Cyclussen die kansen bieden
Lydia Ross, M.D.

 

De leer van de cyclussen is een belangrijk, boeiend en verhelderend onderwerp. Als we deze bestuderen, zien we dat het om een logische en veelomvattende wet gaat, die niet alleen nauw verband houdt met ons dagelijks leven, maar die ook een universele werkingssfeer heeft. Naast de details van ons hele bestaan heeft ze betrekking op alles en op elk ander wezen in het heelal. Kortom, de wet van de cyclisch terugkerende gebeurtenissen blijkt de grondslag te vormen of het regulerende beginsel te zijn van alles, van voorvallen en werkingen, zichtbare en onzichtbare, geestelijke en stoffelijke, in tijd en ruimte. Zij leert ons tenslotte waarom de dingen op een bepaald moment gebeuren. In de oudheid begreep men de machtige invloed van de natuurwet van periodiciteit en wist men dat ze onderdeel vormde van het kosmische plan van eenheid toen men zei: ‘Zo boven, zo beneden’.

Cyclussen zijn zo gewoon dat we ze even vanzelfsprekend vinden als de lucht die we inademen, het water dat we drinken, en de vaste grond onder onze voeten. We kunnen ons niet voorstellen hoe de wereld eruit zou zien zonder de vertrouwde herhaling van licht en duisternis elke vierentwintig uur, en de elkaar regelmatig opvolgende seizoenen, gebeurtenissen die verband houden met de dagelijkse omwenteling van onze planeet en haar jaarlijkse gang rond de zon. Ook wij volgen die ritmische gedragslijn; ’s avonds gaan we naar bed om de volgende morgen te ontwaken voor een nieuwe periode van activiteit. Op dezelfde manier verloopt op een wat grotere schaal ons hele leven. We beginnen in de nevelige dageraad van de kleutertijd, ontwaken langzaam in de kinderstaat, komen in het volle daglicht van de jeugd, enz., tot het middaguur van de volwassenheid slaat. Dan volgt de ommekeer op de boog van het leven en gaan we geleidelijk omlaag om tot rust te komen in de langer wordende schaduwen van de oude dag. Maar de polsslag van het geestelijke zelf diep in ons houdt nooit op, of we hier belichaamd zijn of vrij zijn van de aarde. Als de dood ons van het lichaam verlost, begint een nieuwe cyclus van wedergeboorte in het thuisland van de ziel.

Na de dood ontwaakt ons betere zelf in hogere bestaansgebieden waar het vervuld raakt van prachtige visioenen, en een zegenrijke, verfrissende rust ondergaat die kracht en moed geeft voor een nieuwe periode van aardse levenslessen. Zo komen we keer op keer terug met het nieuwe lichaam en het nieuwe brein van een pasgeboren kind, klaar voor een volgende ronde in het proces dat ons voert naar onze verheven bestemming. Onze talloze levens zijn als mini-kringlopen op de majestueuze boog van de levenscyclus van het zonnestelsel. Op dezelfde manier ontstaan ontelbare heelallen. Als de machtige kosmische beweging van een gemanifesteerde levensperiode haar hoogtepunt heeft bereikt, richt ze zich naar het einde van de cirkelgang. Tenslotte zal het belichaamde heelal zich oplossen in de oceaan van de ruimte voor een kosmische rustperiode, waarin alles zich gereedmaakt voor een nieuwe, grootsere ronde van gemanifesteerd bestaan.

De ogenblikken die voorbijgaan kunnen we als het ware zien als tijdatomen, wentelende eenheden van tijd. Hun ritmische herhaling is als de gestage polsslag van de tijd in de levensperiode van een heelal met al zijn onderling verbonden raderen binnen raderen van tijd, ruimte en bewustzijn. De menselijke pelgrim is een vonk van de goddelijke vlam, die door alle gebieden van de stof afdaalt om dan weer op te stijgen via een vervolmaakt menszijn naar het godzijn, op weg terug naar het goddelijke.

Een cyclus betekent een ring of wenteling. Het is niet een gesloten cirkel, maar een doorlopende rondgaande baan, die zich uitbreidt en vooruitgaat, zodat het pad van elke vorige ronde wordt opgenomen in een groter meeromvattend patroon van vooruitgang. Een typisch voorbeeld van cyclische groei is de vorm van de zich uitbreidende krommen van de kamers van de nautilus, en zelfs van de vorm van een gewoon slakkenhuis. Een vakman ziet deze gedachte weerspiegeld in de draaiing van een schroefdraad, of misschien nog volmaakter in de aanhoudende kromming van een springveer.

Maar geen enkele symbolische vorm kan ook maar bij benadering de ingewikkelde bewegingen en de samengestelde aard weergeven van de ontelbare raderen binnen raderen van de tijd, van de omstandigheden en van het bewuste zich ontvouwende leven, die altijd samen hun wentelgang volbrengen. De universele beweging volgt een spiraalbaan op alle bestaansgebieden, fysische zowel als metafysische. Hetzelfde evolutiepad zet zich voort door de materiële, de mentale en de geestelijke gebieden. Vertoont de loop van het dagelijks leven niet een wisselwerking tussen de activiteit van lichaam, ziel en geest van de mens?

De grotere cyclussen omvatten talloze kleinere van verschillende omvang en aard die elkaar beïnvloeden, zoals we zullen zien. Toeval speelt hierin helemaal geen rol, want alles is in beweging met een op elkaar afgestemde precisie, die het gevolg is van intelligente leiding. We bevinden ons in een heelal waarin wet en orde heersen. We weten dat de natuur in haar bewegingen geen onregelmatige en ongemotiveerde sprongen maakt. Een kind groeit niet op in één enkele dag, en winter en zomer wisselen elkaar niet af van de ene dag op de andere. Elk ding en elke gebeurtenis speelt zijn rol in een grotere ronde, en volgt daarbij zijn eigen koers die op karmische wijze is afgestemd op het geheel.

Het feit dat cyclussen in het algemeen elkaar overlappen en in elkaar grijpen, komt duidelijk tot uiting in de bekende elkaar overlappende veranderingen en gebeurtenissen van het dagelijks leven. Gisteren, vandaag en morgen vervolgen samen hun weg als één doorgaande beweging. Ons eigen gevoel van identiteit, dat nu volledig is ontwikkeld, is tevens het ontmoetingspunt van een verdwijnend zelf uit het verleden en van een beginnend toekomstig zelf. Het periodiek terugkeren van karmische omstandigheden uit vroegere levens verklaart veel over de raadselachtige toestand waarin de wereld zich bevindt. Terwijl onze moderne beschaving een zeker hoogtepunt heeft bereikt in een briljante intellectuele en materialistische evolutie, is de oude orde van zaken, in het algemeen gesproken, op het gebied van de regering, de wetenschap, de religie, het bedrijfsleven, enz., bezig te verdwijnen. De worstelingen van de aflopende cyclus vermengen zich met de barensweeën van een nieuwe, die de weg zal openen voor een meer gezonde en evenwichtige vooruitgang. De wijzen onder ons zien in de tekenen van de tijd misschien een duidelijke uitdaging. Er schuilen gevaren in het achterblijven en het zich vastklampen aan verouderde normen betreffende het individuele en collectieve leven. Wie een beroep doet op de fijnere krachten van zijn eigen natuur, zal vooruitgaan en deelhebben aan de stuwende kracht van de stroom van het universele leven die altijd door alle dingen en wezens vloeit.

De huidige situatie lijkt in veel opzichten een herhaling van de omstandigheden die heersten tijdens het hoogtepunt van de Romeinse macht en kennis, voorafgaande aan de achteruitgang en val van het keizerrijk. Ook ons ontbreekt het aan die geestelijke groei die essentieel is voor het handhaven van een natuurlijk evenwicht tussen grote verworvenheden op mentaal en materieel gebied. Kennelijk hebben ook wij de veilige grens bereikt, als het gaat om het beheersen van de krachten van geest en stof. Deze krachten die op zichzelf neutraal zijn, kunnen een goede of kwade invloed uitoefenen. Als ze voor het welzijn van de mensheid worden gebruikt, zijn ze een zegen voor allen; een zelfzuchtig gebruik leidt tot ontbinding en vernietiging. Maar we hoeven de fouten van het verleden niet te herhalen. Het wordt tijd dat de mens meer volledig mens wordt en uit zijn eigen natuur die fijnere en edeler eigenschappen en krachten tevoorschijn roept die daarvoor nodig zijn.

Ongetwijfeld leven we in een kritieke tijd. Maar als we de verantwoordelijkheden die dit meebrengt eerlijk en met open ogen tegemoettreden, kan het voor ons een tijd met buitengewone mogelijkheden betekenen. De mens is in feite een geestelijk wezen en is in staat die krachten te beheersen, die zijn zelfzucht zou kunnen gebruiken voor zijn eigen ondergang. Diezelfde krachten kunnen worden aangewend om een betere en meer geschikte wereldorde op te bouwen. Want achter de dreigende wolken die het zicht verduisteren, daagt al een nieuwe cyclus van innerlijk licht, van vrede en vooruitgang. In het licht van de gemeenschappelijke oorsprong van de mens, zijn gezamenlijke belang, en uiteindelijke doel, is het tijd de kinderachtige dingen achter ons te laten en vooruit te gaan in de nieuwe cyclus.

Het is ook een stimulerende en bevrijdende gedachte te weten dat wij allen door het heelal reizen in zo’n goed gezelschap, want elke planeet en elke zon of ster is het lichaam of de woonplaats van een illuster hemels wezen. ‘Een vriendelijk heelal’ is niet zomaar een gezegde, maar is letterlijk de waarheid. De hele opzet van de dingen is zo volmaakt, zo rechtvaardig en zo natuurlijk dat de enige vraag luidt: Hoe zou het anders kunnen zijn?

De leer van de cyclussen belichaamt een wetenschappelijke, filosofische en religieuze basis voor een alomvattende levensfilosofie. En hoe dieper men delft, des te duidelijker blijkt de mystieke en essentiële eenheid van de mens en de natuur. Aangespoord door het in leven na leven oogsten van de gevolgen van vroegere omstandigheden waardoor de menselijke ziel het gebied van de persoonlijkheid kan vrijmaken om op een wijzere manier te zaaien, zal ze in de periodiek terugkerende belichamingen haar innerlijke vermogens ontwikkelen en tenslotte een stadium bereiken dat het menselijke te boven gaat, met als vanzelfsprekend doel om meer dan alleen menselijk te worden. Alle levensstromen – kosmische zowel als aardse – vloeien naar gebieden van groter licht en meer volmaakte vormen, van denkbeelden die getuigen van meer verstand en van meer geestelijke idealen.

Ieder mens bevindt zich als een zelfbewuste eenheid op zijn eigen plaats in de algemene stroom van de mensheid die zich met een gemiddelde snelheid voortbeweegt om zijn planetaire loopbaan gedurende de zeven tijdperken van het leven van de aarde te volbrengen. Maar elk mens heeft de mogelijkheid zich zodanig te trainen dat hij voorloopt op mensen met een gemiddeld tempo. Het resultaat van die zelfgeleide pogingen zien we onder ons, in allerlei graderingen, als mensen die boven de middelmaat uitsteken, genieën, meesters en heilanden. Eens in de toekomst zullen we het ‘moment van keuze’ voor dit ras bereiken, waarvan de uitkomst zal bepalen of we zullen doorgaan, en de grote planetaire ronde op de opgaande boog zullen voltooien. Als we onvoldoende zijn voorbereid om de opwaartse stroom bij te houden, zullen we achterblijven, en stranden op een zandbank van de tijd. Daar moeten we wachten op een volgende grote cyclus om de evolutie voort te zetten met het langzaam ontplooien van een nieuwe mensheid. De kwestie is dat de goddelijke stuwkracht die zich overal in de kosmos manifesteert, is afgestemd op vooruitgang; de mens die een wezenlijk deel van het heelal uitmaakt, moet mee, hoeveel hij ook vertraagt en zichzelf daardoor tekortdoet. De ‘cyclus van noodzakelijkheid’ is onvermijdelijk. We zien dus dat de oorsprong van de ethiek niet ligt in een menselijk besluit, maar een werkelijkheid is die deel uitmaakt van het weefsel van het heelal zelf.

In de rechtvaardigheid van de natuurwet is het uiteindelijke moment van keuze slechts de optelsom van – en het evenwicht dat voortvloeit uit – de vele dagelijkse keuzen tussen goed en kwaad die de mens in zijn vele levens heeft gedaan waarbij hij als een zelfbewust wezen zijn vrije wil heeft gebruikt. Op dit moment is de mens het slagveld van zijn eigen tweevoudige natuur, die enerzijds vecht voor zelfzuchtige, persoonlijke ambities en verlangens, en anderzijds voor geestelijk denken en onpersoonlijk handelen. We hebben allen onze kleine zwakheden die onze goede eigenschappen in feite onwaardig zijn. De algemene tendens van onze tweevoudige gedachten en impulsen schijnt automatisch op ons denken en voelen in te werken, omdat elk daarvan een cyclische herhaling vertegenwoordigt. Het zijn de elementen van het door onszelf opgebouwde karakter. Elke gedachte en impuls ontleent zijn energie aan onze eigen levenskracht, en neemt in sterkte toe telkens als hij terugkeert en de vrije hand krijgt. Als onze gedachten en gevoelens klein en zelfzuchtig zijn, zullen onze reacties op zowel oude als nieuwe relaties en omstandigheden worden gekleurd door jaloezie, afgunst, woede, haat, achterdocht, bedrog, enz. We brengen instinctief ons karakter tot uitdrukking.

Als we de tegenovergestelde eigenschappen van edelmoedigheid, vriendelijkheid, sympathie, liefde, vertrouwen, aspiratie, oprechtheid en dergelijke hebben versterkt, keren ook deze tot ons terug op hun veredelende rondgang. Onze tweevoudige impulsen maken beide gebruik van het brein om te oordelen over goed en kwaad in de innerlijke worsteling tussen het geweten en onze verlangens. Als we de juiste beslissing nemen, verliest onze lagere natuur aan kracht en wordt ons betere zelf sterker. Als we dit vermogen om stap voor stap een edel karakter te scheppen erkennen, doen zich ook de kansen voor waardoor we steeds een stapje verder komen om aan de gewone gang van het dagelijks leven het hoofd te bieden. Deze ogenschijnlijk kleine overwinningen bundelen hun kracht, waardoor we zijn opgewassen tegen de grotere problemen die onze ziel zwaar op de proef stellen. Zelfs het falen kan soms gelden als succes, want als we doorgaan met de strijd bouwen we aan onze morele kracht en verspreiden iets in de atmosfeer waardoor we een helpende kracht kunnen zijn.

Elke dag is voor allen een nieuw begin, wat er in het verleden ook is gebeurd. Het zich ontplooien, vooruitgaan, en worden is de natuurlijke en wezenlijke impuls van alles en van ieder wezen. Een leven dat van buitenaf gezien somber en moeilijk is, kan een cyclus betekenen die kansen biedt voor de innerlijke mens om zijn moed en onpersoonlijke kracht te tonen. Met de woorden van Emerson: ‘De ziel kent alleen de ziel; het web van de gebeurtenissen is het veranderende kleed waarin ze is gehuld.’

 
Cyclussen, reïncarnatie en wederbelichaming
 

Uit het tijdschrift Sunrise sep/okt 1997

© 1997 Theosophical University Press Agency