Het begin van een natie is altijd in nevelen gehuld en mysterieus;
maar nergens schittert het licht van de dageraad met een grotere schoonheid
dan in de legenden van het vroege Tsjechië. Er bestaat een schat
van die legenden, vele zijn grotendeels historisch en tussen en in de
regels van sommige vangen we zeldzame glimpjes op van de mysteriën
en van edele figuren, van ingewijde koningen en koninginnen. Een daarvan
was prinses Libuse, de ‘moeder van Tsjechië’, een prachtig,
heidens personage dat duidelijk als een geestelijke lamp van de Wet
naar voren treedt in het schemerachtige maar historische verleden.
Het land dat de Republiek Tsjechië wordt genoemd is een al oud
land, en er is aangetoond dat de mens daar reeds in de laatste ijstijd
bestond. De neolithische mens leefde daar later, en een bronstijd met
hoge ontwikkeling duurde tot ongeveer de achtste eeuw. Na verloop van
tijd kwam echter een grote Slavische stroom op gang. Al werd het land
door tenminste twee invasies geïnfiltreerd met Keltisch bloed en
beïnvloed door de Romeinse cultuur, toch bleef deze stroom de belangrijkste
en zowel het land als het volk namen tenslotte de naam van een van zijn
sterke stammen aan – de Tsjechen – en die heeft het nog
steeds.
De leider van deze stam was Tsjech, die zijn volk verstandig regeerde.
Er hoefden geen omheiningen te worden opgetrokken om het ene stuk land
van het andere af te scheiden; alleen werd de balk of rug overgelaten:
een strook grond van ongeveer 30 cm breed die van niemand was en die
iedereen als neutraal gebied onschendbaar achtte. Want het was de tijd
dat het licht van de mysteriën in Tsjechië nog brandde, al
was het in andere oudere landen allang gedoofd; praktisch heel Europa
tolde naar het dieptepunt van een cyclus van ongeveer tien eeuwen lang,
een cyclus die afschuwelijk was door vernederingen en verschrikkingen
en duister door onwetendheid en zonde. Maar in het door bergen omringde
heidense Tsjechië geloofde men nog in de oude wijsheid en kende
men nog veel oude waarheden. De goden stonden heel dichtbij de gewoonten
van de mensen en communiceerden met hen. Er werd geloof gehecht aan
magie en men had er eerbied voor als voor een hoogstaande en heilige
kunst: die men alleen ten behoeve van de ziel zou moeten beoefenen.
Uiteindelijk werd de krijgsman Samo als koning gekozen om zijn heldhaftigheid
bij het verdrijven van de bloeddorstige Avaren uit het land in de zevende
eeuw; de laatste jaren van die eeuw beslaan de regering van Krok, zijn
zoon of kleinzoon, vader van Libuse. Krok was een magiër, een goede
en wijze man die de troon besteeg toen onder het volk een neiging tot
wanorde begon te heersen. Maar algauw had hij de orde hersteld en keerde
de vrede terug. Omdat Krok voor de bescherming van zijn volk de toekomst
wilde kennen, streefde hij naar drie dagen van eenzaamheid en nauw contact
met de goden; die vertelden hem dat het ’t beste was een ander
woongebied te zoeken. Krok zei tegen zijn volk dat ze niets hadden te
vrezen van de lange tocht: wanneer de bestemde plek was bereikt zouden
de goden het hun laten weten.
Krok en zijn volk gingen dus op weg en kwamen bij de brede Vltava (tegenwoordig
de Moldau). Toen ze de hoge heuvel beklommen die uitzicht biedt op het
water kwam de beloofde openbaring tot hen als een lichtflits. ‘Dit
is de plaats’, riepen ze eensgezind en hier sloegen ze hun tenten
op. Na verloop van tijd werd hier Vysehrad gebouwd, de machtige burcht
waar het hele volk zich binnen de muren kon verzamelen, de acropolis
van het toekomstige Praag, residentie van Libuse die zou komen, en raadskamer
van de goden.
Krok stierf na een regeringsperiode van dertig jaar; hij liet drie
dochters na, allen ‘wijze vrouwen’, niet alleen met schoolkennis,
maar ook met de geheime wijsheid uit de oudheid, bedreven in geestelijke
magie die hun vader hun had geleerd. Kazi, de oudste, was een bewonderenswaardige
genezer, bekwaam in de hele magie van de geneeskunst die in vroegere
tijden onderdeel was van de mysteriën. Teta was de priesteres van
de natie die het volk zielenwijsheid leerde. Maar Libuse overtrof haar
zusters in wijsheid en schoonheid; het volk gaf met enthousiasme aan
haar de voorkeur en ze werd dus de opvolger van Krok en voor Tsjechië
vorst, wetgever en rechter.
Zoals de mensen met hun geschillen naar Krok gingen, zo kwamen ze nu
bij Libuse, die rechtvaardige uitspraken deed. Op een dag maakten twee
voormannen van de stam ieder voor zich aanspraak op de smalle neutrale
strook of balk die tussen het ene en het andere veld lag. Ze spoedden
zich naar Vysehrad, waar de prinses rechtsprak met naast haar twaalf
bejaarde en gezaghebbende mannen. Bovendien was daar een grote menigte
bijeengekomen. De twistende partijen stonden vóór haar
en de jongere man beschuldigde de oudere. Maar deze, met een volle baard
en onstuimig, eiste dat hij zijn zin zou krijgen, zonder zich te bekommeren
om het onrecht dat daaruit kon voortvloeien.
Libuse hoorde de zaak aan, woog de getuigenissen goed tegen elkaar
af en maakte het oordeel bekend aan de leider van de twaalf edelen naast
haar; deze waren het erover eens dat de uitspraak rechtvaardig was,
want Libuse was oprecht van mening dat de jongere man groot onrecht
was aangedaan. Maar vóór zij was uitgesproken ging de
oudere tekeer, buiten zichzelf van woede, alsof er een stortvloed was
losgebarsten:
‘Dat is nu de rechtvaardigheid van onze wet! Weet u hoe dat komt?
Een vrouw zit over ons te oordelen! Inderdaad met lang haar, maar met
weinig gezond verstand! Laat zij gaan spinnen, laat haar naaien; maar
laat ze zich niet wagen aan rechtspraak! Voor ons mannen is het een
schande! In welk ander land regeert een vrouw over mannen? Alleen wij
worden zo geregeerd en bespottelijk gemaakt!’
Een schrijnende droefheid bij zo’n ondankbaarheid drong tot in
de ziel van Libuse door, maar ze wachtte geduldig of anderen misschien
de overtreder als eersten zouden terechtwijzen. Helaas! Zij stonden
daar allemaal als verlamd, zo wild en opgewonden waren de uitlatingen
geweest. Uiteindelijk sprak Libuse indrukwekkend en waardig: ‘Ik
ben een vrouw, dat is waar, en als vrouw spreek ik recht. Dat ik mijn
oordeel niet kracht bijzet met de ijzeren zweep – dat is voor
u aanleiding te zeggen dat mijn wijsheid maar gering is. U heeft een
vorst nodig die strenger is dan een vrouw en die zult u krijgen. Er
zal een congres voor het hele land worden bijeengeroepen dat een leider
en heerser zal kiezen, en op wie ook de keus zal vallen, ik zal die
tot echtgenoot nemen.’
Na dit te hebben gezegd, ging ze van de rechtszitting naar haar kasteel,
zond boodschappers naar haar zusters om hun te vragen te komen. In de
kasteeltuin was een heilige plaats waarheen niemand dan Libuse en haar
zusters ooit durfde te gaan. Er was daar een natuurlijke als tempel
dienende plek in de diepe schaduw van een linde, gewijd aan de schilddragende
Perun.2 Libuse ging die tempel in
en bleef daar in stilte en afzondering tot de duisternis viel, nadenkend
en beraadslagend met de goden. Plotseling stonden Kazi en Teta voor
haar in het halfduister. Wat Libuse haar zusters toevertrouwde, wat
ze overwogen en tegen haar zeiden, wat het drietal – allen begiftigd
met een profetisch vermogen – op die gewijde plaats adviseerde
en besloot, heeft niemand ooit geweten. De hele nacht verstreek terwijl
ze daar samen overlegden, tot tenslotte hoog boven het kasteel het eerste
zwakke licht van de ochtendschemering begon te schijnen.
In het eerste uur na zonsopgang zond Libuse een oproep uit voor de
samenkomst van het volk; ze kwamen vanuit alle streken van het land.
Als waren ze één mens, zo drong de enorme menigte op naar
de Vysehrad, de ruime hal binnen waar zij op haar troon zat. Kazi en
Teta zaten aan weerszijden van haar.
Libuse sprak ernstig en kalm: ‘U weet heel goed waarom ik u heb
samengeroepen. Dat u vrijheid niet naar waarde kunt schatten, ben ik
te weten gekomen, want ik heb u op de proef gesteld. Op basis van de
wijsheid van de goden, die mij raad gaven, verklaar ik u nu dat ik niet
langer zal regeren – omdat u innerlijk verlangt naar het bewind
van een man. U verlangt iemand die uw zonen en dochters tot slavernij
dwingt, die u het beste zal ontnemen, alles volgens zijn wil. Maar ik
heb niet de wens u met angst te overladen. Laat ik slechts zeggen: Kies
uw leider met wijsheid. Daarbij zal ik nog steeds, als u dat wenst,
ermee instemmen u raad te geven; ik zal u zijn naam geven en de plaats
waar hij verblijft.’
‘Vertel het ons! Geef ons raad!’ riepen ze, terwijl ze
dicht naar de troon drongen.
Libuse stond op, wees naar de bergen in het noorden, en zei: ‘Voorbij
die bergen in Lemuz stroomt een rivier, genaamd Belina. Vlak daarbij
vindt u een gehucht waar de familie Stadic woont. Daarbij ligt ook een
los stuk braakland, 120 stappen breed en lang; het ligt te midden van
veel akkers. Daar zult u uw leider aantreffen. Hij zal aan het ploegen
zijn met twee gevlekte ossen, één met een vlekkeloos witte
kop, de andere met een wit voorhoofd, wit langs de rug naar achteren
en met sneeuwwitte achterpoten. Neem vorstelijke kleding mee en zeg
tegen de man dat u als boodschappers van uw volk en van mij komt, opdat
u uw volk een vorst kunt geven en aan mij een echtgenoot. Zijn naam
is Premysl en zijn afstammelingen zullen eeuwenlang over dit land regeren.
‘Maak u geen zorgen over het zoeken van de weg, ook niet om daarover
navraag te doen. Mijn paard zal u voorgaan en u erheen brengen. Degene
bij wie het stilhoudt en hinnikt is de man die u zoekt. U zult me zonder
aarzelen geloven wanneer u hem aan een ijzeren tafel ziet eten.’
Libuse gaf een teken en een wit paard werd voorgeleid. Het was vroeg
in de herfst en een rustige zonnige dag. De vorstelijke kleding werd
op het zadel gelegd en prompt ging het paard op weg. Niemand leidde
het en toch week het geen stap van de goede weg af. Vlakten werden overgestoken
en bergen gepasseerd tot op de ochtend van de derde dag de boodschappers
bij een gehucht in een lage, smalle vallei kwamen. Daar was Premysl,
heel lang en statig, met voor zijn ploeg twee ossen, gevlekt zoals Libuse
had beschreven. Langs de brede afbakeningsstrook haastten de boodschappers
zich naar hem toe, het paard van Libuse voorop, dat als van vreugde
steigerde en hinnikte en toen neerknielde voor de ploeger. De boodschappers
pakten de vorstelijke gewaden die Libuse had meegegeven en gingen groetend
op Premysl af:
‘Fortuinlijke onder alle mensen, o prins, uitverkoren door de
goden! Laat uw gevlekte ossen gaan, doe uw boerenkleding uit, trek de
vorstelijke gewaden aan die wij hebben meegebracht; bestijg het fraaie
paard en kom met ons mee. Dat gelast prinses Libuse en vraagt het hele
Tsjechische volk. Het bestuur van ons land zal aan u en uw erfgenamen
zijn. U bent gekozen tot onze beschermer, vorst en rechter.’
Premysl luisterde en drukte de droge stok die hij in zijn hand hield
diep in de aarde. Terwijl hij het brede juk van de gevlekte ossen afnam
zei hij tegen ze: ‘Ga nu terug vanwaar jullie zijn gekomen.’
Voor de ossen opende zich een enorm rotsblok; daarna sloot het zich
achter hen en was het alsof ze er niet waren geweest.
‘Het is echt jammer,’ zei hij tegen de boodschappers, ‘dat
jullie zo vroeg moesten komen. Als ik het ploegen van dit veld maar
had kunnen afmaken, dan zou er altijd een overvloed aan brood in ons
land zijn geweest. Maar omdat jullie geen geduld hadden om te wachten,
hebben jullie mijn werk afgebroken en daarom zal er steeds weer hongersnood
over u en de uwen komen.’
Terwijl Premysl nog sprak, kreeg de droge hazelaarstak bladeren alsof
de lente was aangebroken, en drie frisse groene twijgen, bedekt met
bladeren en jonge nootjes, liepen uit. Premysl nodigde de mannen uit
met hem aan tafel te gaan zitten. Hij draaide de ploeg op zijn kant
en uit een tas van gevlochten lindebast haalde hij kaas en brood dat
hij op de glanzende horizontale ploegschaar legde. ‘Het is de
ijzeren tafel waar de prinses over sprak’, zei iedere hoofdman
bij zichzelf. Terwijl ze zaten te ontbijten, verdorden twee frisgroene
twijgen van de hazelaarstak en vielen af. Alleen de derde bleef over,
maar die was groen en levend en schoot hoog en weelderig op. Angstig
vroegen ze Premysl om uitleg; hij zei: ‘Begrijp dat van allen
die uit mij zullen voortkomen er velen zijn die wel met hun bestuur
zullen beginnen, maar slechts één zal het voltooien.’
Premysl stond op en nam afscheid van zijn nu bejubelde huis. Vervolgens
besteeg hij, gekleed in koninklijke gewaden, het paard dat stond te
wachten; zijn boerentas en schoenen van lindebast nam hij mee. Weer
stelden de boodschappers vragen; hij antwoordde: ‘Dit zijn geschenken
voor u, die tot in de komende eeuwen moeten worden bewaard, opdat zij
die na mij regeren niet zullen vergeten waar zij vandaan kwamen en ze
niet hun weg kwijtraken door hoogmoed en misbruik van hun heilige opdracht
– want werkelijk, we zijn allen broeders.’3
Al snel naderden ze het hooggelegen Vysehrad, waar Libuse wachtte om
hen te begroeten, beeldschoon in een witte japon, omringd door de edelen,
hoofden en ouderen van het rijk. De heldhaftige, knappe en jonge Premysl
pakte de hand van de prinses en verheugd gingen ze het kasteel binnen.
Daar werd hun huwelijk voltrokken; iedereen vierde vrolijk feest en
luisterde naar zangers die als barden de heldendaden van Tsjechië
bezongen. Toen de avond viel, vlamden vreugdevuren en toortsen op.
Toen bracht Libuse Premysl naar een kamer waar muren en tafels blonken
en schitterden door de verblindende glans van goud en zilver, brons
en ijzer. Zij liet Premysl al die grote rijkdom zien die nu met hem
zou worden gedeeld. Vervolgens geleidde ze hem naar de heilige plek
bij de lindeboom, waar zij daarna beiden menigmaal in ernstig beraad
zouden zitten om na te denken over het welzijn van hun volk. De vele
nieuwe wetten die Premysl in de volgende jaren uitvaardigde, brachten
de opstandigen en de hooghartigen in het gareel, wetten waaraan men
zich nog eeuwenlang zou houden.
Op een mooie dag stond Libuse, met Premysl aan haar zij, op een hoge
steile rots uit te kijken over de brede Vltava. Zij wees met haar hand
naar een beboste heuvel waarop ze een indrukwekkende stad zag waarvan
de roem volgens haar tot de sterren zou reiken. Ze wees precies de plaats
aan waar men het kasteel van de stad moest bouwen en noemde het Praha
(Praag).
En aan de voet van de rots Vysehrad was de afgelegen plek waar Libuse
placht te baden. Op een dag verscheen er het ene beeld na het andere
op het donkere oppervlak van het water terwijl Libuse daar keek. Steeds
somberder en verschrikkelijker werden ze, tot zij het in haar hart uitschreeuwde
van pijn en kwelling. Haar kameniers raakten in de war, verwonderd en
verdrietig; Libuse zei tot hen:
‘Ik zie grote vuren opvlammen, mooie dorpen branden en machtige
kastelen, imposante zalen! In de gloed ervan zie ik bloedige veldslagen
aan de gang. Asgrauwe gewonde lichamen zie ik, broeders die elkaar doden
en een vreemdeling die de voet op hun nek zet! Ik zie ellende, vernedering,
verschrikking, verwoesting, verdriet!’
Twee van haar kameniers kwamen naderbij en droegen de gouden wieg van
haar eerstgeborene. Ze kuste het gouden bedje en legde het op het water.
Terwijl het in de stilstaande diepten zonk, sprak Libuse weer:
‘De nacht zal niet eindeloos over dit land heersen.
Het stralende daglicht zal weer gaan schijnen en, gezuiverd door verdriet
en pijn, sterker geworden door haar ijver en liefde, zal Tsjechië
weer krachtig omhoogkomen en opnieuw zal haar glorie ten deel vallen.
Dan zult u opstijgen naar het licht, in uw beschuttende armen zal de
natie in een toekomstige tijd rusten, bevrijd, als kind herboren.’
. . .
. . .
.
Deze legende geeft aanleiding tot veel overdenking. De vrouwen met geheime
wijsheid; de mysterieuze ossen en het paard; de boer die tot de vorstelijke
staat wordt verheven; de staf die gaat bloeien; Perun met het schild
en de heilige boom; en de geheimzinnige omlijsting van het geheel –
deze hebben hun pendant in mythen en legenden over de hele wereld. Anderzijds
is daar het niet ontkende bestaan van Libuse, Premysl en Krok als grote
historische figuren, van de burcht Vysehrad en het daadwerkelijk grondvesten
van het Huis Premysl – een huis dat in Tsjechië eeuwenlang
regeerde.
Het is een feit dat deze legende even waardevol is als mystieke optekening
of als historisch verslag. Libuse’s kennis over Premysl is niet
fantastischer dan dat Jeanne d’Arc de kroonprins onder zijn vermomming
herkende. De visioenen van de één evenaren die van de
ander en we vinden soortgelijke profetieën opgetekend over Birgitta
uit Zweden, Brigit uit Ierland, de gnostische Maximilla en Prisca, en
ongetwijfeld over anderen die eveneens aan deze kant van een of andere
soort ochtendnevel leefden. De ziel bestaat werkelijk en heeft ook een
mystieke kant, is historisch en legendarisch, een feit en een allegorie,
evenals Libuse. Is eigenlijk niet ieder van ons, altijd en iedere dag,
een allegorie of symbool van – iets? Het antwoord op
deze eenvoudige vraag omvat een hele filosofie.
Libuse was meer dan een vorstin in de gewone betekenis. Ze had kennis
van de voorvaderlijke theosofie van de wereld, zoals ook haar zusters
en vader, en ze neemt in het hartenleven van Tsjechië een plaats
in die doet denken aan de mystieke figuren van Quan-Urn-Bodhisattva,
de moeder lerares uit de oudheid van Korea, Kwan-Yin, de Chinese ‘Moeder
van mededogen’. Rond zulke grote figuren moeten wel legenden groeien.
Tsjechië was in de tijd van prinses Libuse een brandpunt van mystiek
leven. Onder de cyclische wet komen stromen tenslotte terug naar hun
bron, en zowel mensen als volkeren maken het pad door inspanning vrij,
vinden na verloop van tijd de weg terug naar de geestelijke hoogten
van hun jeugd. Het is een van de betekenissen van het verhaal dat in
alle bijbels van de wereld bekendstaat als de terugkeer van de dolende
zoon naar het ‘huis van zijn Vader’. Wie deze wet kent door
te letten op de ontvouwing ervan – vooral in het lange en vaak
vreemde verloop van de geschiedenis – weet dat een natie nooit
teveel hoop kan koesteren als haar begintijd zo broederlijk en hoogstaand
was.
Noten
- Naverteld door mijn moeder, dr. Grace Green Knoche
(1871- 1962) – naar de vertaling van Bessie Barborka van de
Tsjechische vertolking van Alois Jirásek. Uitspraak: Libuse
(Lie-boe-sjee), Vysehrad (Vai-sje-h’rad), Prsemysl (Per-zjem’-isl).
– G.F.K.
- De Zeus van het Tsjechische pantheon, die in schoonheid
en volleerdheid kan wedijveren met die van Griekenland of Rome.
- Deze schoenen worden volgens de verslagen die Kosmas
uit Praag in de 13de eeuw optekende ‘tot op de dag van vandaag
bewaard in Vysehrad’, en bleven daar totdat de Hussietische
oorlogen een tijd aan de gang waren. Daarna zijn ze uit het oog verloren
en hebben ze ongetwijfeld het lot gedeeld van de algemene vernietiging
die het land achterliet zonder literatuur en bijna zonder eerbiedwaardige
schatten van welke soort dan ook.