In ons wachten de goden
Raymond Rugland

 

     O! dat ieder atoom in mijn wezen een duizendpuntige ster zou zijn om de mensen te helpen het goddelijke overal te zien, hun grenzeloze kracht te kennen, om terwijl men in het lichaam is de onuitputtelijke vreugde van het werkelijke leven te voelen, wakker te zijn en te leven in plaats van de zware dromen te dromen van deze levende dood, en te weten dat men deel is van de universele wet en tegelijkertijd bestuurder ervan. Dit is uw geboorterecht van wijsheid en het uur van vervulling is nu als u dat wilt. Blijf niet langer dralen in de begoocheling van de ‘Hal van kennis’. Voel, weet en handel.
          — Katherine Tingley, Mysteries of the Heart Doctrine, blz. 334


Katherine Tingley, leider van The Theosophical Society van 1896 tot 1929, had de magische verschijning en het vermogen om een zaal toe te spreken met mensen uit alle lagen van de bevolking en hen te inspireren om opnieuw de gedachte en het gevoel van een groter leven bij zichzelf wakker te roepen.
     Ze kende de heiligheid van het moment en van de dag. In De goden wachten op ons, vertelt ze over haar ontmoeting met de leraar van H.P. Blavatsky bij Darjeeling, India, en zijn woorden over dit onderwerp:

Als u van hier op reis moest naar Amerika, zou u niet stilzitten en dromen over de plaats waar u naartoe wilt en denken dat dat voldoende is. Het probleem van sommige theosofische aspiranten is dat ze hun levenskracht verspillen door naar het doel in de toekomst te zien, in plaats van naar de nu aanbrekende momenten en seconden waaruit het pad bestaat, waardoor hun betere zelf uitgeput raakt. Ze zouden in ieder komend moment een stralende gedachte moeten toelaten en onverschillig staan tegenover de dag van morgen. Ieder ogenblik kan men, als men dat wil, de deur vinden naar werelden vol gouden kansen, de poort tot een glorieus pad dat zich uitstrekt tot in het onbeperkte eeuwige. . . ..      — blz. 139-40

     De magische sleutel, die gemakkelijk is te gebruiken, is om naar het goede in de ander te zoeken. Een stoutmoediger ziel zou kunnen zeggen naar de god in de ander. Het woord ‘god’ wordt door H.P. Blavatsky heel nauwkeurig toegelicht in haar De Geheime Leer: ‘De leer zegt dat, om een volledig bewust goddelijk wezen te worden — ja zelfs het hoogste — de oorspronkelijke geestelijke INTELLIGENTIES door het menselijke stadium moeten gaan’ — zoals onze ouders eens zelf kinderen waren. ‘Elk wezen moet door eigen ervaring het recht hebben verkregen om goddelijk te worden’ (1:137).
     Blavatsky neemt ons — aan de hand van oude teksten die bekendstaan als de Stanza’s van Dzyan — terug naar het begin van het ontstaan van de kosmos dat plaatsvindt op zeven bestaansgebieden. Stanza V:1 luidt: ‘De oorspronkelijke zeven, de eerste zeven ademtochten van de draak van wijsheid, brengen op hun beurt uit hun heilige ronddraaiende uitademingen de vurige wervelwind voort’ (GL 1:137). Om de vraag over de ‘goden’ te verduidelijken, geeft ze als commentaar:

Men zal stellig vragen: ‘Geloven de occultisten in al deze ‘bouwers’, ‘lipika’s’ en ‘zonen van het licht’ als wezens, of zijn het alleen denkbeeldige voorstellingen?’ Het antwoord hierop is duidelijk: ‘Indien wij voldoende rekening houden met het denkbeeldige karakter van de als personen voorgestelde krachten, moeten wij het bestaan van deze wezens wel erkennen, als wij niet het bestaan van een geestelijke mensheid binnen het stoffelijke mensdom willen verwerpen. Want de menigten van deze zonen van het licht en ‘uit het denkvermogen geboren zonen’ van de eerste gemanifesteerde straal van het ONBEKENDE AL, vormen juist de wortel van de geestelijke mens.’

     Moet iemand ons vertellen dat het ‘geheim’ is bekendgemaakt? Dat de goden (of engelen) in ons zijn terwijl ze ons aan de buitenkant zegenen? De woorden in de titel van dit artikel van Katherine Tingley zijn de woorden van een occultist. We zijn trots om dat woord te gebruiken omdat zo iemand met niets minder tevreden is dan met het kunnen deelnemen aan het goddelijke doel — de geestelijke evolutie. Ze wees op de vreugde en de rechtvaardigheid van het leven. Dat we hier zijn, is ons idee; omdat het hoogste in ons woont, kunnen we ons identificeren met het hoogste wiel — met andere woorden, ‘deel zijn van en bestuurders zijn van de universele wet’.
     Het leven betekent voor ons niet een ‘zich uitleven’, maar een ‘opgroeien’; volwassen, ontwikkelde, gerijpte, verantwoordelijke mensen worden, en we zullen na verloop van tijd uitgroeien tot goddelijke wezens. Daar gaat het om in het occultisme. Vertrouwen en het aannemen op gezag zijn deugden van de kindertijd. Met Browning zeggen we: ‘God is in zijn hemel / Alles is goed met de wereld!’ Laat ‘God’ u bij de hand nemen wanneer u het recht heeft verdiend om aan zijn zijde te staan, en u de wonderen van Orion en de Pleiaden laten zien, en ook de volmaaktheid van de vleugels van een sprinkhaan! Wees uw eigen Hal van kennis; voel, weet, handel.
Zoals een mens in zijn hart denkt, zo is hij. We kunnen verbijsterd zijn over de kracht en de intelligentie die een heelal voortbrengen voor de ervaringen van de ziel, waarbij liefde alle dingen verbindt. Er wordt gezegd dat we halverwege zijn op onze lange evolutiereis. Met het denken en het daarbijbehorende zelfbewustzijn ontstaat verantwoordelijkheid. We leren, als we ervoor openstaan om te leren, dat ‘alle dingen bijdragen aan alle dingen’, en dat daarbij alle raderen binnen raderen in elkaar grijpen.

 

Uit het tijdschrift Sunrise sept/okt 1997

© 1997 Theosophical University Press Agency