Wees wat je liefhebt
Sarah Belle Dougherty

 

Liefde is de drijvende kracht achter het heelal. Voor ons als geestelijke wezens is zij de innerlijkste essentie, die er in onze levens steeds naar streeft zichzelf tot uitdrukking te brengen, en in het bijzonder in onze relaties met anderen. Tegelijkertijd hebben we te maken met de werkelijkheid van tweedracht en het kwaad in het menselijke bestaan. Hoe kunnen we harmonie scheppen in onszelf en in de wereld om ons heen? William Q. Judge gaf aan enkele van zijn leerlingen de volgende raad:

     Wees wat je liefhebt. Streef naar wat je mooi en verheven vindt en laat het overige varen. Harmonie, opoffering, toewijding: gebruik deze als grondtonen. Geef hier overal en op de meest verheven wijze uitdrukking aan.

     Of we het willen of niet, na verloop van tijd zullen wij datgene worden waarop we ons met heel ons hart en denken richten. We hebben de automatische neiging dat na te streven waartoe we ons sterk voelen aangetrokken, omdat onze psychische natuur plastisch en vatbaar voor indrukken is. Door middel van bewust of onbewust gebruikte verbeeldingskracht brengen we datgene tot stand waarop we onze aandacht richten en stemmen we ons erop af. Daarom is het in het bijzonder van belang voorzichtig te zijn met wat we gewoonlijk tot het middelpunt van onze mentale en emotionele energieën maken. Door sterk te verlangen naar wat we ‘mooi en verheven’ vinden, beginnen we ons hele wezen dienovereenkomstig te transformeren.
     Het is algemeen bekend dat transformatie uiterst moeilijk tot stand is te brengen, grotendeels omdat de wet uit de natuurkunde dat er ‘voor iedere actie een gelijke tegengestelde reactie is’ evenzeer van toepassing is op het rijk van de psyche. Wanneer we het besluit nemen ons te concentreren op wat ‘mooi en verheven’ is, reageren die delen van ons die zich aangetrokken voelen tot tegengestelde gedachten met eenzelfde kracht tegen onze keus, en slagen er maar al te vaak in de status quo in ons bewustzijn en onze ambities te herstellen. Het bestrijden van deze tegengestelde krachten is vruchteloos, want hoe meer we ons daarop concentreren, des te meer kracht we hen verlenen. Door met ze te worstelen, blazen we ze nieuw leven in. Door deze negatieve aspecten te erkennen en ze vervolgens te negeren, wordt hun energievoorziening afgesneden en verliezen ze hun greep op ons.
     Bij ons streven meer te zijn dan we nu zijn, is het van het grootste belang om, zoals Judge aanraadt, ‘het overige te laten varen’ – en alle krenkingen, onrecht, verbittering, teleurstellingen en de negatieve gevoelens die we koesteren tegenover anderen en hun daden en tegenover onszelf los te laten. Anders concentreren we ons op de duistere kant van het leven, waarbij we juist die energieën die we verwerpelijk achten hernieuwde kracht geven. We kunnen ons absoluut niet concentreren op wat we liefhebben, als we alle aandacht geven aan wat ons boos maakt of verdriet doet. Het opgeven van onze gerichtheid op de negatieve aspecten van onszelf en van anderen maakt de gebeurtenissen die deze gedachten hebben veroorzaakt niet onbeduidend, of betekent niet dat onze gevoelens ongegrond zijn; evenmin pleit het wie dan ook vrij die onvriendelijke of boosaardige handelingen heeft verricht. Het betekent eenvoudig dat we onze energie, aandacht en wilskracht niet daaraan wensen te geven. Bovendien kunnen we er volkomen op vertrouwen dat iedere op gang gebrachte oorzaak altijd de geschiktste en meest rechtvaardige resultaten zal opleveren zonder dat we het probleem nog groter maken door erover te tobben, wrok te koesteren of naar vergelding te streven. Door het verleden los te laten, ontnemen we het zijn vermogen ons te beperken en ons af te leiden.
     Bij onze pogingen een uiterlijke harmonie te scheppen, brengen we maar al te vaak een kunstmatige sereniteit tot stand, die een innerlijke disharmonie verbergt, omdat de vrede hiervan voortvloeit uit een onderdrukking van conflicten of een vijandige gezindheid. Ware harmonie weerspiegelt een innerlijke gemoedstoestand die voortkomt uit een diep besef van onze essentiële eenheid met anderen ondanks onvermijdelijke meningsverschillen en onenigheden. En naarmate we een groeiende beheersing verwerven over onze eigen onontwikkelde aspecten van denken en voelen, dragen we in onze omgeving steeds minder bij tot wrijvingen en psychologische vervuiling.
     Een van de leraren van H.P. Blavatsky heeft gezegd, ‘Er is geen geluk voor degene die voortdurend aan het eigen zelf denkt en alle andere zelven vergeet. . . . Het heelal kreunt onder het gewicht van zulk (zelfzuchtig) handelen (karma), en geen ander dan zelfopofferend karma brengt verlichting.’1 Inderdaad, door het grote gewicht van het karma van de mens lijkt de aarde soms een ware hel. De manier waarop we elkaar en andere levende wezens bejegenen, onze gewelddadigheden, wreedheden, hebzucht en onverschilligheid kunnen bijna verpletterend zijn, waarbij twijfel rijst of de menselijke soort kan voortbestaan als zij haar huidige gewoonten handhaaft. Een krachtige manier waarop wij als individuen aan deze sinds lang bestaande tendensen een halt kunnen toeroepen – in de mensheid als geheel en in elk van ons – is door de belangen van anderen boven onze zelfzuchtige bezigheden te stellen. Dit betekent het opofferen van ons kleine zelf met zijn gevoelens van wrok en zelfgerichtheid aan ons geestelijke zelf om zo karmische ‘antilichamen’ te worden in het belang van het geheel waartoe we behoren. Op die manier kunnen we de giftigheid van de atmosfeer van zelfzucht die de mensheid omgeeft enigszins verkleinen. Offeren betekent heilig maken, en door zelfopoffering heiligen of vergeestelijken we ons gewone bewustzijn, waarbij we het na verloop van tijd verheffen tot een universeler, goddelijk niveau.
     Niettemin, het afstand doen van ‘gerechtigheid’, het tegemoettreden van onwetendheid, zelfzucht en wellicht boosaardigheid, met barmhartig begrip in plaats van een of andere vorm van vergelding komt ons in ons bewustzijn van alledag gewoonlijk voor als onrealistisch en zelfs gevaarlijk. Maar zoals de leraar zei, kunnen de krachtige stromen van karma afkomstig van menselijke antipathie, agressie en egoïsme alleen door zelfloosheid worden geneutraliseerd, door liefdevolle vriendelijkheid en een volstrekt vertrouwen in de uiteindelijke rechtvaardigheid van de geestelijke grondslag van het heelal. Vriendelijkheid houdt geen blindheid of dwaasheid in, maar veeleer de moed om in een bepaalde situatie op de juiste wijze te handelen zonder te buigen voor de eisen van zelfzucht en kleingeestigheid.
     Weinigen zullen evenwel zelfopoffering in praktijk brengen, tenzij ze zijn toegewijd aan iets dat zoveel grootser is dan hun alledaagse zelf dat ze bereid en verlangend zijn de herhaalde pogingen te doen die nodig zijn om hun persoonlijkheid nauwer te laten aansluiten bij de stralende godheid in hun hart, zelfs al komt dit te staan op het trotseren van gewoonte en conventionele wijsheid. Maar zodra we besluiten over onze gevoelens te waken, ernaar te streven het beste te zijn dat we ons kunnen voorstellen en het overige te laten varen, dan beginnen we inderdaad te belichamen wat we wensen te worden en hieraan overal in steeds grotere mate uitdrukking te geven. Vreemd genoeg verbetert het volgen van dit kennelijk innerlijke pad op krachtdadige wijze het lot van hen die we nooit tegenkomen, terwijl het een gunstige invloed heeft op ons gezin, onze collega’s, kennissen en omgeving – niet door met opzet een voorbeeld te geven met de bedoeling anderen te beïnvloeden of door onstuitbare weldoeners te zijn, maar door te trachten een zo natuurlijk en volledig mogelijk leven te leiden vervuld van het mededogen en de harmonie die het heelal gaande houden en veredelen.

 

Verwijzing:

  1. H.P. Blavatsky aan de Amerikaanse Conventies, blz. 35.

 

Uit het tijdschrift Sunrise juli/aug 1998

© 1998 Theosophical University Press Agency