De twee paden: Wanneer wordt de keuze gemaakt?
David Spurlin

 

Onze ziel is op een onsterfelijke pelgrimstocht; ze leert en groeit op weg naar innerlijke verlichting; en in de komende eeuwen zullen we evolueren tot stralende goddelijke wezens. Als we gaan geloven in deze pelgrimstocht en proberen ermee in harmonie te leven, zetten we voet op een spiritueel pad.

Tegenwoordig zijn mensen vrij om het pad van hun keuze te volgen. Niettemin heeft de overgrote meerderheid het druk met het dagelijkse leven, en bekommert zich niet om een innerlijke ontwikkeling. Maar uiteindelijk zal de hele mensheid bewust moeten kiezen tussen het spirituele pad of het neerwaartse pad. Zijn deze paden iets dat we voorlopig kunnen negeren omdat ze zover van ons afstaan? Niet echt, omdat we al voetafdrukken plaatsen op wat een uitgesleten spoor zal worden, te comfortabel om gemakkelijk te verlaten.

Er zijn in feite twee spirituele paden met verschillende uiteindelijke doelen. Beide vereisen een hoog niveau van discipline en zelfkennis, maar op een zeker punt lopen ze uiteen. Eén pad streeft naar eeuwig geluk en ontsnapping aan het levensrad; het andere is het pad van dienstbaarheid, waarbij men terugkeert van gelukzaligheid om deel te worden van de innerlijke Beschermingsmuur die de mensheid behoedt.

Het eerste pad is de grondslag van vele scholen en religies waarin discipelen en asceten meditatie en loutering beoefenen om de hemel of het nirvana te bereiken. Als ze succes hebben, laten ze de problemen van de wereld achter zich en worden pratyekaboeddha’s (pratyeka betekent ‘voor zichzelf’). Vergis u niet, zulke boeddha’s moeten zeer spiritueel zijn om het nirvana te bereiken; maar eenmaal daar, kunnen ze niet langer een actieve beschermende invloed uitoefenen op de mensheid en het karma van de wereld.

In deze context heeft het woord ‘eeuwigheid’ een andere betekenis. William Q. Judge geeft aan dat de hemel een begin heeft en dat er, hoewel dit eonen kan duren, uiteindelijk een einde aan zal komen. Dan ‘moet opnieuw aan de vermoeiende taak van het betreden van de wereld — hetzij deze of een andere — worden begonnen’.1 Omdat onze hele natuur veel omvangrijker en complexer is dan we denken, kan op enig moment slechts een klein deel ervan tot uitdrukking worden gebracht om ons karma uit te werken, goed of slecht. Een student die door bepaalde discipline en oefeningen de beloning van een hemelse toestand verdient, heeft misschien een groot deel van zijn karma nog niet uitgewerkt. Wanneer hij uiteindelijk wordt gedwongen terug te keren naar een incarnatie op deze aarde, biedt zijn fysieke en psychische gestel misschien precies dat wat nodig is om een zware last van karma te ervaren, en hij zal deze onder ogen moeten zien.

Ironisch genoeg zal bijna ieder van ons na dit leven en voor het volgende begint, een aanzienlijke tijd doorbrengen in een bewustzijnstoestand die dicht bij het paradijs staat. Onze mate van geluk is afhankelijk van het soort mens dat we tijdens het leven waren en het soort onvervulde dromen dat we toen hadden. Deze ervaring is waarschijnlijk de bron van de religieuze leer over de hemel.

Maar niet iedereen die een spiritueel pad volgt, probeert de hemel of het nirvana te bereiken. Zij die het pad van mededogen kiezen, doen dit vanuit een onzelfzuchtig verlangen om alle wezens te helpen, en ze worden deel van de menigten verlichte wezens die de grote ouderloze mensheid dienen en beschermen. Wanneer een discipel van dit pad het punt bereikt waarop hij het nirvana zou kunnen betreden, keert hij in plaats daarvan terug – zoals Gautama Boeddha deed – om te blijven werken als een van de beschermers en helpers van de mensheid.

Wie zijn deze beschermers? Ze worden afwisselend oudere broeders, mahatma’s of adepten genoemd. Soms werken ze in het openbaar, maar meestal rustig en ongezien, overal waar ze mogelijkheden zien om de spirituele natuur van worstelende, lerende mensen te ontwikkelen. Ze helpen individuen en groepen die een hoogstaande, meedogende manier van leven trachten te leiden. Ze zijn zich bewust van hen die verlangen naar licht en wijsheid, en helpen telkens wanneer karma dit toelaat. Waardigheid is het enige criterium: het motief moet zijn om anderen te dienen, en iedereen die slechts eigen voordeel zoekt wordt overgeslagen.

Op een bepaald punt zullen allen op het evolutiepad psychische vermogens en macht over verborgen natuurkrachten ontwikkelen. Deze vaardigheden ontstaan op een natuurlijke manier tijdens het proces van het beoefenen van zelfdiscipline, zuivering van beweegreden en concentratie. Velen trachten psychische vermogens te ontwikkelen voor persoonlijke doeleinden. Zij zullen misschien beginnen met betrekkelijk onschuldige verlangens om de mysterieuze verborgen astrale gebieden te verkennen, maar ontdekken algauw dat deze subtiele krachten macht geven om anderen te beïnvloeden. Met eigenbelang als motief, kan de noviet zich gemakkelijk overgeven aan verleidingen en kwaadaardige krachten die moeilijk zijn te weerstaan. Hoewel de leerling zich er in de vroege fasen niet van bewust is, glijdt hij af naar het neerwaartse of zogenaamde pad van de linkerhand, dat leidt via zelfzucht, koud berekenend intellect en macht over anderen naar morele vernietiging. Daarom moeten zulke machten niet worden gebruikt voor zelfzuchtige doeleinden, maar alleen voor weldadige doelen – de essentie van ‘witte magie’.

Vooruitgang op zowel het ‘pad van de linkerhand’ als het spirituele pad vereist inspanning, discipline en kennis. Tot een bepaald punt reizen alle leerlingen van de magie, hetzij ‘wit’ of ‘zwart’, samen. (In plaats van zwarte en witte magie, kunnen we net zo goed zeggen zwarte of witte beweegreden.) Maar uiteindelijk splitst het gemeenschappelijke pad zich, en vanuit diep in onze ziel geeft een ontzagwekkende stem het strenge bevel: ‘Kies vandaag wie je zult dienen!’

Hoe zet een leerling voet op het spirituele pad van dienstbaarheid? Beslist niet door aan zichzelf te denken, maar door zorg om anderen. Het dagelijkse leven is vol beproevingen die onze motieven kunnen toetsen, onze innerlijke kracht uitdagen en onze intuïtie openen. Leerlingen van dit pad krijgen hun beste training niet door zich op een prachtige lokatie en in een aangename omgeving uit de wereld terug te trekken, maar door met mensen te werken, en de vreugde en zorgen die we allemaal ervaren te delen. En als we aan strijdende zielen niet méér kunnen geven dan enige ogenblikken waarop we luisteren naar hun problemen, kunnen we tenminste proberen door een opbeurend woord hun last te verlichten.

Wanneer we aan een geliefd project werken is het bijvoorbeeld gemakkelijk om te weigeren ons werk te laten onderbreken door iemand die hulp nodig heeft of een begrijpend oor. We kunnen tegen onszelf zeggen, ‘Mijn project is belangrijker’, maar dan gebeuren er twee dingen: het weigeren om ons daarmee ‘bezig te houden’ maakt ons onmiddellijk zelfzuchtiger en maakt het ook moeilijker om de volgende keer los te komen van ons project. Aan de andere kant, als we bereid zijn ons werk te onderbreken om iemand te helpen gaat deze zich gewoonlijk beter voelen en het komt bovendien vaak ten goede aan ons project.

Wanneer wordt de beslissende keuze gemaakt? Ze wacht niet tot het moment dat de leerling op het punt staat om ingewijd te worden als bodhisattva; de keuze wordt gemaakt gedurende een lange periode, en begint misschien levens daarvoor. Met elke keuze die we maken — als ouder, broer of zuster, zoon of dochter, vriend of buur, werknemer of burger — maken we de gewoontegroeven dieper en definitiever. Judge drukte het erg goed uit:

De student van het occultisme haast zich naar zijn bestemming, maar hij heeft die bestemming tot op zekere hoogte in eigen hand, hoewel hij voortdurend zijn koers bijstelt, zijn ziel bevrijdt van de ketenen van het verstand en het ego, of verstrikt raakt in het web, dat hem met schering en inslag nu bekleedt als met een gewaad zonder naad.      – ‘Beschouwingen over magie’, The Path 1:377

Theosofische literatuur spreekt van het ‘moment van keuze’, dat voor de mensheid aanbreekt op het punt halverwege de vijfde ronde. Het belang van deze gebeurtenis, die duizenden jaren in de toekomst ligt, vervult het denken met ontzag. Het is ook ver genoeg om wie in deze filosofie studeert zelfvoldaan in slaap te sussen met de gedachte dat dit moment in eeuwen niet zal komen. Maar zelfs in het huidige leven bouwen we gewoonten op die ons geleidelijk en ongetwijfeld geschikt of ongeschikt zullen maken om veilig dit moment tegemoet te treden wanneer het aanbreekt.

Ik denk dat wij allen zijn begonnen ons pad te kiezen; de sleutels zijn: beweegreden en gewoonte. Zij die kiezen om het pad van mededogen te volgen beginnen lang vóór ze zich waardig voelen voor dat pad. We zetten onze eerste stappen wanneer we de schoonheid ervan beseffen, wanneer we hen bewonderen die het ideaal belichamen, wanneer we een onzelfzuchtig persoon die we kennen bewonderen en zoals hem willen zijn. Slechts nadat we veel tijd en moeite hebben besteed aan het ontwikkelen van liefde en respect voor onze medemens (en ook voor onszelf), en de bereidheid hebben ontwikkeld om anderen onbaatzuchtig te dienen, geloven we eindelijk dat we waardig zijn het edele pad te betreden. En op dat moment hebben we al vele stappen gezet. In de woorden van Judge, ‘Je hoopt en wacht op een grote en verbazingwekkende gebeurtenis die je laat zien dat je wordt toegelaten achter de sluier; dat je wordt ingewijd. Dat zal nooit gebeuren. . . . Wie de deur binnengaat, doet dit zacht en onmerkbaar, zoals het getij stijgt in de nacht’.2

 

Verwijzingen

  1. Cf. Essays on the Gita, blz. 158.
  2. ‘Gedachten over het ware theosofische pad’, Echoes of the Orient 1: 21.
 
Andere artikelen over het spirituele pad
 

Uit het tijdschrift Sunrise juli/aug 1998

© 1998 Theosophical University Press Agency