Het eeuwige lied van de schepping
Ingrid van Mater

 

Geboorte is niet het begin; dood is niet het einde.
          – Chuang Tzu, ca. 450 v. Chr.


In de lente richten de gedachten zich meer direct op de schoonheid van de schepping en de dynamische kracht van de hernieuwing. In de blijmoedige stemming die we ervaren als reactie op dit seizoen met zijn symfonie van kleuren en klanken, zeggen we vol vertrouwen dat er inderdaad goddelijkheid aan het leven ten grondslag ligt, die haar magische werk verricht en alle wezens met elkaar verenigt.
     Het is geruststellend deze verwantschap met de natuur te voelen en ons te realiseren dat er universele wetten zijn die ervoor zorgen dat alle natuurrijken in de tijd op elkaar zijn afgestemd. Van bijzonder belang zijn de betrouwbare werkingen van cyclussen, karma en wedergeboorte in de loop van de evolutionaire ontwikkeling. Met kennis van deze wetten hoeven we niet bang te zijn voor de dood, en we hoeven ook niet onze toevlucht te nemen tot het geloof dat we voor eeuwig in dezelfde toestand zullen blijven nadat we sterven, want alle leven is een steeds voortgaande polsslag van verandering en groei, waarbij zowel innerlijk als uiterlijk ononderbroken activiteit heerst. Niets is ooit dood in de zin van een volledig ophouden van het bestaan, zelfs al lijkt dat aan de buitenkant misschien zo. De overgang van de winter naar het lenteseizoen dat bruist van leven, illustreert deze waarheid.
     Tot het levensplan behoort ook de noodzaak van rust en pauze. In een etmaal is er licht en donker, waken en slapen, activiteit en rust. In feite zijn wat we geboorte en dood noemen fasen van activiteit op verschillende niveaus van bestaan — mentaal, emotioneel, fysiek zowel als spiritueel. Ook atomen doorlopen onophoudelijk hun kortdurende cyclussen, terwijl op veel grotere schaal ideeën, rassen en beschavingen hun hoogte- en dieptepunten doormaken, alleen om weer tot nieuwe hoogten op te klimmen. In het plantenrijk kunnen we er altijd zeker van zijn, als we de natuur gadeslaan, dat kale bomen weer groen zullen worden, dat bollen hun groeipunten door de grond omhoog zullen stuwen wanneer ze door zon en regen worden gevoed — en zo wordt ons vertrouwen in onsterfelijkheid weer hernieuwd.
     Het is vreemd dat maar een bepaald percentage van de mensen op aarde erkent dat mensen zielen zijn die het verscheiden van het lichaam overleven, ondanks de getuigenis van de wijzen door de eeuwen heen, en bovendien de bevestiging ervan door bijnadoodervaringen en een toegenomen belangstelling voor reïncarnatie. Als we de herhaalde kringlopen in de veranderende seizoenen waarnemen, in de verschillende natuurrijken beneden de mens en in de kosmische gebieden, hoe zit het dan met die arme weerloze mensheid? Ook mensen zijn toch in alle opzichten deel van de natuur? Waarom zouden wij dan zijn uitgesloten van dit universele schouwspel van cyclisch ontvouwen?
     Het feit dat we hier op aarde zijn, geeft voor velen al aan dat we hier eerder zijn geweest. Alles wijst erop dat we doorgewinterde reizigers zijn van incarnatie naar incarnatie hier op aarde, zelfbewuste wezens die nog veel karma hebben uit te werken. Hoe kunnen we de grote variatie in karakters, vermogens, relaties en omstandigheden anders verklaren dan als het resultaat van oorzaken die vroeger zijn gelegd? We hebben tijd, ruimte en kansen nodig om ons enorme nog onvervulde menselijke potentieel tot uitdrukking te brengen.
     Leonardo da Vinci maakte een opmerking die van inzicht getuigt toen hij zei dat ‘de natuur nooit haar eigen wetten breekt’; en Benjamin Franklin bezielt het onderwerp met zijn gevoel voor objectiviteit en humor:

     Als ik zie dat niets wordt vernietigd en zelfs geen druppel water wordt verspild, kan ik niet geloven dat zielen wel worden vernietigd, of dat Hij zal toelaten dat dagelijks miljoenen kant en klare denkvermogens worden verspild en Zichzelf voortdurend de moeite geeft om nieuwe te creëren. Aldus, omdat ik zie dat ik nu in de wereld besta, geloof ik dat ik altijd in een of andere vorm zal bestaan; en, ondanks alle ongemakken waaraan het menselijk leven is blootgesteld, zal ik geen bezwaar maken tegen een nieuwe versie van mijzelf, in de hoop echter dat de errata van de vorige zullen worden gecorrigeerd.

     Als deel van de werkingen van de natuur hebben we de menselijke kringloop van dood en wedergeboorte al talloze eeuwen ondergaan en zullen nog eeuwenlang voortgaan op deze odyssee van zelfontdekking. We hebben geen gewone herinnering aan deze incarnaties omdat de hersenen bij de dood sterven, maar we hebben wat Plato een herinnering van de ziel noemt. In ons bevindt zich alle wijsheid die we tot nu toe hebben verworven op onze altijd voortgaande reis.
     Deze onophoudelijke cyclus van incarnatie en excarnatie is altijd bekend geweest en is sinds oude tijden door diverse culturen opgetekend. Er waren bijvoorbeeld uitgestrekte catacomben in de onderaardse crypten van Thebe en Memphis, die bekendstaan als de catacomben of gangen van de slang. ‘Daar werden de heilige mysteriën van de kuklos anagkes, de ‘onvermijdelijke cyclus’, opgevoerd, meer algemeen bekend als ‘de kringloop van de noodzakelijkheid’ . . .’ (De Geheime Leer 2:428).
     Men kan een verband zien tussen de kringloop van noodzakelijkheid en het vloeistofkringloopsysteem in bomen, waar de vloeistof via de ene weg naar boven stroomt en via een andere naar beneden. Ook in ons lichaam zijn er kleppen die voorkomen dat het bloed terugkeert naar het hart via de route waarlangs het is gekomen. Dit principe is bekend als systole en diastole, dubbele beweging of alternerende trilling. W.Q. Judge verklaart: ‘De klep in het bloedvat vertegenwoordigt de afgrond achter ons die we niet opnieuw kunnen oversteken. We maken deel uit van een grote algemene bloedsomloop en zijn gedwongen, of we dat op prijs stellen of niet, gehoor te geven aan de voorwaartse impuls ervan’ (Essays on the Gita, blz. 131).
     Het is van vitaal belang dat we ons vroeg of laat realiseren dat we omdat we mensen zijn — en dat betekent zelfbewuste wezens — de verantwoordelijkheid dragen die bij deze ontwaakte staat van bewustzijn hoort, en dat we daarom ook verantwoording verschuldigd zijn voor alles wat ons overkomt. De uitdaging die steeds voor ons ligt, is ons begrip van de betekenis en het doel van het leven te verdiepen, en daartoe behoren de cyclus van geboorte en dood. Iedere fase van ervaring hier op aarde, en van wat we kunnen begrijpen van de ervaring die we na onze dood zullen ondergaan, stelt ons in staat ons meer bewust te worden van de verplichtingen en kansen van ons menszijn.
     De onderlinge verbondenheid van het leven hier op aarde en na de dood bevestigt het denkbeeld van de Ouden dat alles wat we ondergaan dient als lering voor de ziel. Om te beginnen is de slaap een natuurlijke voorbereiding op de dood. We maken ons zorgen over wat er na de dood gebeurt, maar hoe staat het met de slaap? Vaak vallen we in slaap zonder erbij stil te staan dat we ons waakbewustzijn verliezen, evenals bij de dood. We zijn ons in deze toestand echter bewust van onze identiteit en nemen onze dromen waar of maken er deel van uit. Ook kan er gedurende die tijd een nauwere band met het hogere zelf bestaan, evenals na de dood; en wanneer we wakker worden als er problemen zijn geweest, bieden zich vaak oplossingen aan voordat het actieve brein die indrukken doet vervagen.
     Het verschil tussen slaap en dood is gradueel. De natuur bereidt ons in de slaap voor op de langere slaap die de dood is — een interval van rust tussen de levens in. Maar we kunnen er zeker van zijn dat we in dit proces altijd onze identiteit behouden. Na de dood gaat het hogere denkvermogen of de ziel door de leerervaringen die verband houden met de meest werkelijke en onvergankelijke aspecten van onszelf, want de ziel is dan bevrijd van de belemmeringen van het lichaam. In de toestand die devachan wordt genoemd, verwerkelijkt de ziel de vervulling van haar hoogste dromen, terwijl zij met het ware zelf haar reis maakt temidden van de sterren, een pad dat zelfbewust wordt gevolgd door mensen die geestelijk volledig zijn ontwaakt, zoals Jezus en de Boeddha. Op een dag zal ieder van ons in staat zijn om deze reis zelfbewust te ondernemen.
     Het leerproces van de ziel wordt geholpen door het verhelderende inzicht dat na de dood wordt verkregen door de drie panoramische visioenen die onpersoonlijk worden geëvalueerd door het hogere zelf: het eerste, onmiddellijk na het sterven, is een herhaling van het zojuist beëindigde leven; het tweede, voordat de ziel de toestand van devachan binnengaat; het derde, kort voordat zij weer incarneert. In dit laatste panoramische overzicht wordt de ziel gewezen op de uitdagingen van de komende incarnatie, waarbij een indruk wordt achtergelaten op het geheugen van de ziel die tijdens het leven dat zij aanvangt aanwezig blijft.
     Het is alsof er sprake is van een proces van recycling na de dood, een herevaluatie van het leven dat zojuist is afgesloten door middel van de panoramische visioenen die ongetwijfeld een indruk van de noodzakelijke verbeteringen in ons karakter achterlaten. Bij geen enkele gebeurtenis die ons hier op aarde overkomt, is er werkelijk sprake van een verrassing of schok diep binnenin, want de ziel weet, en is innerlijk voorbereid. Zo werkt het mededogen van de natuur. De majestueuze draagwijdte van de schepping, vanaf de geboorte van werelden, van hele grote tot oneindig kleine, tot aan de geboorten van verschillende gradaties binnen het terrein van het menselijke bewustzijn — alle nemen ze deel aan de onderneming van voortdurende wording via beproevingen, groei, strijd en vreugde.
     Alles in de natuur staat in verbinding met al het andere. Tijdens zijn eerste zomer in de Sierra’s zag John Muir de avonturen van de regendruppels terwijl ze op de bergen en in de rotsspleten, weiden en watervallen vielen: ‘iedere druppel . . . een zilverachtige pasgeboren ster, in de kristallen diepten waarvan het meer en de rivier, de tuin en het bosje, de vallei en de berg, al wat het landschap in zich draagt, wordt weerspiegeld. . . .’ Wat een schitterend beeld van het goddelijke eenzijn van het leven, het grote weerspiegeld in het kleine! En hij besluit: ‘Van vorm tot vorm, schoonheid tot schoonheid, steeds veranderend, nooit rustend, alle zingen . . . samen met de sterren het eeuwige lied van schepping.’

 

Uit het tijdschrift Sunrise sept/okt 1997

© 1997 Theosophical University Press Agency