Het kan soms moeilijk zijn te geloven dat broederschap het fundament
van onze menselijke familie is. In het algemeen stellen we ons broederschap
voor als iets dat zich openbaart in de overeenstemming en samenwerking
tussen verschillende groeperingen van de mensheid. Als eenheid een feit
is, waarom ontbreekt deze eensgezindheid dan zo vaak? Universele broederschap
heeft echter een diepere achtergrond dan alleen maar een oppervlakkige
overeenstemming: ze betekent dat de mensheid inherent één
is. In feite zijn alle wezens in hun diepste innerlijk vonken van de
goddelijke essentie, gehuld in voertuigen die overeenkomen met hun huidige
evolutiestadium.
Als mensen hebben we rond onze innerlijke zelven onzichtbare en zichtbare
karmische lichamen opgebouwd. In ons fysieke lichaam hebben we gewoonlijk
het gevoel en schijnt het dat we afgescheiden zijn van anderen. Het
kost ons soms moeite ons bewust te worden van het essentieel belangrijke
deel van ons dat onsterfelijk is – ons hogere zelf, de innerlijke
god of de Vader binnenin ons. Tegenwoordig is het wijdverspreide gevoel
van afgescheidenheid grotendeels toe te schrijven aan het feit dat we
onze geestelijke essentie zijn vergeten en ons hebben vereenzelvigd
met alleen ons grofste lichaam. Deze illusie van afgescheidenheid komt
ook voort uit zelfzucht, iets dat helaas iedere dag wordt versterkt
door een competitiegeest. De onzelfzuchtigheid van de altruïstische
leringen van de grote wijzen en zieners van de wereld is voor velen
iets theoretisch geworden.
Als we de eenheid in beschouwing nemen, zien we in dat we in de kern
van ons leven goddelijk zijn, en dat goddelijkheid uiteindelijk één
is – alle dingen zijn met elkaar verweven, staan met elkaar in
verband, doordringen elkaar. Daarom zijn wij allen EEN
als een feit in de natuur, niet alleen maar door samenwerking
of overeenstemming. In essentie zijn we één met alle wezens
– mensen, dieren, goden, planten, planeten, mineralen, kometen,
sterren, en zo verder naar boven en naar beneden, naar binnen en naar
buiten, daarachter en daarbinnen. Als we ver genoeg in ons binnenste
gaan, zullen we uiteindelijk de grootse panorama’s van de kosmos
aanschouwen – opnieuw, EEN!
Door toedoen van de illusie schijnt het dat we afgescheiden zijn van
alle andere wezens en dingen – schijnt het, als we met
fysieke ogen kijken naar fysieke dingen. Wat te denken van de oorzaken
en essenties achter en voorbij het fysieke? Wetenschappers geloven nu
dat ‘lege’ ruimte substantieve materie bevat, die als de
basis kan worden beschouwd voor de meeste materialen in het heelal.
Theosofie spreekt van onzichtbare werelden die verzamelingen levens
herbergen, waarbij de innerlijke werelden de oorsprong van de fysieke
wereld zijn. Een meerderheid van deze wezens, evenals sommige delen
van onze eigen constitutie, kunnen door ons op dit moment niet worden
waargenomen, omdat de trillingsgetallen hiervan buiten het bereik van
ons waarnemingsvermogen liggen. Dit ontsluit voor ons het weidse visioen
van een veelomvattende werkelijkheid. In de Bhagavad Gita lezen
we, ‘Ik deed dit gehele heelal ontstaan uit een enkel deel van
mijzelf, en blijf ervan gescheiden’; de Tao Te Ching
vermeldt, ‘Het Tao dat onder woorden kan worden gebracht is niet
het eeuwige Tao’; de Chandogya Upanishad verklaart, ‘Gij
zijt Dat’; en de bijbel zegt, ‘Ik en mijn Vader zijn één’
en ‘Hoewel we velen zijn, zijn we één lichaam in
Christus’ (de Chrestos-geest).
We kunnen proberen het Griekse gebod ‘ken uzelf!’ te volgen
en ons idee van universele broederschap te verruimen door onszelf te
identificeren met onze familie, buren en collega’s. Maar we hoeven
daar niet op te houden – we kunnen dit uitbreiden tot de mensheid
in algemene zin, met haar diverse bevolkingsgroepen en hypothetische
nationale grenzen, en ons identificeren met elk van haar leden, met
hen die we bewonderen en hen die we verachten, want we zijn allen EEN!
We zijn met hen allen nauw verbonden, de heilige en de zondaar,
de bewonderenswaardige en de beklagenswaardige. Er zijn geen grenslijnen
in de innerlijke werelden behalve grenzen die we in onszelf trekken.
Door ons eigen zelf te verheffen, verheffen we ook dat van
de hele mensheid, in hoe geringe mate ook, door het gedachteleven van
ieder lid gunstig te beïnvloeden.
Maar we hoeven zelfs daar niet te stoppen: we kunnen ons in gedachten
verplaatsen naar de andere natuurrijken, de planten en dieren, planeten
en sterren, want we zijn onverbrekelijk verbonden met het hart van ieder
wezen in het heelal. Als we deze gedachte tot het uiterste doorvoeren,
kunnen we reiken tot de hoogste God of de Onkenbare Schepper –
wat ons geloof ook is – en we kunnen onszelf met dat Wezen vereenzelvigen.
DAT is waar we uiteindelijk elkaar allen ontmoeten,
in de oneindige bron van het AL. Indien we onszelf
op die manier nauw verbonden weten, hoe kunnen we elkaar dan nog beschouwen
als afzonderlijke of tegenover elkaar staande groepen of individuen
met onoverkomelijke meningsverschillen?
Hoewel sommigen dit misschien utopisch in de oren klinkt, is
universele broederschap een feit in de natuur, en elk van ons
kan dit tot zijn gewone zelf laten doordringen en daardoor tot de mensheid
als geheel.