De vernieuwing die zich elke dag, in elk seizoen en in elk geologisch
tijdperk in de natuur voltrekt, is overal waar te nemen. Soms vernieuwt
ze zich echter op een manier die we in eerste instantie misschien niet
waarderen. In het Nationaal Park Yosemite in California bijvoorbeeld,
hebben houtvesters jarenlang hard gewerkt aan het behoud van het landschapsschoon
door bosbrandbestrijding, het kappen van bomen die zich verspreidden
tot in de graslanden, enz. Dit alles leek volkomen zinvol, totdat de
houtvesters gingen inzien dat de jaren van brandpreventie de vegetatie
onbeperkt hadden doen toenemen waardoor deze een bedreiging ging vormen
voor de mammoetbomen en ook op andere manieren het ecosysteem van het
park in niet onbelangrijke mate verstoorden. Vóór het
ingrijpen door de mens hadden door bliksem veroorzaakte branden de wildgroei
onder controle gehouden. Ook hadden ze de bodem van voedingsstoffen
voorzien en deden ze bepaalde zaden ontkiemen. Nu de houtvesters een
beter begrip hebben van de scheppende processen in de natuur en van
de noodzaak nu en dan schoonmaak te houden, proberen ze het evenwicht
te herstellen door gecontroleerde branden waar die gerechtvaardigd zijn.
Ze doen ook een poging de bezoekers van het nationale park een nieuw
begrip van de natuur bij te brengen. Enkele jaren geleden beklommen
we met een groep van ongeveer 50 mensen een deel van de Lembert Dome,
juist hoog genoeg om de grasvelden van Tuolumne te kunnen overzien en
de zon te zien ondergaan achter de bergtoppen in de verte. De houtvester
sprak over de avond, de tijd van de dag die hem het liefste is, wanneer
de hele natuur tot rust komt: een punt van evenwicht als de dag plaatsmaakt
voor de nacht. Hij las voor uit Emerson, Thoreau en andere schrijvers
en drong er zacht op aan de gewoonten en gedachten van onze 100 km per
uur cultuur een ogenblik los te laten, en ons opnieuw bewust te worden
van onze band met de natuur. Welke plaats heeft de mens daarin? De vroege
mens, zei hij, luisterde naar de taal van de natuur. We keken in stilte
uit over de weiden en ook wij begonnen te luisteren. Temidden van de
langzaam veranderende kleuren van de aarde en de hemel zong een zachte
bries door de boomtoppen en liet een vogel zijn afscheidslied voor die
dag horen. Dichtbij antwoordde een fluit met haar eigen melodie. Het
effect was magisch. Op die ongerepte eenzame plek konden we de harmonie
van de natuur voelen, een grootse en wonderbaarlijke tegenwoordigheid
die ons verenigt. Op een of andere manier hadden we tot elkaar gesproken
en begrepen we elkaar. Toen het tijd was naar het kamp terug te keren,
liet de houtvester ons achter met deze gedachten van John Muir:
Beklim de bergen en luister naar hun goede nieuws.
De vrede van de natuur zal in u stromen zoals het zonlicht door de
bomen straalt. De winden blazen hun eigen frisheid in u en de stormen
hun energie, terwijl uw zorgen van u afvallen als bladeren in de herfst.
Vroeger was ik jaloers op de vader van ons ras omdat
hij in nauw contact leefde met de pasgeschapen velden en planten van
Eden; maar dat ben ik nu niet meer, omdat ik heb ontdekt dat ook ik
in de ‘dageraad van de schepping’ leef. De morgensterren
zingen nog steeds samen, en de wereld, nog niet halfvoltooid, wordt
iedere dag mooier.
— The Wilderness World of John
Muir, red. Edwin Teale, blz. 311
Nog niet halfvoltooid, in een doorgaand proces van schepping, zich
voortdurend vernieuwend — wonderlijke gedachten — en een
patroon dat we in ieder facet van het menselijk leven weerspiegeld zien.
Individuen, families, steden, naties, het bedrijfsleven, opvoedkundige
en religieuze instellingen, beschavingen: ze zijn alle onderworpen aan
de cyclische wet van groei en vernieuwing in de natuur. Niets blijft
hetzelfde. Oude vormen sterven en maken plaats voor de geboorte —
of wedergeboorte — van nieuwe.
Laten we als het om innerlijke of geestelijke vernieuwing gaat, eens
nadenken over het idee dat alle religies aan een gemeenschappelijke
bron ontspringen en verschillende paden vertegenwoordigen die naar dezelfde
top leiden. Dit is een typisch oosters standpunt, dat in het westen
tot aan deze eeuw vrijwel unaniem werd verworpen. Afgezien van het feit
dat het ten dele verklaart hoe God niet-christelijke volkeren bereikt
— en omgekeerd hoe niet-christenen God bereiken — krijgt
die gedachte steun door de vergelijkende studie van religies. Ondanks
duidelijke verschillen, hebben alle religies bepaalde fundamentele begrippen
gemeen, een ‘verborgen harmonie’ van inspiratie, of een
‘eeuwige filosofie’ zoals Leibniz, Aldous Huxley en anderen
hebben voorgesteld. Alle religies houden zich bezig met uiterst belangrijke
vragen: Wat is het doel van ons leven? Waarom sterven we? Alle erkennen
een verheven goddelijke bron onder een of andere naam: God, Allah, Brahman,
Tao, of de Grote Geest. Alle onderwijzen de gulden regel in een of andere
vorm, om ons eraan te herinneren dat we verantwoordelijk zijn voor onze
daden. Volgens alle zijn liefde, altruïsme en deugdzaamheid nodig
voor geestelijke vernieuwing; en alle zijn het erover eens dat we in
essentie geestelijke wezens zijn — goden die sterfelijk zijn geworden.
Er resten ons echter enorme moeilijkheden als we willen doordringen
tot de oorspronkelijke leringen van de stichters van de wereldreligies.
Wat hebben ze in werkelijkheid gezegd en welke betekenis hadden ze?
Een typische opeenvolging van gebeurtenissen in het leven van een religieuze
beweging illustreert dat: Er komt een leraar. Hij onderwijst. Hij is
in zijn tijd niet algemeen bekend, misschien omdat de meeste mensen
hem verwerpen: hij voldoet niet aan hun verwachtingen hoe een leraar
zou moeten zijn en zijn leringen kloppen niet volledig met hun eigen
geloof. Het schijnt vaak alsof ze nieuw en vreemd zijn en gevestigde
normen tarten. Slechts weinig mensen herkennen de waarde van zijn boodschap,
en deze eerste volgelingen of discipelen die diep zijn geïnspireerd,
geven haar door aan anderen. Na verloop van tijd is er een traditie
ontstaan om de leringen te behouden en door te geven; en in die culturen
waar men de kunst van het schrijven beoefent, wordt de traditie tenslotte
opgetekend. Maar omdat dit misschien tientallen of zelfs honderden jaren
na het optreden van de leraar gebeurt, is zijn of haar boodschap wellicht
deels verloren gegaan, beïnvloed door leringen van andere herkomst,
of is ze niet zuiver meer.
Er ontstaan meer moeilijkheden als we zien dat sommige leringen als
te heilig worden beschouwd om te worden opgeschreven: er zijn zowel
openbare als verborgen leringen, waarbij de hogere mysteriën zijn
voorbehouden aan hen die ‘geestelijk volwassen’ zijn. Dat
is een vroegchristelijke uitdrukking. Van de boeken, tafelen, of rollen
waarin of waarop de openbare leringen zijn vastgelegd, zijn sommige
verloren gegaan, andere bewerkt, soms door dingen weg te laten of toe
te voegen, met de bedoeling om duistere passages te ‘verduidelijken’
— waarvan als extra moeilijkheid vaak afwijkende lezingen bestaan
als gevolg van schrijffouten. Vervolgens worden de boeken vertaald,
vaak verkeerd, kopieën worden gemaakt van kopieën, waardoor
veel van de eerdergenoemde problemen zich opnieuw voordoen, en na enige
tijd raakt de oorspronkelijke boodschap stap voor stap uitgehold.
Er zijn nog ernstiger problemen: zodra de leraar sterft, ontstaan er
discussies over de inhoud van de boodschap. De ene discipel denkt dat
de meester dit bedoelde, de andere dat. In een poging de ware leringen
te behouden en te ‘verklaren’, wordt er beslist over punten
van overeenstemming, ontstaan er dogma’s en scholen met verschillende
interpretaties, en volgt de ene scheuring op de andere — om maar
niet te spreken over het veelvuldig optreden van valse leraren —
totdat we tenslotte een ratjetoe van tegenstrijdige leringen, stelsels
en groeperingen overhouden. Een herhaling van de toren van Babel en,
helaas, een patroon waarvoor geen van de grote religieuze bewegingen
gevrijwaard is gebleven.
Hoewel we ons met recht de vraag mogen stellen in hoeverre de leringen
die wij hebben geërfd, betrouwbaar en volledig zijn, doet dat in
het geheel geen afbreuk aan het geestelijke onderscheidingsvermogen
van een mens, wat een privézaak is, of aan de bezielende kracht
die aan iedere religie haar leven en bestaansreden schenkt. Het is veelzeggend
dat juist de verdeeldheid van meningen een dwingende reden vormt voor
het verschijnen van een leraar. Bijna zonder uitzondering is zijn taak
niet om een nieuwe religie te stichten, maar om een oude te hervormen:
te hervormen, te herscheppen en opnieuw wat Cicero
de ‘universele religie’ noemde te bezielen (Tusc. Disp.
I, xii-xiv). In de woorden van Sint Augustinus:
Wat de christelijke religie wordt genoemd, bestond
al bij de Ouden, heeft nooit niet bestaan, vanaf het begin van de
mensheid tot Christus in het vlees verscheen, toen men de ware religie
die al bestond christendom ging noemen. —
Epis. Retrac. Lib. I, xiii, 3
De woorden in Mattheüs die aan Jezus worden toegeschreven,
zinspelen duidelijk op vernieuwing: hij kwam niet om de Wet te ontbinden
maar om deze te ‘vervullen’ (5:17) — de Griekse term
plerosai wordt vaak gebruikt in de zin van ‘de ware betekenis’
van iets ‘ophelderen’.
Ook de Bhagavad Gita, het meest vereerde geschrift van India,
vermeldt hoe de ‘geheime, eeuwige leer’ in de loop van de
eeuwen verloren was gegaan, en dat Krishna, de achtste avatâra
of goddelijke incarnatie van Vishnu, deze opnieuw meedeelde aan Arjuna,
zijn ‘vriend en toegewijde’ (4:1-3). Bovendien verklaart
hij dat deze vernieuwingen periodiek zijn — ‘telkens wanneer
de deugd verslapt en ondeugd en onrechtvaardigheid in de wereld hoogtij
vieren’ brengt hij zichzelf voort temidden van de schepselen:
en zo incarneer ik van eeuw tot eeuw tot behoud van
de rechtvaardigen, tot vernietiging van de verdorvenen en tot herstel
van de gerechtigheid. — 4:8 (Bewerking
van Judge)
De meeste heilige tradities spreken openlijk over de terugkeer van
een heiland en het herstel van geestelijke waarden. De joden zien uit
naar een Messias, de christenen naar de tweede komst van Christus; de
hindoes naar de Kalki-avatâra; de zoroastriërs naar Saoshyant;
de boeddhisten naar Maitreya Boeddha; de Hopi-indianen naar hun verloren
witte broeder Pahána; de Maya’s naar Kukulcán, enz.
De parallellen zijn opvallend, omdat ze uit culturen komen die vaak
door oceanen, in de tijd en door andere indrukwekkende barrières
van elkaar zijn gescheiden. Hoe is deze universaliteit van geloof te
verklaren?
Het in verval raken van de leer en de opkomst van het kwaad zijn echter
niet de enige redenen voor zulke periodieke vernieuwingen. Een dringender
noodzaak vloeit voort uit het feit dat de mensheid groeit en dat haar
behoeften veranderen. Een passage in de Staatsman van Plato
laat zien hoe goed deze ideeën in de oudheid bekend waren. Deze
dialoog vertelt een legende over cyclische vernieuwingen in de vroege
geschiedenis van het heelal, de aarde en de mensheid:
Er is een tijd waarin God zelf helpt om de wereld
[letterlijk ‘het al’ — het universum] in haar baan
te doen wentelen; en er is een tijd, als een bepaalde cyclus is voltooid,
dat hij haar loslaat, en omdat de wereld een levend wezen is en oorspronkelijk
intelligentie ontving van haar schepper en maker, keert ze om en gaat
als gevolg van een inherente noodzaak in de tegenovergestelde richting
draaien. — § 269c (Jowett)
Met andere woorden, er komt een tijd waarin het heelal — hier
opgevat als een levend, intelligent wezen — zich opnieuw in de
stof moet wikkelen en daaruit bruikbare voertuigen moet vormen om zich
tot uitdrukking te brengen: een kosmische val, als het ware, die niet
het gevolg is van ongehoorzaamheid, maar van een ‘inherente [karmische]
noodzaak’. Als gevolg van deze verbinding met de stof, begon men
de instructies van God te vergeten. ‘Disharmonie zwaaide weer
de scepter’ en vermenging met het kwaad dreigde de wereld te ruïneren,
waarop de bestuurder van het heelal ‘zelf opnieuw plaatsnam aan
het roer’, weer orde bracht onder de elementen, en ‘de wereld
onvergankelijk en onsterfelijk maakte’ (§ 273).
Aan het begin van de menselijke cyclus herhaalt dit patroon zich —
‘zo boven, zo beneden’:
In die dagen was God zelf hun herder [van de mensheid],
en heerste over hen, evenals de mens, die vergeleken met de lagere
dieren een goddelijk wezen is, nog steeds over hen regeert.
— § 271e
Maar toen deze Gouden Eeuw ten einde liep, omdat de mensheid haar kindertijd
was ontgroeid, verdwenen God en de halfgoden noodgedwongen ‘uit
het gezicht’; en de mens, aldus verstoken van de directe zorg
van de goden, merkte al snel dat hij weerloos was en onbekwaam en zonder
hulpmiddelen, niet opgewassen tegen de strijd om het bestaan. De dieren
waren woest geworden en de oogst van voedsel die de aarde eerst spontaan
voortbracht, mislukte. Daarom
werden de gaven waarover in de oude tradities wordt
gesproken door de goden aan de mens geschonken en tevens zoveel onderricht
en opvoeding als onontbeerlijk was; . . . [De mensen] moesten [nu]
hun eigen levensloop regelen en waren hun eigen meester, evenals het
universele wezen dat ze imiteren en volgen, steeds veranderend als
hij verandert, en steeds levend en groeiend, nu eens op de ene manier
en dan weer op een andere. — §
274d
De belangrijkste reden voor de cyclische vernieuwingen van de oude
theosophia (wijsheid van de goden) wordt hier heel duidelijk
uitgedrukt: de mensheid wordt volwassen, krijgt zelfvertrouwen, en leeft
toch binnen de ongeziene bescherming van meer gevorderde wezens. Als
daaraan werkelijk behoefte bestaat, komen de behoeders van de mensheid
tussenbeide om ‘zoveel onderricht en opvoeding te geven als
onontbeerlijk is’ voor de verdere vooruitgang van de mens.
Welke betekenis heeft dit allemaal voor de wereld van vandaag? Laten
we een kort historisch overzicht geven van de laatste 2500 jaar; in
de 6de eeuw v. Chr. vond een belangrijke instroming van geestelijke
kracht plaats toen er, met een tussenruimte van minder dan een eeuw,
een reeks leraren verscheen: Gautama Boeddha in India, Lao-tse en Confucius
in China, en Pythagoras in Griekenland. Zij kwamen in een tijd van algemene
neergang. De meest schitterende dynastieën van Egypte behoorden
al tot het verleden; India’s spirituele luister kwijnde weg onder
de bezoedeling van starre kasteregels en het brahmaanse exclusivisme.
Het esoterische hart van het religieuze leven van Griekenland, de mysteriën,
werd snel een staatsreligie en een politiek instrument. De ijzeren eeuw,
in India kaliyuga genoemd, deed haar intrede. En toch verschenen er
in het westen na Pythagoras, o.a. Plato, de stoïcijnse filosofen,
Jezus, bepaalde joodse en christelijke gnostici, en later de neoplatonisten.
Zij allen waren brengers van het licht met het oog op de naderende donkere
Middeleeuwen die, naar men zegt, in 529 na Chr. begonnen, toen Justinianus
de laatste filosofische school van Athene sloot. In de volgende periode,
die ongeveer duizend jaar duurde, trokken enkelingen en groepen die
het oneens waren met het heersende gezag zich uit de openbaarheid terug
of werkten onder een dekmantel die hen beschermde tegen beschuldigingen
van ketterij.
Tegen de vijftiende eeuw begon een nieuwe, vrijere geest voelbaar te
worden. De klassieke wetenschap die tijdens de Middeleeuwen was bewaard
in de Arabische wereld, werd opnieuw in Europa geïntroduceerd en
bracht de Renaissance teweeg. Met de ontdekkingen van Copernicus en
Galileo die het heliocentrische wereldbeeld in ere herstelden, kreeg
het geocentrische heelal de genadeslag. Toen kwam de Reformatie, gevolgd
door een explosieve opkomst van de wetenschap in de zeventiende eeuw
en daarna. Tegen het einde van de achttiende en het begin van de negentiende
eeuw verschenen in het westen de eerste Engelse, Franse en Duitse vertalingen
van de Bhagavad Gita en andere oosterse geschriften, en inspireerden
zowel de Europese als de Amerikaanse transcendentalistische bewegingen.
De Steen van Rosetta werd ontcijferd door Champollion en de indrukwekkende
literaire schatten van Egypte konden nu worden gelezen, al werden ze
niet volledig begrepen. Deze en andere archeologische vondsten, geïnterpreteerd
door de opkomende vergelijkende godsdientswetenschap, onthulden de aanwezigheid
van prototypen van verhalen en leringen uit de bijbel, in veel oudere
tradities. Ze toonden aan dat die bijbelse verhalen noch oorspronkelijk
noch uniek waren, maar eerder een gedeeltelijke uitdrukking vormden
van een universele traditie.
Oude gedachtepatronen werden doorbroken naarmate het tijdperk van onderzoek
en ontdekkingen een steeds bredere horizon van kennis openlegde. Een
onvermoed heelal, dat men zich niet had durven dromen en dat veel groter
en ingewikkelder was en veel meer ontzag inboezemde dan de meesten beseften,
onthulde zich, en daardoor moest een bijna volledig nieuw stelsel van
waarden worden vastgesteld. Maar, en daar lag het probleem, welke waarden
moest men geloven? Er waren opnieuw tegenstrijdige aanspraken —
deze keer hoofdzakelijk tussen wetenschappelijke theorieën en bepaalde
religieuze dogma’s. Er daagde een nieuw tijdperk, en toch bleven
dezelfde oude vragen bestaan. De wetenschap was er ondanks haar vooruitgang
niet in geslaagd de uiteindelijke mysteriën van het leven op te
lossen, en de kerken hadden een groot deel van hun geloofwaardigheid
verloren, waardoor velen zich afvroegen of de goden waren verdwenen.
Hadden ze ooit bestaan? Voor veel mensen leven die vragen ook nu nog.
Als we ons weer tot de natuur wenden, om ‘de bergen te beklimmen
en te luisteren naar hun goede nieuws’, wat is dan hun antwoord?
Staat het niet geschreven in het licht van de sterren boven de weiden,
in de schitterende symmetrie van landschap en flora, in de regelmatige
opeenvolging van de seizoenen en in de aanwezigheid van de mens —
die muziek kan maken als hij dat verkiest? Ons heelal leeft, ademt en
is intelligent, en ondanks de overheersende invloed van het blindmakende
materialisme is onze eeuw getuige van een grootse opleving van ideeën
die uitdrukking geven aan een eenheid die alles te boven gaat. Mensen
voelen overal de goddelijke invloed en beseffen dat de schijnbare kloof
tussen onszelf en de goden, en tussen elkaar, veel meer een illusie
is dan men altijd dacht.
Maar waar komen die ideeën vandaan, die intuïtieve gedachten
die oude herinneringen wakker roepen? De tegenwoordige theosofische
literatuur schrijft die uiteindelijk toe aan de grote oorzaak van het
universele bestaan — en aan de aanwezigheid in iedere eeuw van
mannen en vrouwen die door hun geestelijke, intellectuele en ethische
mogelijkheden dragers en overbrengers zijn van goddelijke wijsheid.
Telkens wanneer de omstandigheden dit toelaten, verschijnen er een of
meer van hen in de wereld om het besef van onze geestelijke oorsprong,
onze verwantschap met alle wezens en ons goddelijk potentieel, nieuw
leven in te blazen — en ons eraan te herinneren dat elk van ons
letterlijk een embryogod is, een onsterfelijke ‘vonk der eeuwigheid’
die aan een grootse evolutiereis is begonnen die de kosmos omvat.
De grote waarheden van het Zijn, die zijn ‘ingeprent in de ontvankelijke
geest van de mensen van de eerste rassen die bewustzijn bezaten’
(GL 1:296) ondergaan een proces van vernieuwing. Oude en moderne
theosofische geschriften spreken een groeiend publiek aan dat daarin
een diepgaande verklaring herkent van het doel en het plan van de kosmos.
Deze leringen zijn echter niet gegeven om een nieuwe religieuze sekte
te stichten of een toevluchtsoord te zijn voor zelfzuchtige geestelijke
zoekers. Zoals in alle eeuwen het geval was, worden ze opnieuw aangeboden,
in de eerste plaats om harmonie, naastenliefde en een hogere levensopvatting
aan te kweken, om de waarheid in wetenschap en religie te tonen en daardoor
te bevorderen dat men de innerlijke waarde van elkaar meer gaat erkennen.
Maar geen waarheid, hoe groots en edel ook, bezit een kracht ten goede,
tenzij we haar een plaats geven in ons leven en voedsel om te kunnen
groeien. De natuur geeft haar lessen gratis, maar we weten ook dat men
haar waarheden moet verdienen. Ze ontvouwt zich geleidelijk, niet alles
in één keer, en altijd is er een nieuw mysterie dat op
ontdekking wacht, een nieuw gezicht dat ons eraan herinnert wie we zijn
en wat de verantwoordelijkheden zijn die we overal delen met lagere
en hogere levens. De seizoenen volgen elkaar op; ieder jaar, ieder leven
heeft zijn oogst en brengt zijn zaden voort voor de toekomst. Activiteit,
rust en vernieuwing — een eenvoudige waarheid, en één
die een visie geeft van immense schoonheid en hoop: we leven inderdaad
in de ‘dageraad van de schepping’ — en de wereld,
met al haar problemen, is ‘nog niet halfvoltooid.’