Onze ziel is op een onsterfelijke pelgrimstocht; ze leert en groeit
op weg naar innerlijke verlichting; en in de komende eeuwen zullen we
evolueren tot stralende goddelijke wezens. Als we gaan geloven in deze
pelgrimstocht en proberen ermee in harmonie te leven, zetten we voet
op een spiritueel pad.
Tegenwoordig zijn mensen vrij om het pad van hun keuze te volgen. Niettemin
heeft de overgrote meerderheid het druk met het dagelijkse leven, en
bekommert zich niet om een innerlijke ontwikkeling. Maar uiteindelijk
zal de hele mensheid bewust moeten kiezen tussen het spirituele pad
of het neerwaartse pad. Zijn deze paden iets dat we voorlopig kunnen
negeren omdat ze zover van ons afstaan? Niet echt, omdat we al voetafdrukken
plaatsen op wat een uitgesleten spoor zal worden, te comfortabel om
gemakkelijk te verlaten.
Er zijn in feite twee spirituele paden met verschillende uiteindelijke
doelen. Beide vereisen een hoog niveau van discipline en zelfkennis,
maar op een zeker punt lopen ze uiteen. Eén pad streeft naar
eeuwig geluk en ontsnapping aan het levensrad; het andere is het pad
van dienstbaarheid, waarbij men terugkeert van gelukzaligheid om deel
te worden van de innerlijke Beschermingsmuur die de mensheid behoedt.
Het eerste pad is de grondslag van vele scholen en religies waarin
discipelen en asceten meditatie en loutering beoefenen om de hemel of
het nirvana te bereiken. Als ze succes hebben, laten ze de problemen
van de wereld achter zich en worden pratyekaboeddha’s (pratyeka
betekent ‘voor zichzelf’). Vergis u niet, zulke boeddha’s
moeten zeer spiritueel zijn om het nirvana te bereiken; maar eenmaal
daar, kunnen ze niet langer een actieve beschermende invloed uitoefenen
op de mensheid en het karma van de wereld.
In deze context heeft het woord ‘eeuwigheid’ een andere
betekenis. William Q. Judge geeft aan dat de hemel een begin heeft en
dat er, hoewel dit eonen kan duren, uiteindelijk een einde aan zal komen.
Dan ‘moet opnieuw aan de vermoeiende taak van het betreden van
de wereld — hetzij deze of een andere — worden begonnen’.1
Omdat onze hele natuur veel omvangrijker en complexer is dan we denken,
kan op enig moment slechts een klein deel ervan tot uitdrukking worden
gebracht om ons karma uit te werken, goed of slecht. Een student die
door bepaalde discipline en oefeningen de beloning van een hemelse toestand
verdient, heeft misschien een groot deel van zijn karma nog niet uitgewerkt.
Wanneer hij uiteindelijk wordt gedwongen terug te keren naar een incarnatie
op deze aarde, biedt zijn fysieke en psychische gestel misschien precies
dat wat nodig is om een zware last van karma te ervaren, en hij zal
deze onder ogen moeten zien.
Ironisch genoeg zal bijna ieder van ons na dit leven en voor het volgende
begint, een aanzienlijke tijd doorbrengen in een bewustzijnstoestand
die dicht bij het paradijs staat. Onze mate van geluk is afhankelijk
van het soort mens dat we tijdens het leven waren en het soort onvervulde
dromen dat we toen hadden. Deze ervaring is waarschijnlijk de bron van
de religieuze leer over de hemel.
Maar niet iedereen die een spiritueel pad volgt, probeert de hemel
of het nirvana te bereiken. Zij die het pad van mededogen kiezen, doen
dit vanuit een onzelfzuchtig verlangen om alle wezens te helpen, en
ze worden deel van de menigten verlichte wezens die de grote ouderloze
mensheid dienen en beschermen. Wanneer een discipel van dit pad het
punt bereikt waarop hij het nirvana zou kunnen betreden, keert hij in
plaats daarvan terug – zoals Gautama Boeddha deed – om te
blijven werken als een van de beschermers en helpers van de mensheid.
Wie zijn deze beschermers? Ze worden afwisselend oudere broeders, mahatma’s
of adepten genoemd. Soms werken ze in het openbaar, maar meestal rustig
en ongezien, overal waar ze mogelijkheden zien om de spirituele natuur
van worstelende, lerende mensen te ontwikkelen. Ze helpen individuen
en groepen die een hoogstaande, meedogende manier van leven trachten
te leiden. Ze zijn zich bewust van hen die verlangen naar licht en wijsheid,
en helpen telkens wanneer karma dit toelaat. Waardigheid is het enige
criterium: het motief moet zijn om anderen te dienen, en iedereen die
slechts eigen voordeel zoekt wordt overgeslagen.
Op een bepaald punt zullen allen op het evolutiepad psychische vermogens
en macht over verborgen natuurkrachten ontwikkelen. Deze vaardigheden
ontstaan op een natuurlijke manier tijdens het proces van het beoefenen
van zelfdiscipline, zuivering van beweegreden en concentratie. Velen
trachten psychische vermogens te ontwikkelen voor persoonlijke doeleinden.
Zij zullen misschien beginnen met betrekkelijk onschuldige verlangens
om de mysterieuze verborgen astrale gebieden te verkennen, maar ontdekken
algauw dat deze subtiele krachten macht geven om anderen te beïnvloeden.
Met eigenbelang als motief, kan de noviet zich gemakkelijk overgeven
aan verleidingen en kwaadaardige krachten die moeilijk zijn te weerstaan.
Hoewel de leerling zich er in de vroege fasen niet van bewust is, glijdt
hij af naar het neerwaartse of zogenaamde pad van de linkerhand, dat
leidt via zelfzucht, koud berekenend intellect en macht over anderen
naar morele vernietiging. Daarom moeten zulke machten niet worden gebruikt
voor zelfzuchtige doeleinden, maar alleen voor weldadige doelen –
de essentie van ‘witte magie’.
Vooruitgang op zowel het ‘pad van de linkerhand’ als het
spirituele pad vereist inspanning, discipline en kennis. Tot een bepaald
punt reizen alle leerlingen van de magie, hetzij ‘wit’ of
‘zwart’, samen. (In plaats van zwarte en witte magie, kunnen
we net zo goed zeggen zwarte of witte beweegreden.) Maar uiteindelijk
splitst het gemeenschappelijke pad zich, en vanuit diep in onze ziel
geeft een ontzagwekkende stem het strenge bevel: ‘Kies vandaag
wie je zult dienen!’
Hoe zet een leerling voet op het spirituele pad van dienstbaarheid?
Beslist niet door aan zichzelf te denken, maar door zorg om anderen.
Het dagelijkse leven is vol beproevingen die onze motieven
kunnen toetsen, onze innerlijke kracht uitdagen en onze intuïtie
openen. Leerlingen van dit pad krijgen hun beste training niet door
zich op een prachtige lokatie en in een aangename omgeving uit de wereld
terug te trekken, maar door met mensen te werken, en de vreugde en zorgen
die we allemaal ervaren te delen. En als we aan strijdende zielen niet
méér kunnen geven dan enige ogenblikken waarop we luisteren
naar hun problemen, kunnen we tenminste proberen door een opbeurend
woord hun last te verlichten.
Wanneer we aan een geliefd project werken is het bijvoorbeeld gemakkelijk
om te weigeren ons werk te laten onderbreken door iemand die hulp nodig
heeft of een begrijpend oor. We kunnen tegen onszelf zeggen, ‘Mijn
project is belangrijker’, maar dan gebeuren er twee dingen: het
weigeren om ons daarmee ‘bezig te houden’ maakt ons onmiddellijk
zelfzuchtiger en maakt het ook moeilijker om de volgende keer los te
komen van ons project. Aan de andere kant, als we bereid zijn ons werk
te onderbreken om iemand te helpen gaat deze zich gewoonlijk beter voelen
en het komt bovendien vaak ten goede aan ons project.
Wanneer wordt de beslissende keuze gemaakt? Ze wacht niet tot het moment
dat de leerling op het punt staat om ingewijd te worden als bodhisattva;
de keuze wordt gemaakt gedurende een lange periode, en begint misschien
levens daarvoor. Met elke keuze die we maken — als ouder, broer
of zuster, zoon of dochter, vriend of buur, werknemer of burger —
maken we de gewoontegroeven dieper en definitiever. Judge drukte het
erg goed uit:
De student van het occultisme haast zich naar zijn
bestemming, maar hij heeft die bestemming tot op zekere hoogte in
eigen hand, hoewel hij voortdurend zijn koers bijstelt, zijn ziel
bevrijdt van de ketenen van het verstand en het ego, of verstrikt
raakt in het web, dat hem met schering en inslag nu bekleedt als met
een gewaad zonder naad. – ‘Beschouwingen
over magie’, The Path 1:377
Theosofische literatuur spreekt van het ‘moment van keuze’,
dat voor de mensheid aanbreekt op het punt halverwege de vijfde ronde.
Het belang van deze gebeurtenis, die duizenden jaren in de toekomst
ligt, vervult het denken met ontzag. Het is ook ver genoeg om wie in
deze filosofie studeert zelfvoldaan in slaap te sussen met de gedachte
dat dit moment in eeuwen niet zal komen. Maar zelfs in het huidige leven
bouwen we gewoonten op die ons geleidelijk en ongetwijfeld geschikt
of ongeschikt zullen maken om veilig dit moment tegemoet te treden wanneer
het aanbreekt.
Ik denk dat wij allen zijn begonnen ons pad te kiezen; de sleutels
zijn: beweegreden en gewoonte. Zij die kiezen om het
pad van mededogen te volgen beginnen lang vóór ze zich
waardig voelen voor dat pad. We zetten onze eerste stappen wanneer we
de schoonheid ervan beseffen, wanneer we hen bewonderen die het ideaal
belichamen, wanneer we een onzelfzuchtig persoon die we kennen bewonderen
en zoals hem willen zijn. Slechts nadat we veel tijd en moeite hebben
besteed aan het ontwikkelen van liefde en respect voor onze medemens
(en ook voor onszelf), en de bereidheid hebben ontwikkeld om anderen
onbaatzuchtig te dienen, geloven we eindelijk dat we waardig zijn het
edele pad te betreden. En op dat moment hebben we al vele stappen gezet.
In de woorden van Judge, ‘Je hoopt en wacht op een grote en verbazingwekkende
gebeurtenis die je laat zien dat je wordt toegelaten achter de sluier;
dat je wordt ingewijd. Dat zal nooit gebeuren. . . . Wie de deur binnengaat,
doet dit zacht en onmerkbaar, zoals het getij stijgt in de nacht’.2
Verwijzingen
- Cf. Essays on the Gita,
blz. 158.
- ‘Gedachten over het ware
theosofische pad’, Echoes of the Orient 1: 21.