*Uit een lezing gehouden op 9 mei 1997 in het
Theosophical Library Center, Altadena.
Vanavond herdenken we de sterfdag van H.P. Blavatsky, 106 jaar geleden,
op 8 mei 1891, en haar bijdrage als filantroop – een mensenvriend
– en iemand die bijzondere talenten had om de onvergankelijke
wijsheid der eeuwen opnieuw te verkondigen.
Hoewel velen de boeken van HPB hebben gelezen, weten misschien maar
weinig mensen iets af van haar eerste theosofische artikel waarmee haar
openbare werk in juli 1875 begon, twee maanden vóór het
stichten van The Theosophical Society. Het Latijnse woord opera
is het meervoud van opus, ‘werk’, en de ouverture
van een opera heeft als doel het publiek op het stuk voor te bereiden
door op de komende muzikale thema’s te zinspelen. In die zin is
het eerste artikel van HPB ongetwijfeld haar ouverture tot de symfonie
die volgde: een veelomvattende vertolking van het aloude hemelse lied.
De geschiedenis van de uitvoering ervan is het eenvoudige, eeuwenoude
drama van het aansteken van een toorts op een duistere plaats en van
het aanslaan van de grondtoon van hoop. Dit artikel zaaide de fundamentele
denkbeelden van de theosofie, die HPB stap voor stap in haar latere
geschriften ontvouwde, maar het diende ook om te weerleggen dat zij,
zoals critici beweren, haar filosofie stukje bij beetje heeft opgebouwd,
waarbij ze speciale onderwerpen zoals reïncarnatie, karma en het
broederschapsideaal eraan toevoegde om haar persoonlijke doeleinden
te kunnen nastreven – doeleinden die men afwisselend afschilderde
als die van een politieke provocateur of (volgens een recente ‘biografie’)
van eerzucht om haar occulte vermogens te gebruiken. Omdat de context
belangrijk is – elk juweel heeft een zetting nodig – bestaat
dit artikel uit twee delen: ten eerste de historische achtergrond en
ten tweede geselecteerde passages uit het artikel van HPB met relevant
commentaar.
Aan het stichten van iedere echte geestelijke beweging gaat een keten
van oorzaak en gevolg vooraf die uitmondt in een gebeurtenis waar alles
om draait – en de geboorte van de moderne theosofische beweging
is hierop geen uitzondering. Uitgaande van de natuurwet van cyclische
vernieuwing onderwijst de theosofische traditie het periodieke verschijnen
van avatara’s en wijzen, die als taak hebben om het inspirerende
perspectief van onze rol in het heelal in ere te herstellen; kortom,
een fundamentele bevestiging van ons goddelijk erfdeel ‘met daarbij
zoveel lering en onderricht als nodig is’ om de mensheid op haar
weg naar geestelijk zelfvertrouwen te beschermen en te helpen.1
Men kan de cyclische geestelijke impulsen in de loop van de millennia
volgen, en er is een herkenbaar verband tussen de zodiakale cyclus van
2.160 jaar en het verschijnen van een profeet of wijze – bijvoorbeeld,
Mozes en Aries, de ram; Jezus en Pisces, de vis. Maar er zijn ook andere
cyclussen die een rol spelen bij de komst van leraren. De mentors van
HPB brachten de oorsprong van de moderne theosofische beweging vooral
in verband met een in de 14de eeuw gegeven richtlijn dat er in iedere
eeuw door hun school een poging zou worden gedaan ‘om de ogen
van de blinde wereld te openen’ (De Mahatma Brieven aan A.P.
Sinnett, blz. 402).
In het laatste kwart van deze eeuw is men getuige geweest van een krachtige
heropleving van geestelijk bewustzijn, en we mogen ons best afvragen
of het eveneens zuiver toeval is geweest dat de platonische, hermetische
en kabbalistische filosofieën in de 15de eeuw in het westen opnieuw
naar voren werden gebracht, wat aanleiding gaf tot de Renaissance, die
in de eeuwen daarna werd gevolgd door de Reformatie, de opkomst van
de wetenschap, de introductie van oosterse filosofie, de bloei van de
rozenkruisers en vrijmetselarij, alsmede het op grotere schaal aanvaarden
van hun idealen van vrijheid, gelijkheid en broederschap. In de vorige
eeuw kwamen verschillende cyclussen samen: het einde van het vissentijdperk,
het einde van de eerste 5.000 jaar van het kaliyuga of de ijzeren eeuw,
evenals het bijna voltooien van de helft van een precessiecyclus van
ruim 12.000 jaar. Zoals de akkers in het juiste seizoen voor beplanting
moeten worden voorbereid, voelden de leraren van HPB dat er een nieuwe
zaaitijd was aangebroken. In februari 1882 merkte een van hen op:
Een of twee van ons hoopten dat de wereld in verstandelijk,
zo niet in intuïtief opzicht, zover was gevorderd, dat de occulte
leer intellectueel ingang kon vinden en de stoot tot een nieuwe cyclus
van occult onderzoek kon worden gegeven. Anderen – die zoals
het er nu uitziet verstandiger waren – verschilden van oordeel,
maar de toestemming om de proef te nemen werd gegeven. Daarbij werd
echter bedongen dat het experiment onafhankelijk van onze persoonlijke
leiding zou worden uitgevoerd; dat er geen abnormaal ingrijpen door
onszelf zou plaatsvinden. Zo vonden we, al zoekende, in Amerika de
man die als leider kon dienen – een man met grote morele moed,
onbaatzuchtig en met andere goede eigenschappen. Hij was lang niet
de beste, maar (zoals Hume het in H.P.B.’s geval uitdrukt) –
hij was de beste die beschikbaar was. Wij brachten hem in aanraking
met een vrouw met exceptionele en verbazingwekkende talenten. Gepaard
aan deze had ze grote persoonlijke gebreken, maar zoals zij was, leefde
er geen tweede die voor deze taak geschikt was. We zonden haar naar
Amerika, brachten hen bij elkaar – en de proef begon.
– De Mahatma
Brieven, blz. 291
Omdat ze inzag dat de dogmatische kerken en wetenschappelijke academies
haar waarschijnlijk in het begin geen welwillend oor zouden lenen, wendde
HPB zich tot de meer ontvankelijke maar nog zeer jonge spiritualistische
beweging voor een eerste steunpunt om theosofische denkbeelden naar
voren te brengen. Zij en Henry S. Olcott ontmoetten elkaar in oktober
1874, terwijl ze een onderzoek instelden naar spiritistische seances
in Vermont en werden daarna collega’s voor het leven. In december
verhuisde HPB naar Philadelphia, waar ze haar onderzoekingen voortzette
en enkele artikelen over het spiritisme schreef, waarvan één
– waarin het bedrog van ene dr. Child aan de kaak werd gesteld
– een waarderende brief ontlokte aan prof. Hiram Corson van Cornell
University, alsmede de daarna volgende correspondentie met hem. In haar
tweede brief aan hem, poststempel 16 februari 1875, schreef ze:
Ik ben door mijn loge naar dit land gezonden ten
behoeve van de waarheid in het moderne spiritualisme, en het is mijn
allerheiligste plicht te onthullen wat waar is en te ontmaskeren wat
niet waar is. Misschien ben ik hier honderd jaar te vroeg aangekomen.
Het is mogelijk, en ik ben bang dat dit het geval is, . . . want de
mensen schijnen met de dag minder om de waarheid en iedere minuut
meer om goud te geven, – [en] mijn zwakke protesten en pogingen
zullen vruchteloos zijn; niettemin ben ik steeds gereed voor de grote
strijd, en ben er geheel op voorbereid om alle consequenties die mij
ten deel mogen vallen, te dragen.
– E.R.
Corson, Some Unpublished Letters of Helena Petrovna Blavatsky,
blz. 127-8
In
april keerde HPB voor korte tijd naar New York terug als eiseres in
een succesvol rechtsgeding over het bezit van een boerderij op Long
Island. Ze werd vertegenwoordigd door William M. Ivins, die een goede
vriend van haar werd. Twee weken lang als ‘gasten in een saai
plattelandshotel’, wachtend terwijl het proces zich voortsleepte,
hadden Ivins en zijn collega, een briljante student rechten genaamd
William E.S. Fales, die was benoemd om het getuigenis van HPB dat in
het Frans was afgelegd, te vertalen, urenlange gesprekken met haar over
occultisme, gnosticisme, kabbalisme, magie, rozenkruisers en dergelijke.
Begin mei, kort na het organiseren van een kleine onderzoekscommissie
die men de Miracle Club noemde, ontving Olcott zijn eerste brief van
een van HPB’s Egyptische leraren, bekend als Tuitit Bey. Op 21
mei schreef HPB aan Olcott dat men haar ‘een zware en gevaarlijke
taak had toevertrouwd om te ‘proberen’ jou, Harry, te onderwijzen,
waarbij ik me uitsluitend moet verlaten op mijn armzalige, gebrekkige
Engels’. In dezelfde brief zegt ze:
De loge zal deze week een artikel zenden, no. 1 van
de artikelenreeks die uit Luxor zal komen. Het is een soort
elementair inzicht dat door hen aan de wereld wordt gegeven. Het gaat
over wat een mens op aarde is en over het doel van zijn leven
hier of wat dat zou moeten zijn. Het toont aan dat de eerste zeven
van onze vroegere, huidige en latere bestaansvormen op verschillende
bollen slechts een soort embryonale probeersels, modelleringen van
de natuur . . . . zelf zijn, die zich oefent voor de uiteindelijke
vorming van de werkelijke, volledige mens, die pas
op de zevende bol een volmaakte microkosmos of een miniatuur
voorraadschuur wordt van voorbeelden van alles vanaf de alfa tot aan
de omega van de grote macrokosmos die hij tot in perfectie
moet vertegenwoordigen voordat hij verder gaat dan de zevende
bol . . . . Alle zeven bollen stellen de een na de ander de mens voor
in een toestand van een meer of minder ontwikkeld embryo
overeenkomstig zijn eigen inspanningen . . . . Het is mij toegestaan
u te zeggen dat de onderhavige artikelen in opdracht werden geschreven
door slechts kinderen van de wetenschap, door neofieten
(natuurlijk zullen ze zorgvuldig worden nagezien), en Tuitit
vindt ze, zoals ze nu zijn, te goed voor de onervaren Amerikanen,
hij zegt dat weinigen ze zullen begrijpen en velen van de
alwetende spiritisten zullen ertegenin gaan en zich geschokt
voelen. – HPB Speaks 1:37-43
Ongeveer een week later schreef ze in haar plakboek: ‘Opdracht
gekregen te beginnen het publiek de waarheid te vertellen over
de verschijnselen & hun mediums. En nu zal mijn martelaarschap
beginnen! Ik zal naast de christenen & de sceptici alle spiritisten
tegen mij krijgen! Uw wil, o M ..., geschiede!’ (H.P. Blavatsky
Collected Writings [BCW] 1:89-90).
Maar voordat HPB in dit opzicht veel kon doen, werd ze doodziek door
complicaties bij een blessure die ze in januari daarvoor aan haar been
had opgelopen. Eind mei en begin juni merkten degenen die aan haar ziekbed
zaten dat ze met tussenpozen drie of vier keer per dag voor dood lag,
telkens gedurende twee of drie uur. Haar dokter drong aan op amputatie.
‘Afsterving of suikerbonen, ik wil het niet
hebben!’ wierp ze vinnig tegen. ‘Stel je voor dat mijn been
vóór mij het land van de geest ingaat!’ Maar ‘twee
dagen pappen met koud water, en een witte pup, een
hond die ’s nachts over het been werd gelegd, genas alles in minder
dan geen tijd’ (HPB Speaks 1:81-2,93). Haar herstel was
verbazend snel gegaan, omdat ze op 8 juli sterk genoeg was om naar Boston
te reizen, waar ze een uitvoerig antwoord op een artikel over rozenkruisers
voltooide, dat haar was toegezonden voor publicatie in de Spiritual
Scientist, een vooraanstaand spiritualistisch tijdschrift waaraan
zij en Olcott hun steun hadden gegeven.
Het artikel werd geschreven onder het pseudoniem ‘Hiraf’
en te oordelen naar de redactionele noot – ongetwijfeld grotendeels
door HPB geschreven – wist ze waarschijnlijk dat het afkomstig
was van William Fales, die haar getuigenis in Long Island had vertaald.
Wat ze misschien niet heeft geweten was dat ‘Hiraf’ de naam
was van een club van vijf leden die voornamelijk uit advocaten bestond
– HIRAF was een acroniem van de eerste letter van hun achternamen
– en was opgericht om literatuur, in het bijzonder filosofie,
theologie en aanverwante zaken te bespreken. Jaren later onthulde William
Ivins dat het artikel over rozenkruisers door leden van Hiraf gezamenlijk
was geschreven: Frederick W. Hinrichs, William Fales en hijzelf. Hinrichs
schreef: ‘Wij jongelui hadden weinig eerbied, wat kennis, en enig
uitdrukkingsvermogen.’ Hoewel ze onder de indruk waren van HPB,
waren ze kennelijk niet zo onder de indruk van het spiritisme en de
esoterische wetenschap, en beschouwden hun poging in die tijd als het
‘toetsen [van] menselijke lichtgelovigheid’ (BCW
1:97-100).
Wat hun motieven misschien ook waren, HPB vond in dit artikel kennelijk
wat ze nodig had om haar ‘eerste occulte schot’, te lossen,
dat in twee gedeelten op 15 en 22 juli werd gepubliceerd.2
In die tijd waren de meeste lezers van HPB doordrongen van kerkelijke
dogma’s en van een beperkte, mechanische wetenschap. Zij wisten
niets van kwantumfysica, zwarte gaten of het Internet, en zo goed als
niets van oosterse filosofie, die alom als geheimzinnig, heidens en
inferieur werd beschouwd. En toch, door het lezen van een spiritualistisch
tijdschrift kreeg elk belangstelling voor tenminste één
vraag die ons grote zorgen baart: Wat gebeurt er met ons wanneer we
sterven? Het artikel van HPB begint als volgt:
ENKELE VRAGEN AAN ‘HIRAF’
Schrijver van het artikel over ‘Rozenkruisers’
door Mw. H.P. Blavatsky
Onder de talrijke wetenschappen die in deze eeuw door een goed gedisciplineerd
leger van ernstige onderzoekers worden beoefend, heeft geen enkele zo
weinig eerbetoon en zo veel spot ontvangen als de oudste ervan –
de wetenschap der wetenschappen, de eerbiedwaardige moeder van alle
tegenwoordige dwergen. . . .
In de regel is het occultisme een gevaarlijk tweesnijdend wapen voor
iemand die niet bereid is om er zijn hele leven aan te wijden. De theorie
ervan zal, als ze niet gepaard gaat met ernstige beoefening, in de ogen
van hen die bevooroordeeld staan tegenover zo’n impopulaire zaak,
altijd een zinloze, dwaze speculatie blijven, alleen geschikt om de
aandacht van onwetende oude vrouwen te trekken. . . . Spot is het dodelijkste
wapen van deze tijd en . . . het is niet waarschijnlijk dat we in deze
tijd ook maar één persoon zouden vinden die dapper genoeg
is om die spot zelfs maar te weerstaan door ernstig op zich te nemen
om de grote waarheden te bewijzen die in de tradities van het verleden
liggen besloten.
[HPB betoont dan eer aan Hiraf voor zo’n moed, maar geeft aan
dat het haar wens is haar lezers te laten delen]
in het weinige dat ik op mijn langdurige reizen door het hele oosten
– die bakermat van het occultisme – mij eigen maakte, in
de hoop enkele verkeerde denkbeelden te corrigeren, die hij schijnt
te koesteren en die oningewijde oprechte zoekers in verwarring zullen
brengen. . . .
In de eerste plaats betwijfelt Hiraf of er . . . voor neofieten in
deze geheime wetenschap zoiets als vaste scholen bestaan. Ik kan uit
persoonlijke ervaring zeggen dat er in het oosten zulke plaatsen zijn
– in India, Klein-Azië en andere landen. Evenals in de tijd
van Socrates en andere wijzen uit de oudheid, zullen ook nu degenen
die verlangend zijn de grote waarheid te kennen, altijd de gelegenheid
vinden, als zij maar ‘proberen’ iemand te ontmoeten die
hen naar de deur leidt van iemand ‘die weet wanneer en
hoe’. Al heeft Hiraf gelijk wat betreft de zevende regel
van de broederschap van het Rozenkruis, die zegt dat ‘de Rozenkruiser
wordt en niet wordt gemaakt’, toch kan hij zich vergissen
met betrekking tot de uitzonderingen, die altijd hebben bestaan bij
andere broederschappen die zijn gewijd aan het streven naar dezelfde
geheime kennis. En verder, wanneer hij beweert . . . dat de leer van
het Rozenkruis bijna is vergeten, kunnen wij antwoorden dat wij daarover
niet verbaasd zijn, en voegen eraan toe . . . dat de Rozenkruisers nu,
strikt gesproken, zelfs niet meer bestaan, omdat de laatste van die
broederschap in de persoon van Cagliostro is heengegaan.
Hiraf zou aan de naam Rozenkruisers in ieder geval moeten toevoegen
‘die bijzondere sekte’, want zij was tenslotte maar een
sekte, een van de vele vertakkingen van dezelfde boom.
[Volgens HPB ontsprongen die takken alle aan ‘de grote oosterse
moederwortel’ en zijn ‘oorspronkelijke oosterse kabbala’
– kabbala betekent (esoterische) ‘traditie’. Daarna
volgt ze kort enkele van de vertakkingen ervan, en verwijst naar de
Egyptische, Pythagorische en Griekse mysteriën, het oorspronkelijke
christendom, de vroeg-gnostische richtingen, en hun verband met de
oorsprong van de broederschap van het Rozenkruis in de 13de eeuw.]
Zij [de Rozenkruisers] werden de spreekwoordelijke alchemisten en tovenaars.
Later . . . brachten ze de meer moderne theosofen voort, met Paracelsus
aan het hoofd, en de alchemisten. . .
De kabbala van de Rozenkruisers is slechts een beknopte samenvatting
van de joodse en oosterse kabbala gecombineerd, waarbij laatstgenoemde
de geheimste van alle is. De oosterse kabbala, het enig bestaande
bruikbare en volledige exemplaar wordt zorgvuldig bewaard aan het hoofdkwartier
van deze broederschap in het oosten en, daar kan ik zonder meer voor
instaan, zal nooit uit haar bezit geraken. . . . Iemand die wenst te
‘worden’, moet voor zijn kennis duizenden verspreide boekdelen
doornemen en stukje bij beetje, feiten en lessen verzamelen. Tenzij
hij de kortste weg neemt en erin toestemt om ‘te worden gemaakt’,
zal hij nooit een praktische kabbalist worden en met al zijn geleerdheid
op de drempel van de ‘geheimzinnige poort’ blijven staan.
. . . [Toch] staan de oosterse Rozenkruisers in de serene zaligheid
van hun goddelijke kennis steeds gereed om de ernstige onderzoeker,
die worstelt om te ‘worden’, bij te staan met praktische
kennis die als een hemelse bries de zwartste wolken van twijfel verdrijft.
‘Omdat ze weten dat hun mysteries, als die openbaar werden gemaakt’,
in de tegenwoordige chaotische toestand van de maatschappij ‘slechts
verwarring en dood zouden teweegbrengen’, sluiten zij die kennis
op in zichzelf. Als erfgenamen van die oorspronkelijke hemelse wijsheid
van hun eerste voorvaderen bewaren zij de sleutels die de best bewaakte
geheimen van de natuur ontsluiten, en verstrekken die slechts geleidelijk
en met de grootste voorzichtigheid. Maar toch geven ze soms
een gedeelte ervan.
[Na een korte uitweiding over de verheven leringen van Christus,
Boeddha, Lao-tse en anderen, verklaart HPB het doel van haar artikel,
namelijk om ‘ten eerste, de kleine verschillen te laten zien
tussen de twee kabbala’s – die van de Rozenkruisers en
de oosterse; en ten tweede, om te zeggen dat de hoop . . . dat het
onderwerp in de toekomst meer naar waarde zal worden geschat dan tot
nu toe het geval is geweest, misschien meer kan worden dan alleen
hoop’.
Ze herleidt dan de oorsprong van de ‘kabbala van de Rozenkruisers’
op de joodse kabbala die volgens zijn eigen traditie werd geschreven
door Simeon ben Yohai op het moment van de tweede vernietiging van
de Tempel in 70 na Chr.]
Vóór die tijd waren alle geheimzinnige leringen tot ons
gekomen in een onafgebroken lijn van uitsluitend mondelinge tradities
die zover teruggaat als dat de mens zijn eigen spoor op aarde terug
kan volgen. Ze werden nauwgezet en angstvallig bewaakt door de wijzen
van Chaldea, India, Perzië en Egypte en werden doorgegeven van
de ene ingewijde aan de andere, in dezelfde zuivere vorm als toen ze
aan de eerste mens werden gegeven door de engelen, leerlingen in Gods
grote theosofische seminarie.
[Dit schijnt de eerste keer te zijn dat HPB de woorden theosoof
en theosofisch openbaar in druk gebruikt, hoewel ze in haar
brief van 16 februari aan Hiram Corson verklaarde dat haar geloof
‘afkomstig is uit dezelfde bron van kennis als door . . . werd
gebruikt [die alle] steeds hebben gezocht naar een stelsel dat voor
hen ‘de diepste diepten’ van de goddelijke natuur zou
onthullen, en hen de werkelijke band zou tonen waardoor alle dingen
worden bijeengehouden. Ik ontdekte tenslotte, en wel vele jaren
geleden, dat de verlangens van mijn geest werden tevredengesteld door
deze theosofie die door de engelen was onderwezen en door
hen was medegedeeld . . . om het lot van de mensheid te verlichten’
(Corson, blz. 128, cursieven toegevoegd – let op de verwijzing
naar broederschap).
Met betrekking tot de oorsprong en de naamgeving van The Theosophical
Society, die plaatsvond in september 1875 – zeven maanden na
de brief van Corson en minder dan twee maanden na het artikel van
Hiraf – dacht Olcott dat het idee voor de Society bij hem was
opgekomen en, toen het eropaan kwam een naam voor de nieuwe society
te vinden, luidt het traditionele verslag dat een van de stichtende
leden, de vrijmetselaar van hoge rang Charles Sotheran, de bladzijden
van een woordenboek omsloeg tot het woord theosofie. Het
is dan van enig belang dat HPB in haar plakboek schreef dat ze in
juli 1875 ‘rechtstreeks uit India ‘opdracht’
had ontvangen . . . om een filosofisch-religieuze Society te stichten
en er een naam – voor te kiezen, en ook om Olcott te kiezen’.
Laten we terugkeren naar HPB’s artikel. Na de bron van de oosterse
kabbala te hebben toegelicht, of het ‘samengestelde mystieke
leerboek van alle grote geheimen van de natuur’, richt ze zich
op de filosofische inhoud ervan, en vergelijkt de opvattingen over
de oorsprong van het kwaad daarin met die uit de westerse kabbala.
Hier staan de eerste verwijzingen naar de basisleer van de theosofie
die HPB in haar latere boeken uitwerkte, in het bijzonder de drie
grondstellingen van De Geheime Leer (1:43-47) waarin wordt
beschreven 1) het grenzeloze beginsel of de goddelijke bron waarin
alle dingen zijn geworteld en dat is geworteld in alle dingen; 2)
de wet van de cyclussen, ofwel periodiciteit; en 3) dat alle zielen
in de kern identiek zijn met de universele overziel, en de wedergeboorten
en wederbelichamingen van alle zielen op de neergaande en opgaande
bogen door de zeven bollen van de planeetketen.]
De oosterse filosofie . . . ontkent dat het grote ain-soph (het eindeloze
of grenzeloze), dat zijn bestaan bekendmaakte door middel van geestelijke
substantie, uitgezonden uit zijn oneindige licht . . . , ooit een eindeloos
macrokosmisch kwaad kon scheppen. Deze (oosterse filosofie) leert ons
dat, al worden de eerste drie van de zeven bollen – aangenomen
dat onze planeet de vierde is – door elementaire of toekomstige
mensen bewoond (dit kan misschien de moderne reïncarnatieleer
verklaren) en al zijn ze totdat ze zulke mensen worden wezens zonder
onsterfelijke zielen in zich, en vormen ze slechts de ‘grofste
zuiveringen van het hemelse vuur’ [dat is: de meest elementaire
vormen], toch behoren ze niet tot het eeuwige kwaad. Elk van hen heeft
de mogelijkheid dat zijn materie wordt herboren op deze ‘vierde
bol’, die onze planeet is, en zo vindt ‘de grote zuivering’
plaats door de onsterfelijke Adem van de Oude der Ouden, die ieder mens
een deel van zijn grenzeloze zelf schenkt. Hier op onze planeet begint
de eerste geestelijke overgang, van het oneindige naar het eindige,
van de elementaire stof die het eerst voortkwam uit de zuivere intelligentie,
of God, en tevens de werking van dat zuivere beginsel op deze materiële
zuivering. Aldus begint de onsterfelijke mens zich op de eeuwigheid
voor te bereiden.
. . . Bij onze overgang naar iedere volgende bol raken we iets van
onze oorspronkelijke grofheid kwijt. Daarom is er eeuwige vooruitgang
– stoffelijk en geestelijk – voor elk levend wezen.
[HPB besteedde de haar resterende 16 jaar met onovertroffen talent
en bekwaamheid aan het toelichten van deze alinea. Hier voegde ze
er slechts aan toe dat de joodse kabbala en de hermetische en rozenkruisersstelsels
waren gevormd naar het voorbeeld van deze oude ‘oorspronkelijke’
traditie, en dat die elk op hun manier licht wierpen op:]
1. De aard van het hoogste wezen;
2. De oorsprong, schepping en voortbrenging van het heelal, de macrokosmos;
3. De schepping of voortbrenging of uitvloeiing van engelen
en mensen;
4. De uiteindelijke bestemming van engelen, mensen en het heelal; of
de invloeiing;
5. Aan de mensheid de werkelijke betekenis van het geheel van de Hebreeuwse
geschriften duidelijk te maken.
[Als we rekening houden met de westerse terminologie, geeft deze
lijst bijna de inhoudsopgave van de latere geschriften van HPB, vooral
van De Geheime Leer, waarin elk punt aan de hand van de Stanza’s
van Dzyan wordt toegelicht.]
Zoals ik hierboven heb gezegd, is het een feit dat de ware, volledige
kabbala van de eerste eeuwen van de mensheid in het bezit is van maar
enkele oosterse filosofen; . . . dat de plaats van hun broederschappen
nooit zal worden onthuld aan andere landen tot de dag waarop het grootste
deel van de mensheid uit haar geestelijke lethargie zal ontwaken, en
haar ogen worden geopend voor het schitterende licht van de waarheid.
Een te vroegtijdige ontdekking zou haar misschien voor altijd in duisternis
laten.
[Niettemin wenste HPB duidelijk te maken dat de bedoeling van deze
broederschap was om geleidelijk die gedeelten van de heilige
wetenschap opnieuw te introduceren die]
deze wolken en de ongezonde nevelen van een duizendtal godsdienstige
sekten, die de huidige eeuw ontsieren, zouden verdrijven . . . , en
de miljoenen ongelukkige zielen die onder de ijzige hand van een verstikkend
scepticisme huiveren en half bevroren zijn tot een nieuw leven op te
roepen. De waarheid zal tenslotte zegevieren en het spiritualisme, de
nieuwe wereldveroveraar, die als de legendarische feniks uit de as van
haar voorouder, het occultisme, weer tot leven komt, zal alle vijandige
rassen voor altijd in één onsterfelijke broederschap verenigen;
. . .
[Deze verklaring van haar opdracht is zo duidelijk als men zich maar
kan wensen, en het belangrijkste doel ervan is even duidelijk: dat
van een universele broederschap van alle rassen – en
dat hoeft niet te worden beperkt tot alleen mensenrassen. Het is niet
te begrijpen hoe behoedzaam HPB en haar leraren deze gedachte moesten
introduceren in de diep bevooroordeelde tijdgeest van het einde van
de 19de eeuw. Niettemin formuleerde The Theosophical Society pas nadat
Isis Ontsluierd was gepubliceerd – na mei 1878 –
haar belangrijkste doel: ‘te helpen bij het tot stand brengen
van een broederschap van de mensheid, waarin alle goede en zuivere
mensen, van elk ras, elkaar zullen erkennen als de gelijkwaardige
gevolgen (op deze planeet) van één ongeschapen, universele,
oneindige en altijddurende oorzaak.’ Het historische verslag,
zowel hier en in de brief aan Corson, laat ons dus zien dat broederschap
als doelstelling vanaf het begin een rol speelde.
HPB besluit haar artikel – waarbij ze weer uitkomt bij het
thema waarmee ze begon – door zich af te vragen: ‘Welke
hoop kan er zijn voor een occultist van deze tijd die alleen geschoold
is in theoretische kennis, om ooit zijn doel te bereiken?’]
Occultisme zonder het in praktijk te brengen, zal altijd zijn als het
standbeeld van Pygmalion, en niemand kan het tot leven wekken zonder
het te bezielen met een vonk van het heilige goddelijke vuur. . . .
De Rozenkruiser moest ALLEEN strijden, en jarenlang
zwoegen om alleen op grond van zijn beproeving enkele van de voorlopige
geheimen – het ABC van de grote kabbala – te vinden, waarbij
al zijn verstandelijke en stoffelijke krachten moesten worden getoetst.
Daarna, als hij waardig was bevonden, werd het woord ‘probeer’
voor de laatste keer herhaald vóór de eindceremonie van
de beproeving. Wanneer de hogepriesters van de tempel van Osiris, van
Serapis, en anderen, de neofiet voor de gevreesde godin Isis brachten,
werd het woord ‘probeer’ voor de laatste maal uitgesproken;
en als de neofiet dan bij dat laatste mysterie, de meest gevreesde en
ergste van alle verschrikkingen voor hem die niet wist wat hem te wachten
stond, kon standhouden, als hij onverschrokken ‘de sluier van
Isis’ wegnam, werd hij een ingewijde en had niets meer te vrezen.
Hij had de laatste beproeving doorstaan, en vreesde niet langer van
aangezicht tot aangezicht te staan met de bewoners van ‘de overkant
van de donkere rivier’.
De enige oorzaak van de verschrikking en vrees die we in tegenwoordigheid
van de dood voelen, ligt in zijn onopgeloste mysterie. Een christen
zal er altijd min of meer bang voor zijn; een ingewijde van de geheime
wetenschap, of een werkelijke spiritualist, nooit, want de
twee laatstgenoemden hebben de sluier van Isis opgelicht en het grote
vraagstuk is door beiden in theorie en in de praktijk opgelost.
. . . Als men mij naar het bewijs daarvoor vraagt, antwoord ik dat
het niet tot mijn taak behoort anderen te leren wat zijzelf met weinig
moeite zich eigen kunnen maken, vooropgesteld dat ze zich de moeite
geven te lezen en na te denken over wat ze hebben gelezen. Bovendien
nadert de tijd waarin elk oud bijgeloof en de dwalingen van eeuwen door
de orkaan van de waarheid moeten worden weggevaagd. . . .
Spiritualisme is nu nog maar een baby, een onwelkome vreemdeling; en
de publieke opinie probeert haar als een onnatuurlijke pleegmoeder de
mond te snoeren. . . Het behoort tot de exacte kennis van het occultisme
om veel van wat in het spiritisme ‘weerzinwekkend’ lijkt,
aan enkele overgevoelige orthodoxe zielen te verklaren, en het beeld
ervan te wijzigen. Laatstgenoemden . . . zullen beginnen met te bewijzen,
dat het occultisme, als het al bestaat, de verboden ‘zwarte
kunst’ is, de toverij waarvoor mensen niet zolang geleden werden
verbrand. In dat geval zal ik nederig antwoorden, dat er niets in de
natuur is, dat niet twee kanten heeft. Het occultisme is daarop zeker
geen uitzondering en bestaat uit witte en zwarte magie.
Maar hetzelfde geldt voor de orthodoxe godsdienst. . . . In feite is
er een wit en een zwart christendom, maar ook witte
en zwarte magie.
[Na te hebben aangetoond dat ‘er nauwelijks een rite of ceremonie
in de christelijke kerk bestaat die niet voortkomt uit het occultisme’,
besluit HPB haar artikel met een intrigerende uitspraak:]
Tot slot zal ik misschien zelfs orthodoxe spiritisten verbazen door
opnieuw te bevestigen dat allen die ooit van onze recente materialisaties
van werkelijke geestvormen getuige zijn geweest, zonder het te weten
de ingewijde neofieten van het oude mysterie zijn geworden; want elk
van hen heeft het vraagstuk van de dood opgelost, heeft ‘de sluier
van Isis opgelicht’.
[In haar plakboek nam HPB een knipsel op van dit artikel, en aan het
einde ervan schreef ze met de pen: ‘Schot no.1. – Geschreven
door H.P.B. in directe opdracht van S*********’ (waarschijnlijk
Serapis Bey). Dit markeert wat we het officiële begin van het moderne
theosofische tijdperk kunnen noemen. En, als men het werk beschouwt
dat volgde, de opera, wat zou men dan nog meer van een ouverture
kunnen verlangen en van het opnieuw openstellen van de weg?]
Verwijzingen
- Plato, De Staatsman §274; vergelijk
‘Cyclische vernieuwingen’,
Sunrise, september/oktober 1997.
- Engelse tekst herdrukt in H.P. Blavatsky: Collected
Writings 1:101-118.