Universele broederschap
Scott Osterhage

 

Het kan soms moeilijk zijn te geloven dat broederschap het fundament van onze menselijke familie is. In het algemeen stellen we ons broederschap voor als iets dat zich openbaart in de overeenstemming en samenwerking tussen verschillende groeperingen van de mensheid. Als eenheid een feit is, waarom ontbreekt deze eensgezindheid dan zo vaak? Universele broederschap heeft echter een diepere achtergrond dan alleen maar een oppervlakkige overeenstemming: ze betekent dat de mensheid inherent één is. In feite zijn alle wezens in hun diepste innerlijk vonken van de goddelijke essentie, gehuld in voertuigen die overeenkomen met hun huidige evolutiestadium.

Als mensen hebben we rond onze innerlijke zelven onzichtbare en zichtbare karmische lichamen opgebouwd. In ons fysieke lichaam hebben we gewoonlijk het gevoel en schijnt het dat we afgescheiden zijn van anderen. Het kost ons soms moeite ons bewust te worden van het essentieel belangrijke deel van ons dat onsterfelijk is – ons hogere zelf, de innerlijke god of de Vader binnenin ons. Tegenwoordig is het wijdverspreide gevoel van afgescheidenheid grotendeels toe te schrijven aan het feit dat we onze geestelijke essentie zijn vergeten en ons hebben vereenzelvigd met alleen ons grofste lichaam. Deze illusie van afgescheidenheid komt ook voort uit zelfzucht, iets dat helaas iedere dag wordt versterkt door een competitiegeest. De onzelfzuchtigheid van de altruïstische leringen van de grote wijzen en zieners van de wereld is voor velen iets theoretisch geworden.

Als we de eenheid in beschouwing nemen, zien we in dat we in de kern van ons leven goddelijk zijn, en dat goddelijkheid uiteindelijk één is – alle dingen zijn met elkaar verweven, staan met elkaar in verband, doordringen elkaar. Daarom zijn wij allen EEN als een feit in de natuur, niet alleen maar door samenwerking of overeenstemming. In essentie zijn we één met alle wezens – mensen, dieren, goden, planten, planeten, mineralen, kometen, sterren, en zo verder naar boven en naar beneden, naar binnen en naar buiten, daarachter en daarbinnen. Als we ver genoeg in ons binnenste gaan, zullen we uiteindelijk de grootse panorama’s van de kosmos aanschouwen – opnieuw, EEN!

Door toedoen van de illusie schijnt het dat we afgescheiden zijn van alle andere wezens en dingen – schijnt het, als we met fysieke ogen kijken naar fysieke dingen. Wat te denken van de oorzaken en essenties achter en voorbij het fysieke? Wetenschappers geloven nu dat ‘lege’ ruimte substantieve materie bevat, die als de basis kan worden beschouwd voor de meeste materialen in het heelal. Theosofie spreekt van onzichtbare werelden die verzamelingen levens herbergen, waarbij de innerlijke werelden de oorsprong van de fysieke wereld zijn. Een meerderheid van deze wezens, evenals sommige delen van onze eigen constitutie, kunnen door ons op dit moment niet worden waargenomen, omdat de trillingsgetallen hiervan buiten het bereik van ons waarnemingsvermogen liggen. Dit ontsluit voor ons het weidse visioen van een veelomvattende werkelijkheid. In de Bhagavad Gita lezen we, ‘Ik deed dit gehele heelal ontstaan uit een enkel deel van mijzelf, en blijf ervan gescheiden’; de Tao Te Ching vermeldt, ‘Het Tao dat onder woorden kan worden gebracht is niet het eeuwige Tao’; de Chandogya Upanishad verklaart, ‘Gij zijt Dat’; en de bijbel zegt, ‘Ik en mijn Vader zijn één’ en ‘Hoewel we velen zijn, zijn we één lichaam in Christus’ (de Chrestos-geest).

We kunnen proberen het Griekse gebod ‘ken uzelf!’ te volgen en ons idee van universele broederschap te verruimen door onszelf te identificeren met onze familie, buren en collega’s. Maar we hoeven daar niet op te houden – we kunnen dit uitbreiden tot de mensheid in algemene zin, met haar diverse bevolkingsgroepen en hypothetische nationale grenzen, en ons identificeren met elk van haar leden, met hen die we bewonderen en hen die we verachten, want we zijn allen EEN! We zijn met hen allen nauw verbonden, de heilige en de zondaar, de bewonderenswaardige en de beklagenswaardige. Er zijn geen grenslijnen in de innerlijke werelden behalve grenzen die we in onszelf trekken. Door ons eigen zelf te verheffen, verheffen we ook dat van de hele mensheid, in hoe geringe mate ook, door het gedachteleven van ieder lid gunstig te beïnvloeden.

Maar we hoeven zelfs daar niet te stoppen: we kunnen ons in gedachten verplaatsen naar de andere natuurrijken, de planten en dieren, planeten en sterren, want we zijn onverbrekelijk verbonden met het hart van ieder wezen in het heelal. Als we deze gedachte tot het uiterste doorvoeren, kunnen we reiken tot de hoogste God of de Onkenbare Schepper – wat ons geloof ook is – en we kunnen onszelf met dat Wezen vereenzelvigen. DAT is waar we uiteindelijk elkaar allen ontmoeten, in de oneindige bron van het AL. Indien we onszelf op die manier nauw verbonden weten, hoe kunnen we elkaar dan nog beschouwen als afzonderlijke of tegenover elkaar staande groepen of individuen met onoverkomelijke meningsverschillen?

Hoewel sommigen dit misschien utopisch in de oren klinkt, is universele broederschap een feit in de natuur, en elk van ons kan dit tot zijn gewone zelf laten doordringen en daardoor tot de mensheid als geheel.

 
Andere artikelen over broederschap
 

Uit het tijdschrift Sunrise juli/aug 1998

© 1998 Theosophical University Press Agency