, gevoegd bij hun onvrede over de niet erg welkome eis van Constantius dat ze hun gezin in Gallië zouden verlaten om hem in de Perzische veldtocht bij te staan, leidde tot een opstand onder de soldaten die erin resulteerde dat Julianus eenzijdig en zonder hoofdelijke stemming werd verkozen tot de rang van Augustus – hoogste heerser over het wijdvertakte Romeinse keizerrijk.

Voor het echter tot een treffen tussen de elkaar bestrijdende legers kwam, overleed Constantius en zo begon de regeringsperiode van Julianus die minder dan twintig maanden zou duren. Meer dan eens had hij laten doorschemeren dat hem slechts een korte tijd vergund zou zijn en zodra de ceremoniën voor Constantius naar behoren in acht waren genomen, begon hij aan zijn hervormingen. Het herbouwen van de tempels was misschien de eerste, tegelijk met het hervatten van de tempel-riten. Hij kondigde zijn beroemde edict inzake godsdienstvrijheid af. Hij verzocht iedereen die om geloofsredenen was verbannen, naar huis terug te keren, schafte de bijzondere voorrechten en privileges van de christelijke bisschoppen en priesters af en verbood hun het vrije gebruik van de openbare middelen van vervoer. Zijn meest impopulaire besluit was misschien om christelijke leraren te verbieden les te geven in de klassieke Griekse literatuur, want hij was van mening dat een leerling niet de ware heroïsche geest kon ontvangen als die leerling les kreeg van iemand die heimelijk verwierp wat hij onderwees.

De oosterse pracht en praal van het keizerlijke paleis in Constantinopel, dat krioelde van niets-uitvoerende klaplopers die leefden van de gemeenschapsgelden, vervulde hem met afkeer en hij maakte daar een einde aan; in plaats daarvan richtte hij een veel eenvoudiger huishouding in, terwijl hijzelf zijn ascetische gewoonten voortzette en het eenvoudige kleed van de filosoof droeg. Daarna volgde een herziening van het belastingstelsel om de lasten van de armen te verlichten. Hij gaf ook de aanzet tot allerlei nieuwe activiteiten die moesten leiden tot een wederopbloei van literatuur en kunst en tot het versterken van de centra van wetenschap. ‘Als er iets is dat onze liefderijke zorg verdient, is het de heilige muziekkunst’, schreef hij aan Ecdicius, prefect van Egypte, en hij gaf hem opdracht jongens met talent te selecteren die dan niet in hun eigen levensonderhoud hoefden te voorzien en zich volledig in deze wetenschap konden bekwamen.

Al dadelijk in het begin benoemde Julianus een commissie van hoogstaande mensen om op te treden tegen de corrupte adviseurs die Constantius hadden omringd, en nodigde in hun plaats een groep filosofen uit om hem bij te staan, van wie de meesten, zo niet allen, evenals hijzelf leerlingen waren in de mysteriën, en die hem door hun bescherming en begrip op bepaalde manieren bij zijn werk zouden kunnen helpen. Maximus de Efeziër, die Julianus in de mysteriën had ingewijd, was een van hen; verder Libanius de redekunstenaar, die in Nicomedia en Athene zijn leraar was geweest; Oribasius de medicus, die alleen in kennis en vaardigheid werd overtroffen door Galenus en die op uitnodiging van Julianus een medische encyclopedie schreef; Priscus, die een grondige kennis van filosofie had; Himerius, een sofist uit Athene bij wie Julianus misschien heeft gestudeerd; Sallustius uit Gallië, een van de wijste van zijn adviseurs; en Anatolius, een goede vriend van Julianus die de hoogste post als Hoofd van de Ministeries kreeg. Deze mensen stonden in zeker opzicht op gelijke voet met Julianus zelf en hij accepteerde niet alleen hun advies, maar ook hun protesten en maanbrieven.

In de vierde eeuw verkeerde het christelijke priesterdom nog in een pril stadium en was daarom niet in staat de strekking en omvang van de opdracht van Julianus te begrijpen. Ze namen hem de veranderingen in hun status hoogst kwalijk en begonnen een haatcampagne die tot op de dag van vandaag voortduurt. Iemand die een compleet beeld wil schetsen van de hervormingen van Julianus en van de leringen die zijn geschriften bevatten, moet op zijn zoektocht naar een paar parels van waarheid door een poel van vooroordelen en verkeerde voorstellingen waden. Hij zal zich voor informatie hoofdzakelijk tot de teksten van christelijke geleerden moeten wenden, en daar komt hij allerlei vormen van vooringenomenheid tegen, van het venijn van Gregorius van Nazianza tot het terloopse en beleefde ongeloof van latere vertalers en commentatoren, die wel eerlijk waren maar toch nog steeds niet in staat om te zien dat er vele wegen zijn die naar de waarheid leiden.

Gore Vidal wijst er in zijn bestseller Julian: A Novel uit 1962 op dat het leven van Julianus de verbeelding van romantici heeft geprikkeld en aanleiding heeft gegeven tot verhalen en toneelstukken. Volgens Vidal schreef zelfs Lorenzo de Medici over dit onderwerp een toneelstuk2, en was het sombere drama van Ibsen in diens tijd heel bekend. Ook in onze eeuw is een aantal romans verschenen die zich op de figuur Julianus baseren, maar deze achteraf verzonnen verhalen hebben voor een onderzoeker die probeert de draagwijdte van Julianus’ werk te peilen, weinig waarde. Natuurlijk kan iedere schrijver, met inbegrip van Gore Vidal zelf die er misschien het dichtste bij komt van allemaal, alleen maar dat beeld van zijn onderwerp schetsen dat uit zijn eigen zienswijzen en vermogens voortvloeit. Sommigen, zoals Louis DeWohl, hebben zich schuldig gemaakt aan het verzinnen van een verhaal dat van begin tot einde verloopt zoals de schrijver zich dat wenste, en dat veel onrecht doet aan het werkelijke karakter van de hoofdpersoon.

Wat de kwestie van zijn afvalligheid van het geloof betreft: verschillende geschiedschrijvers betwijfelen of Julianus ooit een belijdend christen is geweest, omdat zijn enige binding met het christendom dateert uit de tijd dat hij als minderjarige onder voogdij stond; en zelfs in die jaren is het duidelijk dat zijn echte liefde uitging naar de goden uit de oudheid en naar de rechtschapenheid en kracht van de homerische helden. Alleen in beperkte kring wordt Julianus nog als afvallige beschouwd. In de meeste gevallen heeft men inmiddels deze kwalificatie losgelaten omdat ze in onze tijd van intellectuele vrijheid niet meer past of van kracht is. De Encyclopedia Americana (uitg. 1944) rekent er op korte en bondige manier mee af als die het heeft over ‘Julianus de Afvallige, die nooit een christen was, behalve in naam en onder dwang’.

Lasteraars hebben van Julianus gezegd dat als hij langer zou hebben geleefd, hij eenvoudig een nieuwe kerk zou hebben gesticht met zichzelf als hoofd, en dat zijn motieven louter persoonlijk waren. Maar kunnen we niet op even goede gronden beweren beweren dat hij stappen deed om een school te vestigen waar de neoplatonische filosofie centraal stond? De grondslag voor zijn stelsel was ongetwijfeld al gelegd: namelijk volstrekte geloofsvrijheid voor iedereen.

Julianus begon zijn regering in december 361 in Constantinopel. In 362 trof hij voorbereidingen voor een hervatting van de oorlog met de Perzen en in maart van het volgende jaar trok hij ten strijde, en aanvankelijk met succes; maar op 26 juni 363 werd hij in het heetst van de strijd dodelijk verwond door een speer, naar men denkt van een christelijke koningsmoordenaar. Zijn laatste uren, toen hij in zijn tent lag omringd door de filosofen die zijn trouwe metgezellen waren geweest, zijn wel vergeleken met de laatste uren van Socrates, want ze werden grotendeels besteed aan filosofische en verheven gesprekken. Bij het aanbreken van de dag, zo wordt verteld, vroeg hij te worden opgetild om de eerste stralen van de opkomende zon te begroeten en ging hij heen, onder de hoede van de grote Helios.3

En zo kwam aan de korte maar actieve regering van Julianus een einde, maar door de stuwkracht die hij aan zijn hervormingen had gegeven, bleven deze in de jaren daarna hun invloed uitoefenen. De geschiedenis beweert echter dat tegen de zesde eeuw ‘het neoplatonisme triomfantelijk was verpletterd en het vuur ervan gedoofd’. Maar was het echt zo volledig verpletterd als de schijn het deed voorkomen? Het blijft een feit dat er door de eeuwen heen in het westen steeds mensen zijn geweest die, individueel en in groepen, geloofd hebben in de leerstellingen van Pythagoras, Plato en Jamblichus. Ze werden vaak als ketters gebrandmerkt en er werden pogingen gedaan om ze te vernietigen, maar de ideeën die ze koesterden zijn blijven bestaan.

De enige betrouwbare manier om iemand naar waarde te schatten is zich te wenden tot de geschriften van die persoon zelf; en in het geval van Julianus zijn die vrij omvangrijk want hij was een productief schrijver en correspondent, en een behoorlijke hoeveelheid van zijn werk is bewaard gebleven. Hierin ligt een innerlijk bewijs dat hij een waar vertegenwoordiger van de beschermers van het welzijn van de mensheid was. Als we het in dit licht bezien, hadden de hervormingen van Julianus en de leringen die hij aanbood de weg kunnen vrijmaken voor een verdere ontwikkeling van de hogere vermogens van de mens.

Onder de werken die ons zijn overgeleverd, maakt Julianus’s ‘Betoog tegen de Galileeërs’ overduidelijk deel uit van zijn pogingen tot hervorming. Hij probeert daarin de christelijke leringen te interpreteren in een meer universele zin en onderbouwt zijn beweringen waar nodig met bijbelse citaten die hij zich herinnerde uit studies in zijn jeugd. Zoals Wilmer Cave Wright echter zegt in zijn inleiding tot zijn vertaling: ‘We kunnen niet anders dan dit alles te zien door de ogen van een vijandig gezinde afvallige.’ Zijn ‘Betoog tegen de Galileeërs’ zoals we dat nu kennen is een verminkte versie, omdat geestelijken en kopiïsten zich de vrijheid veroorloofden die gedeelten weg te laten waar ze zich bijzonder aan ergerden. Zowel Gregorius van Nazianza als bisschop Cyrillus van Alexandrië, bijvoorbeeld, schreven felle tegenaanvallen; toch, als we rustig lezen in wat er is overgebleven, wekt dat niet een indruk van wrok, maar alleen van een verlangen om te analyseren en tot de kern van de dingen door te dringen – een gewoonte die Julianus zich in Athene had eigen gemaakt, want de Atheners waren er dol op bij hun discussiëren over filosofische onderwerpen tot in de details te gaan of, zoals we nu zouden zeggen, ‘de diepte in’. Ze waren niet bang dat te doen; in feite verhelderde het hun begrip zonder dat ook maar enigszins hun geloof werd verstoord in de grondbeginselen die voor hen vanzelfsprekende waarheden waren. Dit was natuurlijk precies het tegenovergestelde van wat in de christelijke kerk gebruikelijk was, waarin vrijwel vanaf het begin personen die vragen durfden te stellen of zelfstandig durfden na te denken als ketter werden bestraft.

Laten we één voorbeeld bespreken om deze methode van Julianus toe te lichten. Het heeft betrekking op Adam en Eva en het eten van de verboden vrucht van de Boom van Kennis op aandrang van de slang. Julianus vraagt:

Is het niet buitengewoon vreemd dat God de mensen die hij had gemaakt het vermogen zou ontzeggen om het verschil te kennen tussen goed en kwaad? . . . een kennis die het enige lijkt te zijn dat samenhang in het denken van de mens kan brengen. . . God weigerde de mens te laten proeven van de wijsheid, terwijl er toch niets voor hem van meer waarde zou kunnen zijn . . . en daarom was de slang eerder een weldoener voor de mansheid dan de vernietiger ervan.

Julianus gebruikt deze en andere bijbelteksten om erop te wijzen dat veel van zulke passages als allegorieën met een verborgen betekenis moeten worden uitgelegd – een belangrijke sleutel, ook voor het begrijpen van andere geschriften. Het vormt de meest kenmerkende gedachte van het neoplatonisme, en is ontleend aan Plato en Pythagoras, en ook aan Orpheus die door Julianus ‘de oudste van alle geïnspireerde filosofen’ en ‘stichter van de heiligste van alle mysteriën’ wordt genoemd.

 

Noten

  1. Gaetano Negri: Julian, the Apostate, blz. 176-7.
  2. Op het hoogtepunt van de renaissance had Lorenzo de Schitterende (1448-1492), die het werk van zijn grootvader Cosimo de’ Medici (1389-1464) voortzette, aan zijn hof in Florence niet alleen zijn beroemde school voor de herleving van de kunst, maar ook die voor de studie van de filosofie van Plato.
  3. Andere verslagen (Amianus, enz.) vermelden middernacht als het uur van de dood van Julianus, maar er zijn goede redenen om de bovenstaande versie als de juiste te beschouwen.

 

Keizer Julianus en het neoplatonisme – 2
Madeline Clark

 

In de inleiding tot zijn boek Life of Julian [Het leven van Julianus] uit 1905, noemt Gaetano Negri de keizer ‘een van de meest erudiete mannen van zijn eeuw en de laatste briljante en diepzinnige schrijver over het Griekse verval’. Zijn geschriften zijn daarom zo boeiend omdat in elk ervan, of het nu brieven, redevoeringen, satires of keizerlijke decreten zijn, de insignia majestatis aanwezig zijn van iemand die niet alleen een heerser was over anderen maar ook over zichzelf. Ammianus Marcellinus, een bevriende eigentijds historicus die Julianus op veel van zijn veldtochten vergezelde, heeft de ongelooflijke werklust van de keizer beschreven. Zijn nachten waren in drieën verdeeld: het eerste deel diende om te rusten, het tweede voor staatszaken, terwijl de resterende uren waren gewijd ‘aan de muzen’, aan schrijven en aan studie. Hij maakte dag en nacht gebruik van de hulp van secretarissen aan wie hij het grootste deel van zijn werken dicteerde, waardoor deze de directheid bezitten van het gesproken woord, fris uit de geest. Zijn denkbeelden hoeven niet door nevels van droog intellectualisme heen te dringen, maar lijken te zijn uitgehouwen met het diamanten zwaard van verheven denken. Daardoor wekken ze bij de lezer niet alleen begrip, maar ook een zekere mate van bewustwording. Misschien is dat de reden waarom ze een geest van verfrissende directheid ademen die zelfs na vertaling blijft bestaan.

In de uitgave van de werken van Julianus van de Loeb Classical Library1 geeft Wilmer Cave Wright een levendige vertaling die in overeenstemming is met de spontaniteit van het origineel, al ziet de vertaler zelf sommige opvattingen van Julianus als ‘bijgeloof’. Maar over het geheel genomen is er door het eerlijke en nauwgezette werk van de redactie een betrouwbare vertaling totstandgekomen. De bedoeling van de schrijver zou echter dichter zijn benaderd als de vertaler sympathiek had gestaan tegenover de neoplatonische filosofie, zoals het geval was bij Thomas Taylor en C.W. King.

In zijn redevoeringen en andere geschriften citeert of vermeldt Julianus niet minder dan zevenendertig grote filosofen, dichters, toneelschrijvers en historici, die in zijn tijd bekend waren: van de bijna legendarische Homerus, Hesiodus en Aesopus, tot Plato en de Pythagoreeërs, Socrates en Empedocles; de toneelschrijvers Aeschylus, Sophocles en Euripides, die heilige waarheden onderwezen door middel van hun kunst; en de bekende neoplatonisten Plotinus, Porphyrius en Jamblichus. Al deze namen behoren aan mensen die leefden volgens de traditionele leringen die in de tijd van Julianus waren belichaamd in het neoplatonisme.

Uitgaande van de ruime premisse, die hij aan Plato ontleent, dat het heelal zelf ‘tot aanzijn kwam als een levend wezen met een ziel en met intelligentie’, zet Julianus de leer uiteen (Redevoering IV: ‘Hymne aan koning Helios’) van de hiërarchische aard van het heelal en al zijn delen, waarin de ene verheven oorzaak uit zijn eigen wezen goden of krachten uitzendt die regeren over lagere en steeds lagere graden van levende wezens, totdat alles wat in de kosmos ligt besloten is ontwikkeld. Maar de zon en de maan en de hemellichamen die we zien ‘zijn alleen de gelijkenissen van de onzichtbare goden’ van wie zij de voertuigen zijn. Deze redevoering bevat Julianus’ allegorische beschrijving van de structuur van het heelal — de oorsprong ervan en de substantie, krachten en energieën die de zon aan zijn rijk schenkt — waaronder de geheimzinnige ‘aether, de vijfde substantie’ (volgens Aristoteles), die het geheel bijeenhoudt. In navolging van Plato beschrijft hij een keten van bestaan die voortkomt uit de ‘enkelvoudige oorzaak’: dat wat het voorstelbare te boven gaat of het ene of, zoals Plato deze centrale bestaansoorzaak noemt, het goede. Daarna volgt de voorstelbare wereld, één stap verder in de richting van wording. Dan komt Helios, de god achter de zichtbare zon, heer van de denkwerelden, die niet alleen ‘de gemeenschappelijke vader van de hele mensheid is’, die [de substantie van voortgebrachte dingen] ‘steeds opnieuw bezielt door er beweging aan te schenken en haar van leven te vervullen’, maar tevens ‘het denkvermogen van het heelal’, dat via de godin Athene ‘de zegeningen van wijsheid en intelligentie en de scheppende kunsten’ schenkt. Helios geeft aan de ‘verdeelde zielen’ (de mensen) het vermogen tot oordelen, en begiftigt de hele natuur met scheppende macht.

Julianus legt er voortdurend de nadruk op dat Helios de verschillende werkingen binnen zijn zonnerijk tot stand brengt, niet door rechtstreeks contact met de wezens die het bewonen, maar door middel van ontelbare andere goden (engelen, demonen, helden en anderen, die tot de archetypen behoren die niet tot incarnatie komen) — en die we de natuurkrachten kunnen noemen. Dit alles zou voor ons maar weinig betekenen als de wetenschap in deze tijd niet zover met haar onderzoek van de zon was gevorderd, en er nu close-ups zijn van de zonneschijf, de zonnevlekken en de protuberansen. Bovendien zijn er filmopnamen van de zonnevlekactiviteit met zijn pulserende energiestromen van kosmische straling en elektrisch geladen deeltjes, die niet alleen naar de aarde en weer terug, maar door het hele zonnerijk circuleren. Als men deze opnamen ziet, is men getuige van de processen — althans van het stoffelijk aspect ervan — die Julianus heeft beschreven.

In zijn verhandeling komt in feite veel voor dat zuiver wetenschappelijk is in de meest moderne zin en te maken heeft met de werking van licht, de invloed van de zon op de jaargetijden en de wenteling van de planeten om de zon, die ‘rond hem dansen als hun koning, op bepaalde vaste afstanden van hem’. Het boeiendst van al is de opvatting dat de zon het denken en de hogere vermogens stimuleert. Julianus verwijst naar de Feniciërs en haalt hun leer aan die zegt dat ‘de lichtstralen die zich overal verspreiden, de onbezoedelde incarnatie [belichaming] van zuivere geest zijn’. Wetenschappers staan nu op het punt de juistheid van enkele van deze diepzinnige feiten te bevestigen.

De volgende citaten illustreren deze punten heel duidelijk:

De god zaait op deze aarde zielen die niet uit hemzelf alleen voortkomen maar ook uit de andere goden; en wat het doel ervan is onthullen de zielen door het soort leven dat ze kiezen.

Is het alleen u onbekend dat zomer en winter van [Helios] komen? Of dat alle soorten dierlijk en plantaardig leven aan hem ontspringen?

Terwijl het voorgaande ongetwijfeld op wetenschappelijk denken is gebaseerd, bezit het ook de warmte van religieuze toewijding en filosofische diepgang. Het is in feite een duidelijke aanwijzing dat wetenschap, religie en filosofie een gemeenschappelijke oorsprong hebben.

In welk licht zag Julianus zijn medemensen en hun mogelijkheden? Hij bekeek de mensheid vanuit een planetair gezichtspunt in de verhouding die ze heeft tot het heelal als geheel en het zonnestelsel in het bijzonder. ‘Het gebied van de aarde’ bevatte volgens hem ‘het zijn in een toestand van wording’, en hij beschouwde onze hele wereld als ‘één compleet levend organisme. . . vol ziel en intelligentie . . . dat eeuwig voortwentelt in een onafgebroken cyclus van geboorte en dood’. Voor hem was de ziel van de mensheid ‘niets anders dan rede en kennis [nous] gevangen om zo te zeggen in het lichaam — een potentialiteit zoals de filosofen zeggen’; vandaar dat het leven van een mens neerkomt op een ‘proeftijd’. En over de dualiteit die hij zag zei hij: ‘De mens is een worstelend tweevoudig wezen, bestaande uit een ziel en een lichaam die tot één zijn verenigd, de eerste goddelijk, de laatste duister en troebel’. (Let op de term die hij voor mensen gebruikt, ‘verdeelde zielen’, zoals al eerder aangehaald) Hij herkende het ‘universele verlangen naar het goddelijke in ons’; ‘we zijn hemels van nature, maar . . . naar de aarde gevoerd om daar deugdzaamheid tezamen met vroomheid te oogsten, als vrucht van ons gedrag op aarde’. Daarom is het doel van de mens ‘de goden zoveel mogelijk na te volgen, en zij leren ons dat deze navolging bestaat uit het overpeinzen van het werkelijk bestaande’.

We moeten bedenken dat Julianus als keizer ook Pontifex Maximus was, en dit gaf aan zijn vermaningen en zijn uitleg van religieuze aangelegenheden extra gewicht. Bij het naar voren brengen van deze leringen stelde hij zich echter op het traditionele standpunt van de filosofie, dat de toehoorder een voorschrift pas moet aanvaarden als het zijn eigen gevoel van recht en waarheid bevredigt. In zijn Redevoeringen VI en VII gaat Julianus diep op het thema zelfoverwinning in en zet hij in eenvoudige vorm leringen uiteen die de kern van de cynische2 en stoïcijnse filosofie vormen.

Op charmante wijze zegt hij: ‘Laten we beginnen met ‘ken uzelf’’ — want dit cryptische gezegde van het pythische orakel geeft precies aan waarom we hier op aarde zijn. In de erop volgende verhandeling komt herhaaldelijk het denkbeeld voor dat ‘de mens een ziel is die gebruik maakt van een lichaam’, en dat hij door het bestuderen van zijn wezenlijke aard ontdekt dat zelfkennis een ‘studie van universele beginselen’ inhoudt — wat betekent dat de mens met zijn veelzijdige aard een kosmos in het klein is. ‘Want goddelijke dingen te kennen door middel van het goddelijke deel in ons, en ook sterfelijke dingen door het deel van ons dat sterfelijk is — dat was volgens het orakel de opdracht aan het levende organisme dat tussen die twee in staat, namelijk de mens.’ De samenstellende delen van dit ‘levende organisme’ beschrijft Julianus als volgt:

Eén deel van onze ziel is goddelijker, en dat noemen we denkvermogen en intelligentie en zwijgende rede [nous], . . . en dat is verbonden met een ander deel van de ziel dat veranderlijk en veelvormig is, een samengaan van toorn en begeerte, een veelkoppig monster . . . We zouden niet voortdurend acht moeten slaan op de meningen van de massa, maar eerst dit wilde dier moeten temmen en het ertoe brengen de god in ons te gehoorzamen.

Behalve de uitspraak ‘ken uzelf’ behandelt Julianus ook een vreemde en op het eerste gezicht raadselachtige opdracht van het orakel aan Diogenes de cynicus: ‘Weerleg het gangbare’; ook weergegeven als: ‘Druk een nieuw stempel op het gangbare’. Wat eenvoudig betekent dat een mens ‘zich niet moet laten meeslepen door wat de massa beweegt’, maar dat hij een innerlijk leven moet leiden onafhankelijk van de opvattingen van anderen. Want

Ik denk dat hij die zichzelf kent, precies weet, niet wat anderen over hem denken, maar wat hij in werkelijkheid is . . . hij zou in zichzelf moeten ontdekken wat voor hem goed is om te doen, en moet dit niet van buitenaf leren. . . .

Zolang u slaaf bent van de opvattingen van de velen heeft u nog geen vrijheid bereikt of haar nectar geproefd . . . Maar ik bedoel hiermee niet dat we ons schaamteloos tegenover de mensen zouden moeten gedragen en doen wat we niet zouden moeten doen; maar laten we alles waar we ons van onthouden en alles wat we doen, laten we dat niet doen of ons er niet van onthouden alleen omdat het de massa eervol of laag voorkomt, maar omdat de rede en de god in ons het ons verbiedt.

Daaruit vloeit het geluk voort:

Het uiteindelijke doel van de cynische filosofie, en dat geldt voor elke filosofie, is geluk, maar wel geluk dat bestaat uit leven in overeenstemming met de natuur en niet volgens de opvattingen van de massa.

Is het daarom niet absurd als een mens probeert geluk ergens buiten zichzelf te vinden en denkt dat rijkdom en afkomst en de invloed van vrienden . . . uiterst belangrijk zijn? . . . Daarom moeten we zeggen dat geluk in onze geest woont, in het beste en edelste deel van ons.

Deze aanhalingen van de woorden van Julianus in een voortreffelijke (Engelse) vertaling geven een goed beeld van de helderheid en nauwkeurigheid van zijn denken. Het lezen van zijn verhandelingen en brieven versterkt deze indruk. In zijn rede ‘Aan de cynicus Heracleios’ bespreekt hij het onderwerp mythen en toont aan dat mythen eigenlijk dienen om diepzinnige verborgen leringen (de mysteriën) weer te geven.

Want de natuur houdt ervan haar geheimen te verbergen en ze duldt niet dat de verborgen waarheid over de wezenlijke aard van de goden in onbedekte termen het oor van nietingewijden bereikt. . . .

Door middel van raadsels en het dramatiseren van mythen wordt die kennis in versluierde vorm aan de massa gebracht die de goddelijke waarheden niet in hun zuiverste vorm kan ontvangen. . . . Hoe paradoxaler en verbazingwekkender het raadsel is, hoe meer het ons schijnt aan te sporen . . . de verborgen waarheid vol ijver te bestuderen.

Een voorbeeld hiervan vinden we in zijn geloofsbrief aan de Atheners ter gelegenheid van zijn troonsbestijging, waarin Julianus de gebeurtenissen van zijn uiterlijke leven beschrijft. In Redevoering VII geeft hij zijn levensverhaal in mythische of allegorische vorm en houdt hij ons voor dat het innerlijke leven van ieder mens een lijn volgt die het best in allegorische vorm kan worden uitgedrukt om de werkelijke betekenis ervan weer te geven.

In dit verband moet de satire of het gastmaal ‘De Caesars’ worden genoemd, waarin Julianus vertelt hoe de lange reeks Romeinse keizers wordt onthaald door de goden in de gebieden van de maan dichtbij de Olympus. Ieder moet verslag uitbrengen van de eervolle daden tijdens zijn leven en de geheime motieven opbiechten die hem bewogen: een herinnering aan dat ogenblik van waarheid waarnaar in de meeste religies wordt verwezen en dat elke ontlichaamde ziel te wachten staat. Het werpt ook een duidelijk licht op de Romeinse geschiedenis gezien door de ogen van haar makers — namelijk de keizers zelf.

Julianus deelde het fundamentele geloof van de neoplatonisten dat er vele wegen naar de waarheid leiden; daarom zochten ze naar leringen die tot de essentie van alle religies behoren. Op zijn ongedwongen en ondogmatische wijze merkt hij op dat een mens

moet letten op diegenen in elk van de filosofische sekten die de hoogste rang hebben bereikt, en hij zal zien dat al hun leringen overeenstemmen. . . Alle filosofen hebben een enkel doel, al bereiken ze dat doel langs verschillende wegen. . . .

Ik geloof nog steeds dat er zelfs vóór Heracles — niet alleen onder de Grieken maar ook onder de barbaren — mensen waren die deze filosofie in praktijk brachten. Want het schijnt in sommige opzichten een universele filosofie te zijn, en de meest natuurlijke. . . .

Het voorafgaande geeft een indruk van het soort leringen dat Julianus de wereld zou hebben geschonken als hij langer had geleefd. Noem het neoplatonisme, mithraïsme, cynisme of stoïcisme: al deze belichaamden dezelfde essentiële waarheden. Het neoplatonisme wordt door christelijke vertolkers gewoonlijk omschreven als een vaag en onbegrijpelijk soort mystiek. T.R. Glover doet het in zijn The conflict of Religions in the Early Roman Empire [Het conflict van religies in het vroege Romeinse rijk] af als ‘die vreemde mengeling van gedachten en mysteriën, vroomheid, magie en ongerijmdheid, die neoplatonisme wordt genoemd en met Plato niets te maken heeft’. Maar G.H. Rendall bewijst het neoplatonisme in zijn in 1879 verschenen The Emperor Julian [Keizer Julianus] meer eerbied als hij zegt dat het ‘aan het geestelijke element in de mens een schitterende en belangrijke plaats geeft’; en hij heeft in zijn boek een goed samenvattend overzicht van de beginselen ervan opgenomen. ‘Jamblichus’, zegt hij, ‘volgde de numerieke formules van de pythagoreeërs . . . en . . . verklaarde dat daarin diepe geheimen lagen op het gebied van religie en filosofie.’ ‘Hij verzamelde een school van gelovigen om zich heen en populariseerde hun filosofie. Ze verheerlijkten Pythagoras en onttroonden Aristoteles.’ Dit was de school die door Julianus werd aangehangen.

De christelijke Kerk zou er ongetwijfeld bij gebaat zijn geweest als ze de neoplatonische traditie had geaccepteerd in plaats van haar af te wijzen. In het bijzonder de in onze tijd zo slecht begrepen leer van de hië-rarchieën, met name in relatie tot de oorsprong en de structuur van de kosmos en de onderlinge verhouding tussen de verschillende klassen of ‘rijken’ op de levensladder, waarbij de mens zelf hetzelfde patroon weerspiegelt in de verschillende facetten van zijn totale wezen. Ongetwijfeld werd de christelijke Kerk in de loop van de eeuwen een brandpunt van toewijding voor hen die hunkerden naar het goddelijke; maar de neoplatonische interpretatie van het heelal zou een verrijking zijn geweest voor de onuitgesproken gedachten en inzichten die het weefsel vormen van het innerlijke leven van elke mens.

De geschriften van keizer Julianus verschaffen een filosofie in de vorstelijke stijl van een hoogbeschaafde geest, en op een manier waar duidelijk uit blijkt dat hij volkomen thuis is in die filosofie. In onze verbazingwekkende eeuw van ingrijpende veranderingen, waarin het snel tot ons begint door te dringen dat het ons vrijstaat voor bredere opvattingen te kiezen die voor ons waarheid betekenen, is er hoop dat zijn werken, naast vele andere oude en schitterende teksten, zonder vooroordelen en met inzicht zullen worden gelezen.

 

Noten

  1. Drie delen, met Griekse tekst en Engelse vertaling, Harvard University Press, Cambridge, Mass.; William Heinemann Ltd., Londen, 1913-1962.
  2. Het cynisme was voor Julianus een tak van de filosofie die ‘de meest edele’ evenaarde. De grondlegger ervan was Antisthenes, een leerling van Socrates, die probeerde de leringen van zijn leermeester voor het nageslacht vast te leggen.

 

Oude culturen/beschavingen en hun spirituele tradities: Italië
 

Uit het tijdschrift Sunrise mrt/april en mei/jun 1997

© 1997 Theosophical University Press Agency