Schering en inslag
Grace F. Knoche

 

     De mens is een wever die aan de verkeerde kant werkt van het tapijt van de tijd. Er zal een moment komen dat hij de goede kant ervan zal zien en de grootsheid zal begrijpen van het patroon dat hij met zijn eigen handen door de eeuwen heen heeft geweven, terwijl hij al die tijd slechts een verstrengeling van koorden zag.      – De Lamartine


Iedereen heeft bewondering voor een Perzisch tapijt, zelfs als het oud en versleten is: de mooie kleurstelling, het ingewikkelde patroon, de vakkundigheid en bovenal de toewijding die in het weefsel is gevlochten door generaties van wevers. In de oudheid werd ook aan kinderen dit oude ambacht geleerd, kleine vingers werden wegwijs gemaakt in de kleurstelling, het selecteren van de wol, de weverskam, het vilt, het linnen of de zijde en, wat het belangrijkste is, hoe men de heilige motieven volgt. Als er een fout werd gemaakt, werd hen verteld om het niet uit te halen, maar om door te gaan en te compenseren voor welke vergissing ook die ze hadden gemaakt. Terwijl ze aan de onderkant werkten, hadden ze er maar weinig idee van hoe het voltooide product eruit zou zien. Pas als het tapijt gereed was, werd het patroon onthuld.
     Dit is een tot de verbeelding sprekende gelijkenis: we kunnen de fouten die we hebben gemaakt niet uitwissen; we moeten doorgaan en proberen zo goed we kunnen het innerlijke patroon van ons leven te ontvouwen. De meesten van ons leren traag, maar als de les eenmaal is geleerd, wordt de kennis opgeslagen in ons karakter. Er gaat niets verloren, er wordt niets verspild; alles wordt onderricht, leerervaringen voor de ziel. In feite zijn we elk de wever aan het weefgetouw dat we zelf hebben gemaakt, en weven de inslag van onze neigingen en aspiraties, antipathieën en verlangens op de schering van het karakter dat we in de loop van vele levens hebben opgebouwd, en dat de basis zal zijn voor toekomstige incarnaties. Hoewel we ons dit maar vaag realiseren, volgen we – grotendeels instinctief, en soms intuïtief – een oud patroon dat door ons grotere zelf is geschetst. ‘Er is een godheid die onze bestemming schept; we moeten haar ruw modelleren naar onze wens’ (Hamlet).
     We zijn geen marionetten die door grillen of kuren, goddelijk of demonisch, heen en weer moeten worden bewogen. ‘Weten jullie niet dat jullie goden zijn?’ vroeg Jezus aan zijn volk, en dat ‘de Hoogste’ in u woont’? Woorden die zo diepzinnig zijn dat we de verbazingwekkende kracht ervan om de ziel nieuw leven in te blazen niet geheel kunnen vatten. We zijn goden in wording, die vormgeven aan ons eigen ontwerp: in essentie zijn we zonnewezens van wie de cyclus van ervaring zich over vele aeonen uitstrekt; periodiek planetaire wezens, die terugkeren naar de aarde in cyclus na cyclus, totdat het patroon is voltooid voor dit levenswiel.
     Ieder leven is een hoofdstuk in zijn eigen geschiedenis, de vrucht van wat er in het verleden is gezaaid en de belofte van toekomstige oogsten, die op hun beurt het zaaisel worden van nieuwe cyclussen van ervaringen die zich nog moeten ontvouwen. Als we onszelf van binnenuit of van boven konden zien, dan zouden we ons verwonderen over de mogelijkheden die latent liggen te wachten op het magische moment van het ontwaken van de ziel. Als we een blik achter de uiterlijke schijn konden werpen, dan zouden we verbaasd zijn over de innerlijke grootsheid van zelfs de meest wanhopige zielen. De strijd om van de klei van ons menszijn goden te maken, is in geen geval een verloren zaak; fouten en vergissingen bij het weven zullen we ongetwijfeld maken maar, als we doorzetten, zullen we op een dag ontdekken dat we een tapijt hebben gemaakt dat zo mooi is en zoveel harmonie vertoont dat men het misschien aanziet voor een Oudperzisch gebedskleedje gemaakt van de zuiverste zijde.


*      *      *


Het onderwerp voor dit speciale nummer van 1997 ‘Cyclussen: raderen binnen raderen’, was aanleiding voor een breed scala van bijdragen van onze schrijvers. Toch zijn we slechts aan de oppervlakte gebleven van een onderwerp dat even diepzinnig als praktisch is. Is er in een van de natuurrijken een wezen dat niet onderworpen is aan het doel en ontwerp van zijn rijk als geheel? Ongetwijfeld zijn alle families van levens van de aarde, hetzij bewust of onbewust, deelgenoot in de kloppende levenskracht die is geworteld in de kosmische diepten.      — G.F.K.

 

Uit het tijdschrift Sunrise sept/okt 1997

© 1997 Theosophical University Press Agency