De lamp van geestelijk onderscheidingsvermogen
Ingrid Van Mater

 

     Een machtige geest spreekt door de bladzijden van de Bhagavad-Gita. Deze draagt de onweerstaanbare invloed van schoonheid in zich, en toch vervult deze ons, als een kracht, als het ware van het geluid van legers die zich verzamelen of het gebrul van grote watermassa’s. Er gaat een aantrekking vanuit op zowel de krijger als de filosoof, aan de een toont hij de rechtvaardigheid van wetmatig handelen en aan de ander de kalmte die over iemand komt die niet-handelen heeft bereikt door te handelen.      – William Q. Judge1


De Bhagavad-Gita is een mandaat om te handelen, om actief gebruik te maken van de innerlijke spirituele vermogens. Dit geeft kracht, want het betekent een uitdaging aan ieder van ons om initiatief en onderscheidingsvermogen te tonen bij het volgen van het geestelijke pad. Door het hele boek heen zoekt Arjuna de hulp van Krishna, zijn innerlijke god of hogere zelf, die hem tijdens de strijd leidt tussen wat hij persoonlijk graag zou willen en wat zijn ware taak is als mens die naar het geestelijke verlangt en als lid van de krijgerskaste. Judge merkt op dat we tijdens dit proces van Krishna leren ‘wat de plicht is van de mens in zijn strijd met alle krachten en neigingen van zijn natuur’ (blz. 119). Arjuna, de krijger, vertegenwoordigt ieder van ons, en zijn conflicten zijn die van ieder van ons die strijd levert met de diverse innerlijke elementen in zijn poging ons werkelijke zelf te begrijpen.
     Krishna was een goddelijke incarnatie die op een belangrijk moment naar de aarde kwam toen de mensheid een heel laag punt had bereikt. Men zegt dat hij ongeveer vijfduizend jaar geleden leefde, en volgens de hindoegeschriften viel zijn dood samen met het begin van kaliyuga, ons huidige Duistere Tijdperk. Meedogende wezens die zijn toegewijd aan het helpen van de mensheid, zoals Krishna en Jezus, hebben met regelmatige tussenpozen het noodzakelijke offer gebracht om de universele wijsheid opnieuw aan de wereld te brengen. Er gaat een grote troost uit van de gedachte dat er altijd wijzen zijn geweest die toezien op onze menselijke pogingen tijdens onze reis van zelfontdekking gedurende talloze levens op aarde. De authenticiteit van zulke leraren kan worden beoordeeld aan de hand van hun boodschap: onpersoonlijke liefde voor allen, liefdadigheid, vergevensgezindheid, onbaatzuchtigheid, zelfopoffering, de hoogste moraal en ethiek, en nadruk op de noodzaak van individuele verantwoordelijkheid.
     Evenals Jezus gebruikte Krishna de eerste persoon ‘ik’ om uitdrukking te geven aan de godheid die hij vertegenwoordigt, en deze ‘ik’ verwijst dan niet naar de persoonlijkheid, maar naar de Krishna- of Christosgeest binnenin. Iedere religie wijst op een of andere manier naar het onzichtbare pad dat leidt tot het ontwaken van de kwaliteiten van liefde, mededogen en onderscheidingsvermogen. Zoals Jezus zegt: ‘Ik ben de weg, de waarheid en het leven’, zo stelt Krishna in de Bhagavad-Gita: ‘Ik ben het leven en het concentratievermogen van hen die het denken op de geest richten’ (7:9; blz. 41-2). Krishna wijst ook op de universele kwaliteit van deze boodschap en bevestigt dat ‘zelfs zij die andere goden vereren met vastberaden vertrouwen, ongewild ook mij vereren, o zoon van Kunti, zij het in onwetendheid . . . ik ben dezelfde voor alle schepselen’ (9:23, 29; blz. 51-2).
     Terwijl hij de nadruk legt op het mededogen dat alle groten beweegt, zegt Krishna: ‘Uit mededogen vernietig ik voor hen, terwijl ik mij in hun hart bevind, de duisternis die voortkomt uit onwetendheid door middel van de stralende lamp van geestelijk onderscheidingsvermogen’ (10:11; blz. 55). Vaak wordt God in het christelijk geloof gezien als een wezen op afstand, maar toch zijn er vele passages in de bijbel die bevestigen dat God zowel immanent als transcendent is. Het goddelijke is inderdaad de beweging gevende energie achter alle leven en manifesteert zich in mensen als het hogere zelf, soms beschermengel genoemd. Dit zelf beschermt en bewaakt ons voortdurend en is veel dichterbij dan we ons realiseren. Krishna beschrijft het op deze wijze: ‘Ik ben het doel, de trooster, de Heer, de getuige, de rustplaats, het toevluchtsoord en de vriend’ (9:18; blz. 51).
     De Bhagavad-Gita speelt zich af op een werkelijk historisch opgetekend slagveld dat in deze context als een allegorie wordt gepresenteerd. Arjuna realiseert zich dat het zijn taak als krijger is om te vechten, maar ziet wie tot de legers behoren die tegenover elkaar staan opgesteld. Geconfronteerd met het vooruitzicht strijd te moeten leveren tegen vrienden en familieleden, huivert Arjuna, zijn boog glijdt uit zijn hand en hij zegt tegen Krishna: ‘Ik zal niet vechten’ (2:9; blz. 8). Hoofdstuk 2 bestaat helemaal uit Krishna’s antwoord op Arjuna’s zoeken naar leiding. Hij heeft het punt bereikt waarop hij het recht heeft verworven een stap voorwaarts te zetten, maar hij is zich nog niet bewust van zijn plicht. Sarvepalli Radhakrishnan verklaart in zijn vertolking van de Bhagavad-Gita dat wanneer het licht in een ziel begint te schijnen, het de duisternis oproept om tegenstand te bieden. Arjuna staat tegenover uiterlijke en innerlijke moeilijkheden, zoals de weerstand van zijn familie en vrienden, en zijn eigen twijfels en angsten, hartstochten en verlangens – alle moeten op het altaar worden gelegd en in een bredere context worden begrepen.
     Jezus legt een vergelijkbaar conflict voor:

     Want Ik ben gekomen om tweedracht te brengen tussen een man en zijn vader en tussen een dochter en haar moeder en tussen een schoondochter en haar schoonmoeder.
     En iemands huisgenoten zullen zijn vijanden zijn.
     Wie vader of moeder liefheeft boven Mij is Mij niet waardig; en wie zoon of dochter liefheeft boven Mij, is Mij niet waardig.      – Mattheüs 10:35-7 (vert. NBG 1982)

     Hier realiseren we ons dat als we het werkelijke pad willen betreden, we hiervoor offers moeten brengen, niet het opgeven van rechtmatige verantwoordelijkheden en verplichtingen, maar eerder het zich niet vastklampen aan persoonlijke verlangens. De familieleden symboliseren hier persoonlijke eigenschappen en gehechtheden die men moet loslaten opdat ons ware wezen naar voren kan komen. Ook moeten we onze dualiteit en onvermijdelijke conflicten erkennen.
     De vraag in hoeverre men gereed is om uitdagingen te accepteren om het pad te betreden wordt verder verklaard in Mattheüs (10:34). Jezus zegt: ‘Denk niet dat Ik gekomen ben om vrede te brengen op aarde; Ik ben niet gekomen om vrede te brengen maar het zwaard’ – en dat zwaard is de geestelijke wil die moet worden geactiveerd naast de beoefening van de diverse deugden.
     Het hoofdthema in de Bhagavad-Gita wordt gesponnen rond de uitdagende instructies die Arjuna helpen om in te zien wat zijn ware plicht als krijger en waarheidszoeker is. Terwijl Krishna leiding geeft, onderstreept hij ook de noodzaak voor ieder van ons om zijn eigen pad te vinden. Hij wijst op een aantal valkuilen die zich op het pad bevinden, illusies en zwakheden die voortkomen uit gebrek aan innerlijk evenwicht, kracht en gereedheid.
     Een belangrijk thema in de Bhagavad-Gita betreft een diepzinnige uitleg van plicht: dat er voor ieder zowel een universele als een persoonlijke plicht is, en die is voor ieder individu verschillend. Krishna onthult dat de wet van karma zodanig werkt dat we onze eigen keuzes moeten maken, want het gaat om onze eigen plicht of taak (svadharma) die niemand anders kan vervullen. Hij wijst Arjuna erop dat alles ronddraait op het wiel van het leven, zodat zelfs als Arjuna zijn koers nu niet bepaalt, hij door karma en zijn natuurlijke bestemming vroeg of laat innerlijk zal worden gedwongen de keuze te maken. Dit vormt voor ieder van ons de evolutionaire uitdaging omdat we het vermogen hebben ons lot in eigen hand te nemen.
     In het laatste hoofdstuk vraagt Krishna aan Arjuna: ‘Heeft u dit alles gehoord, o zoon van Pritha, met een eenpuntig gerichte geest? Zijn de misvattingen van het denken die uit onwetendheid voortkwamen weggenomen, o Dhanañjaya?’ En Arjuna antwoordt, ‘Door uw goddelijke macht, o gij die niet struikelt, werd mijn waan vernietigd en ben ik mijzelf weer meester; ben ik vrij van twijfel, vastberaden, en zal handelen naar uw gebod’ (18:12-13; blz. 102-3). Aldus maakt Arjuna, door eigen inspanning en beproeving, uiteindelijk de grotere keuze. Uit Arjuna’s ervaringen leren we dat het mogelijk is in de wereld te leven en toch het innerlijke pad te volgen dat leidt tot een groter begrip. Dit boekje is zowel praktisch als diepzinnig. Er is geen reden om onszelf af te zonderen, en dat is een van de belangrijke boodschappen van dit geschrift. Radhakrishnan beschrijft als volgt het idee om het spirituele leven te leiden terwijl men in de wereld staat:

Arjuna zou zijn gevoel van hulpeloosheid en bezorgdheid hebben kunnen overwinnen door zich volledig aan het gezag van de maatschappij te onderwerpen. Maar dat zou zijn groei tot stilstand hebben gebracht. Elk gevoel van bevrediging en zekerheid dat is gebaseerd op een gezag van buitenaf wordt gekocht tegen de prijs van de integriteit van het zelf. . . . Arjuna maakt zich los van de maatschappelijke context, staat op zichzelf en tegenover de riskante en overweldigende aspecten van de wereld. . . . Door onze innerlijke geestelijke natuur te ontwikkelen, verkrijgen we een nieuw soort band met de wereld en groeien we in de richting van vrijheid, waar de integriteit van het zelf niet wordt gecompromitteerd. We worden ons dan van onszelf bewust als actieve scheppende individuen die niet aan een uiterlijke autoriteit gehoorzamen, maar leven volgens de innerlijke regel van vrijwillige toewijding aan de waarheid.      – The Bhagavad-Gita, blz. 44-5

     Als toepassing van deze ideeën doet W.Q. Judge de suggestie er een gewoonte van te maken iedere handeling – hoe onbelangrijk of belangrijk ook – uit te voeren eenvoudig omdat deze voor ons ligt, en onszelf als een instrument te beschouwen dat slechts de wil van de Godheid die wijzelf zijn ten uitvoer brengt. Het is bemoedigend dat zelfs de kleinste poging in de goede richting meetelt. Ongeacht de aard van onze strijd moeten we bedenken dat elke positieve stap uiteindelijk een overeenkomstig resultaat zal hebben, hoe lang dat misschien ook duurt.
     Vooral in deze tijd waarin ons leven en bewustzijn zo kwetsbaar lijken te zijn, is het nuttig ons te realiseren dat we ons op universele waarheid kunnen richten die ons een innerlijke evenwichtigheid schenkt tijdens de beproevingen die we ondergaan. Uiteindelijk zullen we triomferen over een aantal van de negatieve elementen die ieder van ons steeds weer kwellen. De wijsheid die daarvoor nodig is, bevindt zich in ieder van ons. De altijd aanwezige uitdaging is om ons daarvan bewust te worden, en dan een beroep te doen op onze moed, ons geduld en ons begrip om die uitdaging aan te nemen.

 

Verwijzing:

  1. Bhagavad-Gita/Essays on the Gita, Theosophical University Press, blz. 137.

 

Uit het tijdschrift Sunrise mei/juni 1998

© 1998 Theosophical University Press Agency