Het hart van de gelovige
Jim Belderis

 

We waren in een klas voor gevorderden. Negen jaar zondagsschool lagen achter ons, en nu waren we klaar voor ons laatste onderwerp: de goddelijke liturgie. Dit was de dienst die elke zondag plaatshad – maar als kinderen woonden we die niet bij. Aan het einde ervan sloten we ons aan bij de anderen om een stukje gezegend brood te ontvangen. Al die jaren waren we vrijgesteld van het ritueel, en nu gingen we het bestuderen. Voor de meeste kinderen leek het een berg vervelende en zinloze zich herhalende vormen. Maar ons werd verteld dat als we eenmaal de werkelijke betekenis achter de vorm begrepen, we de liturgie in verband konden brengen met ons dagelijks leven. Ik vroeg me af door wat voor inzicht dit soort archaïsche Byzantijnse dienst betekenis kon krijgen voor een Amerikaanse teenager in deze tijd.
     Zou historische kennis daarbij kunnen helpen? Ik dacht van wel, en dus verrichtte ik zelf wat onderzoek. Ik leerde dat het verhaal van het laatste avondmaal uiterst belangrijk was voor de vroege christenen, die hun ritueel vormden naar het voorbeeld van het joodse paasfeest. Zoals een lam werd geofferd door de joden om hun verlossing uit de Egyptische gevangenschap te herdenken, was het vroegchristelijke ritueel een herdenking van het feit dat Jezus zichzelf offerde voor de verlossing van zijn volgelingen. Met de woorden ‘Dit is mijn lichaam dat u is gegeven . . . Deze beker is het nieuwe verbond in mijn bloed dat voor u is gevloeid’ – werden het brood en de wijn de Christus van het offer.
     In het begin was deze ceremonie een herinnering aan het grote mysterie dat iedereen die zich offert voor het welzijn van anderen transformeert, en de diepere interpretatie ervan werd aan het individu overgelaten. Het bleef ook vele jaren lang een eenvoudige dienst die in alle delen van de christelijke wereld bijna dezelfde was. Het werd gewoonlijk voorafgegaan door de agape, het feest van liefde en welwillendheid, waarin zij die bemiddeld waren aan hun armere broeders geschenken gaven. Daarna aten allen samen als een teken van hun essentiële gelijkheid en broederschap.
     Maar toen keizer Constantijn de kerk eenmaal tot een staatsinstituut had gemaakt, werden veel leden van de hoogste klassen christenen. Klasseonderscheid werd belangrijk in de kerk, alsmede elegantie en mooie kleding. Uiteindelijk werden de feesten van liefde en welwillendheid uitgebannen, terwijl de liturgie zelf meer en meer uitgebreid werd, met belangrijke regionale verschillen – en strikt voorgeschreven interpretaties.
     Voor mij was deze geschiedenis heel fascinerend. Maar ze bracht me ook in verwarring. Ik werd bezield door de geest van de agape en de oorspronkelijke ceremonie – door de vrijheid om na te denken over het mysterie van offer, eenheid en broederschap, en dit te ervaren. Hoe kon ik dit soort inspiratie opdoen in het huidige ritueel?
     Ik dacht dat het zou helpen om de achterliggende theologie te leren. Het oorspronkelijke ritueel werd algemeen in mystieke termen omschreven. Wanneer de getrouwen samenkwamen in dezelfde geest als de discipelen aan het laatste avondmaal, zou dat de werkelijke tegenwoordigheid van Christus oproepen, en dit doordrong hun wezen met het gevoel één te zijn met elkaar en met het goddelijke. Toen latere theologen erop aandrongen deze gebeurtenis rationeel te verklaren, werd de aard van deze ‘tegenwoordigheid’ betwist. Was ze fysiek of geestelijk? Was ze het resultaat van het brood en de wijn die volledig waren getransformeerd, of viel ze samen met hun oorspronkelijke substantie? En waardoor werd het in het leven geroepen – door wijding door de kerk, of door de eigen geloofsdaad van het individu?
     Elk van die posities werd door verschillende partijen ingenomen als de ‘juiste’ interpretatie. In de Byzantijnse rite was wijding vereist, en er was een volledige transformatie die resulteerde in een werkelijke fysieke tegenwoordigheid. Dit was de basisleer van het orthodoxe geloof. Maar hoe stond het met de geest waarin de mensen samenkwamen? Hoe stond het met het hart van de gelovige?
     Dat waren vragen die mij bijbleven toen ik de geregelde dienst begon bij te wonen. Hier waren honderden mensen die deelnamen aan een ritueel. Welke band hadden ze ermee? Dit was een studie van de menselijke natuur. Zelfs al schenen de meesten passief en somber, er waren enkelen die zichtbaar geroerd waren. Een van hen kende ik persoonlijk, een oudere vriend van de familie, en zij vertelde ons dat ze werd vervuld van een overweldigend gevoel van eenheid. Hier te midden van deze uitgebreide ceremonie vond ze de geest van de oorspronkelijke liturgie, ongeacht wat de geschiedenis of de theologie ermee had gedaan.
     Voor mij was haar enthousiasme aanstekelijk. Plotseling was alles relevant – niet door kennis of begrip, maar door een gedeelde ervaring van eenheid. We waren hier om ons zelf te offeren: ons gevoel van een afzonderlijk zelf. Dit was onze verlossing. In een ogenblik waren de betwiste leerstellingen van duizend jaren verzoend. Wanneer zelfs maar twee of drie van ons zijn verenigd in de ware geest van broederschap, wordt de illusie van gescheidenheid doorbroken – en de innerlijke Christos is vrij om ons te inspireren. Onze fysieke lichamen worden de voertuigen van onze eigen geestelijke natuur. Wij zijn het brood en de wijn, en door onszelf te geven ten dienste van anderen, wordt onze substantie volledig getransformeerd.
     Dit is het grote mysterie. In ware agape transcenderen we klassenverschillen en alle interpretaties. Het leven zelf wordt een heilige dienst, het ritueel van onze essentiële eenheid. En wat roept de tegenwoordigheid van Christos op? Het hart van ieder die gelooft in liefde en welwillendheid. Het hart heiligt alles wat we geven.

 

Uit het tijdschrift Sunrise mei/juni 1998

© 1998 Theosophical University Press Agency