Karma kan worden omschreven als de wet van oorzaak en gevolg: iedere
handeling zet oorzaken in beweging die op een bepaald moment resulteren
in een gevolg van een soortgelijk gehalte. Deze bewering houdt echter
in dat de werking van karma is te vergelijken met een extern, mechanisch
moreel register of een geestelijke rechtbank waar een alwetende rechter
straf toedient voor onze misdaden en beloning schenkt voor het goede
dat we doen. Maar de goden oordelen niet over ons en denken niet in
termen van beloning en straf. Ja, hun voortdurende liefde en aanmoediging
tot onzelfzuchtig handelen doordringt elk aspect van ons wezen met een
spirituele genade.
Waarom voelen we ons dan vaak overweldigd door het noodlot –
zo teneergeslagen en onwaardig? Verdienen we inderdaad het lijden dat
we soms ondergaan? En hoe kunnen we zo alleen zijn in een uitgestrekt
en schijnbaar onverschillig heelal? De sleutel tot het begrijpen van
onze gevoelens ligt in het herkennen van hun bron. Het idee dat we alleen
zijn, gescheiden van alle anderen, is het gevolg van het zich bewust
identificeren met onze persoonlijkheden, met het bewustzijnscentrum
dat zich bezighoudt met de zorgen van alledag, dat zich verheugt, dat
lijdt onder de verschrikking van een tragische gebeurtenis of een persoonlijk
verlies, en ook dat het geluk smaakt van succes en vervulling. Anderzijds
komt het idee dat we goden zijn – wezens van goddelijk licht die
in harmonie met alles zijn verbonden – voort uit onze eigen innerlijke
godheid die ons vervult met de schitterende en verheffende hartstocht
van spirituele liefde die uit het diepste hart van het zijn straalt
– en ons krachtig daarmee verbindt.
De vele lagen of schillen van materie die zich rondom ons voegen –
of ze nu van een stoffelijke, psychische of zelfs van een geestelijke
soort zijn – bepalen of beperken ons werkelijk op geen enkele
manier. Ze zijn slechts de schuimachtige, niet-substantiële, tijdelijke
middelen die we gebruiken om het voortgaande proces van groei mogelijk
te maken – de steeds volmaaktere uitdrukking van ons onbeperkte
innerlijke potentieel. We nemen keer op keer deze uiterlijke gewaden
aan, gebruiken ze en leggen ze af als we ons van leven tot leven op
aarde wederbelichamen. Uiteindelijk ontgroeien we één
stel gewaden en verwisselen het voor een ander dat passender is voor
het grootse wezen dat we dan tot uitdrukking kunnen brengen. Zo brengen
we de vormen en gedachten van het plantenrijk tot uitdrukking, nadat
we de bewustzijnservaringen hebben opgedaan van het delfstoffenrijk,
en dan gaan we verder naar dat van de dieren, de mensen en de goden.
Omdat we voortdurend de manier waarop we ons uitdrukken en op elkaar
reageren – onze lichamen van allerlei verschillende soorten en
graden – veranderen, zal het duidelijk zijn dat geen van die tijdelijke
vormen werkelijk onszelf is, de ware blijvende individualiteit
die van leven tot leven en van aeon tot aeon voortduurt tijdens de wederbelichamingen
van de zon en het melkwegstelsel en nog langer. Nee, we kunnen beter
worden beschouwd als een keten van handeling, een eindeloze keten van
oorzaken en gevolgen die zich nu manifesteert als onszelf. Door voortdurend
te handelen en op elkaar te reageren bepalen we onze unieke koers door
de eeuwigheid. Elk individu bestaat niet in afgescheidenheid, wat onmogelijk
is, maar bestaat uit het unieke van zijn keuzes – in de oneindige
stroom oorzaken die ertoe hebben geleid dat we zijn geworden wie we
nu zijn.
Karma is dus evengoed van toepassing op microben als op mensen, atomen
en heelallen. We gaan vooruit als een onvergankelijke karmische stroom,
een geïndividualiseerde, zich ontwikkelende draaikolk van de universele
drang om te leren en te groeien in zelfbewust mededogen. Dienovereenkomstig
is het doel van een wezen niet de volmaking van vorm noch het bereiken
van het substantiële en tijdelijke, niet een toestand of het bereiken
van een bepaald niveau van vaardigheid. Het doel van een leven dat waard
is om geleefd te worden is veeleer een richting – om steeds verder
te bewegen naar een vollediger uitdrukking van een onzelfzuchtige liefde
voor allen. In diepste zin kunnen we ons dus nooit bevrijden van karma
– en dat zouden we ook niet willen – want het omvat en steunt
alles wat we zijn, alles wat we hebben geleerd en tot uitdrukking gebracht,
en alles wat we in de toekomst kunnen worden. Door onze individuele
karmische stroom van handelingen – onszelf – bewust in harmonie
te brengen met de wil en liefde van de goden, worden we hun partners
bij het voeden van de geestelijke groei en het instandhouden van het
heelal.