De leer van de cyclussen is een belangrijk, boeiend en verhelderend
onderwerp. Als we deze bestuderen, zien we dat het om een logische en
veelomvattende wet gaat, die niet alleen nauw verband houdt met ons
dagelijks leven, maar die ook een universele werkingssfeer heeft. Naast
de details van ons hele bestaan heeft ze betrekking op alles en op elk
ander wezen in het heelal. Kortom, de wet van de cyclisch terugkerende
gebeurtenissen blijkt de grondslag te vormen of het regulerende beginsel
te zijn van alles, van voorvallen en werkingen, zichtbare en onzichtbare,
geestelijke en stoffelijke, in tijd en ruimte. Zij leert ons tenslotte
waarom de dingen op een bepaald moment gebeuren. In de oudheid begreep
men de machtige invloed van de natuurwet van periodiciteit en wist men
dat ze onderdeel vormde van het kosmische plan van eenheid toen men
zei: ‘Zo boven, zo beneden’.
Cyclussen zijn zo gewoon dat we ze even vanzelfsprekend vinden als
de lucht die we inademen, het water dat we drinken, en de vaste grond
onder onze voeten. We kunnen ons niet voorstellen hoe de wereld eruit
zou zien zonder de vertrouwde herhaling van licht en duisternis elke
vierentwintig uur, en de elkaar regelmatig opvolgende seizoenen, gebeurtenissen
die verband houden met de dagelijkse omwenteling van onze planeet en
haar jaarlijkse gang rond de zon. Ook wij volgen die ritmische gedragslijn;
’s avonds gaan we naar bed om de volgende morgen te ontwaken voor
een nieuwe periode van activiteit. Op dezelfde manier verloopt op een
wat grotere schaal ons hele leven. We beginnen in de nevelige dageraad
van de kleutertijd, ontwaken langzaam in de kinderstaat, komen in het
volle daglicht van de jeugd, enz., tot het middaguur van de volwassenheid
slaat. Dan volgt de ommekeer op de boog van het leven en gaan we geleidelijk
omlaag om tot rust te komen in de langer wordende schaduwen van de oude
dag. Maar de polsslag van het geestelijke zelf diep in ons houdt nooit
op, of we hier belichaamd zijn of vrij zijn van de aarde. Als de dood
ons van het lichaam verlost, begint een nieuwe cyclus van wedergeboorte
in het thuisland van de ziel.
Na de dood ontwaakt ons betere zelf in hogere bestaansgebieden waar
het vervuld raakt van prachtige visioenen, en een zegenrijke, verfrissende
rust ondergaat die kracht en moed geeft voor een nieuwe periode van
aardse levenslessen. Zo komen we keer op keer terug met het nieuwe lichaam
en het nieuwe brein van een pasgeboren kind, klaar voor een volgende
ronde in het proces dat ons voert naar onze verheven bestemming. Onze
talloze levens zijn als mini-kringlopen op de majestueuze boog van de
levenscyclus van het zonnestelsel. Op dezelfde manier ontstaan ontelbare
heelallen. Als de machtige kosmische beweging van een gemanifesteerde
levensperiode haar hoogtepunt heeft bereikt, richt ze zich naar het
einde van de cirkelgang. Tenslotte zal het belichaamde heelal zich oplossen
in de oceaan van de ruimte voor een kosmische rustperiode, waarin alles
zich gereedmaakt voor een nieuwe, grootsere ronde van gemanifesteerd
bestaan.
De ogenblikken die voorbijgaan kunnen we als het ware zien als tijdatomen,
wentelende eenheden van tijd. Hun ritmische herhaling is als de gestage
polsslag van de tijd in de levensperiode van een heelal met al zijn
onderling verbonden raderen binnen raderen van tijd, ruimte en bewustzijn.
De menselijke pelgrim is een vonk van de goddelijke vlam, die door alle
gebieden van de stof afdaalt om dan weer op te stijgen via een vervolmaakt
menszijn naar het godzijn, op weg terug naar het goddelijke.
Een cyclus betekent een ring of wenteling. Het is niet een gesloten
cirkel, maar een doorlopende rondgaande baan, die zich uitbreidt en
vooruitgaat, zodat het pad van elke vorige ronde wordt opgenomen in
een groter meeromvattend patroon van vooruitgang. Een typisch voorbeeld
van cyclische groei is de vorm van de zich uitbreidende krommen van
de kamers van de nautilus, en zelfs van de vorm van een gewoon slakkenhuis.
Een vakman ziet deze gedachte weerspiegeld in de draaiing van een schroefdraad,
of misschien nog volmaakter in de aanhoudende kromming van een springveer.
Maar geen enkele symbolische vorm kan ook maar bij benadering de ingewikkelde
bewegingen en de samengestelde aard weergeven van de ontelbare raderen
binnen raderen van de tijd, van de omstandigheden en van het bewuste
zich ontvouwende leven, die altijd samen hun wentelgang volbrengen.
De universele beweging volgt een spiraalbaan op alle bestaansgebieden,
fysische zowel als metafysische. Hetzelfde evolutiepad zet zich voort
door de materiële, de mentale en de geestelijke gebieden. Vertoont
de loop van het dagelijks leven niet een wisselwerking tussen de activiteit
van lichaam, ziel en geest van de mens?
De grotere cyclussen omvatten talloze kleinere van verschillende omvang
en aard die elkaar beïnvloeden, zoals we zullen zien. Toeval speelt
hierin helemaal geen rol, want alles is in beweging met een op elkaar
afgestemde precisie, die het gevolg is van intelligente leiding. We
bevinden ons in een heelal waarin wet en orde heersen. We weten dat
de natuur in haar bewegingen geen onregelmatige en ongemotiveerde sprongen
maakt. Een kind groeit niet op in één enkele dag, en winter
en zomer wisselen elkaar niet af van de ene dag op de andere. Elk ding
en elke gebeurtenis speelt zijn rol in een grotere ronde, en volgt daarbij
zijn eigen koers die op karmische wijze is afgestemd op het geheel.
Het feit dat cyclussen in het algemeen elkaar overlappen en in elkaar
grijpen, komt duidelijk tot uiting in de bekende elkaar overlappende
veranderingen en gebeurtenissen van het dagelijks leven. Gisteren, vandaag
en morgen vervolgen samen hun weg als één doorgaande beweging.
Ons eigen gevoel van identiteit, dat nu volledig is ontwikkeld, is tevens
het ontmoetingspunt van een verdwijnend zelf uit het verleden en van
een beginnend toekomstig zelf. Het periodiek terugkeren van karmische
omstandigheden uit vroegere levens verklaart veel over de raadselachtige
toestand waarin de wereld zich bevindt. Terwijl onze moderne beschaving
een zeker hoogtepunt heeft bereikt in een briljante intellectuele en
materialistische evolutie, is de oude orde van zaken, in het algemeen
gesproken, op het gebied van de regering, de wetenschap, de religie,
het bedrijfsleven, enz., bezig te verdwijnen. De worstelingen van de
aflopende cyclus vermengen zich met de barensweeën van een nieuwe,
die de weg zal openen voor een meer gezonde en evenwichtige vooruitgang.
De wijzen onder ons zien in de tekenen van de tijd misschien een duidelijke
uitdaging. Er schuilen gevaren in het achterblijven en het zich vastklampen
aan verouderde normen betreffende het individuele en collectieve leven.
Wie een beroep doet op de fijnere krachten van zijn eigen natuur, zal
vooruitgaan en deelhebben aan de stuwende kracht van de stroom van het
universele leven die altijd door alle dingen en wezens vloeit.
De huidige situatie lijkt in veel opzichten een herhaling van de omstandigheden
die heersten tijdens het hoogtepunt van de Romeinse macht en kennis,
voorafgaande aan de achteruitgang en val van het keizerrijk. Ook ons
ontbreekt het aan die geestelijke groei die essentieel is voor het handhaven
van een natuurlijk evenwicht tussen grote verworvenheden op mentaal
en materieel gebied. Kennelijk hebben ook wij de veilige grens bereikt,
als het gaat om het beheersen van de krachten van geest en stof. Deze
krachten die op zichzelf neutraal zijn, kunnen een goede of kwade invloed
uitoefenen. Als ze voor het welzijn van de mensheid worden gebruikt,
zijn ze een zegen voor allen; een zelfzuchtig gebruik leidt tot ontbinding
en vernietiging. Maar we hoeven de fouten van het verleden niet te herhalen.
Het wordt tijd dat de mens meer volledig mens wordt en uit zijn eigen
natuur die fijnere en edeler eigenschappen en krachten tevoorschijn
roept die daarvoor nodig zijn.
Ongetwijfeld leven we in een kritieke tijd. Maar als we de verantwoordelijkheden
die dit meebrengt eerlijk en met open ogen tegemoettreden, kan het voor
ons een tijd met buitengewone mogelijkheden betekenen. De mens is in
feite een geestelijk wezen en is in staat die krachten te beheersen,
die zijn zelfzucht zou kunnen gebruiken voor zijn eigen ondergang. Diezelfde
krachten kunnen worden aangewend om een betere en meer geschikte wereldorde
op te bouwen. Want achter de dreigende wolken die het zicht verduisteren,
daagt al een nieuwe cyclus van innerlijk licht, van vrede en vooruitgang.
In het licht van de gemeenschappelijke oorsprong van de mens, zijn gezamenlijke
belang, en uiteindelijke doel, is het tijd de kinderachtige dingen achter
ons te laten en vooruit te gaan in de nieuwe cyclus.
Het is ook een stimulerende en bevrijdende gedachte te weten dat wij
allen door het heelal reizen in zo’n goed gezelschap, want elke
planeet en elke zon of ster is het lichaam of de woonplaats van een
illuster hemels wezen. ‘Een vriendelijk heelal’ is niet
zomaar een gezegde, maar is letterlijk de waarheid. De hele opzet van
de dingen is zo volmaakt, zo rechtvaardig en zo natuurlijk dat de enige
vraag luidt: Hoe zou het anders kunnen zijn?
De leer van de cyclussen belichaamt een wetenschappelijke, filosofische
en religieuze basis voor een alomvattende levensfilosofie. En hoe dieper
men delft, des te duidelijker blijkt de mystieke en essentiële
eenheid van de mens en de natuur. Aangespoord door het in leven na leven
oogsten van de gevolgen van vroegere omstandigheden waardoor de menselijke
ziel het gebied van de persoonlijkheid kan vrijmaken om op een wijzere
manier te zaaien, zal ze in de periodiek terugkerende belichamingen
haar innerlijke vermogens ontwikkelen en tenslotte een stadium bereiken
dat het menselijke te boven gaat, met als vanzelfsprekend doel om meer
dan alleen menselijk te worden. Alle levensstromen – kosmische
zowel als aardse – vloeien naar gebieden van groter licht en meer
volmaakte vormen, van denkbeelden die getuigen van meer verstand en
van meer geestelijke idealen.
Ieder mens bevindt zich als een zelfbewuste eenheid op zijn eigen plaats
in de algemene stroom van de mensheid die zich met een gemiddelde snelheid
voortbeweegt om zijn planetaire loopbaan gedurende de zeven tijdperken
van het leven van de aarde te volbrengen. Maar elk mens heeft de mogelijkheid
zich zodanig te trainen dat hij voorloopt op mensen met een gemiddeld
tempo. Het resultaat van die zelfgeleide pogingen zien we onder ons,
in allerlei graderingen, als mensen die boven de middelmaat uitsteken,
genieën, meesters en heilanden. Eens in de toekomst zullen we het
‘moment van keuze’ voor dit ras bereiken, waarvan de uitkomst
zal bepalen of we zullen doorgaan, en de grote planetaire ronde op de
opgaande boog zullen voltooien. Als we onvoldoende zijn voorbereid om
de opwaartse stroom bij te houden, zullen we achterblijven, en stranden
op een zandbank van de tijd. Daar moeten we wachten op een volgende
grote cyclus om de evolutie voort te zetten met het langzaam ontplooien
van een nieuwe mensheid. De kwestie is dat de goddelijke stuwkracht
die zich overal in de kosmos manifesteert, is afgestemd op vooruitgang;
de mens die een wezenlijk deel van het heelal uitmaakt, moet mee, hoeveel
hij ook vertraagt en zichzelf daardoor tekortdoet. De ‘cyclus
van noodzakelijkheid’ is onvermijdelijk. We zien dus dat de oorsprong
van de ethiek niet ligt in een menselijk besluit, maar een werkelijkheid
is die deel uitmaakt van het weefsel van het heelal zelf.
In de rechtvaardigheid van de natuurwet is het uiteindelijke moment
van keuze slechts de optelsom van – en het evenwicht dat voortvloeit
uit – de vele dagelijkse keuzen tussen goed en kwaad die de mens
in zijn vele levens heeft gedaan waarbij hij als een zelfbewust wezen
zijn vrije wil heeft gebruikt. Op dit moment is de mens het slagveld
van zijn eigen tweevoudige natuur, die enerzijds vecht voor zelfzuchtige,
persoonlijke ambities en verlangens, en anderzijds voor geestelijk denken
en onpersoonlijk handelen. We hebben allen onze kleine zwakheden die
onze goede eigenschappen in feite onwaardig zijn. De algemene tendens
van onze tweevoudige gedachten en impulsen schijnt automatisch op ons
denken en voelen in te werken, omdat elk daarvan een cyclische herhaling
vertegenwoordigt. Het zijn de elementen van het door onszelf opgebouwde
karakter. Elke gedachte en impuls ontleent zijn energie aan onze eigen
levenskracht, en neemt in sterkte toe telkens als hij terugkeert en
de vrije hand krijgt. Als onze gedachten en gevoelens klein en zelfzuchtig
zijn, zullen onze reacties op zowel oude als nieuwe relaties en omstandigheden
worden gekleurd door jaloezie, afgunst, woede, haat, achterdocht, bedrog,
enz. We brengen instinctief ons karakter tot uitdrukking.
Als we de tegenovergestelde eigenschappen van edelmoedigheid, vriendelijkheid,
sympathie, liefde, vertrouwen, aspiratie, oprechtheid en dergelijke
hebben versterkt, keren ook deze tot ons terug op hun veredelende rondgang.
Onze tweevoudige impulsen maken beide gebruik van het brein om te oordelen
over goed en kwaad in de innerlijke worsteling tussen het geweten en
onze verlangens. Als we de juiste beslissing nemen, verliest onze lagere
natuur aan kracht en wordt ons betere zelf sterker. Als we dit vermogen
om stap voor stap een edel karakter te scheppen erkennen, doen zich
ook de kansen voor waardoor we steeds een stapje verder komen om aan
de gewone gang van het dagelijks leven het hoofd te bieden. Deze ogenschijnlijk
kleine overwinningen bundelen hun kracht, waardoor we zijn opgewassen
tegen de grotere problemen die onze ziel zwaar op de proef stellen.
Zelfs het falen kan soms gelden als succes, want als we doorgaan met
de strijd bouwen we aan onze morele kracht en verspreiden iets in de
atmosfeer waardoor we een helpende kracht kunnen zijn.
Elke dag is voor allen een nieuw begin, wat er in het verleden ook
is gebeurd. Het zich ontplooien, vooruitgaan, en worden is de natuurlijke
en wezenlijke impuls van alles en van ieder wezen. Een leven dat van
buitenaf gezien somber en moeilijk is, kan een cyclus betekenen die
kansen biedt voor de innerlijke mens om zijn moed en onpersoonlijke
kracht te tonen. Met de woorden van Emerson: ‘De ziel kent alleen
de ziel; het web van de gebeurtenissen is het veranderende kleed waarin
ze is gehuld.’