Van onze lezers

 

Nederland, 31 juli 1997

Er wordt in veel landen geroepen om een verruiming van de bestaande wetgeving met betrekking tot euthanasie en abortus, die als het erfgoed van een dogmatische manier van denken wordt gezien. Hoewel de mensen natuurlijk de vrijheid willen hebben om aan hun gevoelens en gedachten uitdrukking te geven, lokken ze daarmee niet onbewust op lange termijn negatieve gevolgen uit?

Iedere vorm van leven, en dus ook menselijk leven, is een manifestatie van bewust zijn, en niet iets waarvan we ons, als het ons uitkomt, kunnen ontdoen. Als we erover nadenken hoe karma werkt, beseffen we dat het een natuurlijk stelsel van energieën betreft, en verder dat het denken een van de grootste krachten in het heelal is en alles beïnvloedt. Wanneer een wezen denkt, genereert het een stroom mentale ‘elektronen’ die de levensatomen op de verschillende gebieden van zijn hele wezen activeren. Wat voor gedachten of gevoelens het ook zijn, deze levensatomen worden geladen met een energetisch potentieel, precies zoals batterijen worden opgeladen. Na ontvangst van die lading, negatief of positief, trachten de levensatomen zich van deze energie te ontdoen om het energetisch potentieel in evenwicht te brengen, want harmonie is een van de grondregels van het heelal. Deze wisselwerking noemen we karma.

De meeste mensen zijn zich niet bewust van de diepgaande en prachtige vertakkingen van karma. Geen uiterlijke God schept ellende en verwoestingen, en evenmin omringt zo’n God ons met onverdiende vreugde of geluk. Ons ego is voortdurend bezig zijn vorm en karakter gestalte te geven. Evenals miljoenen individuele poliepen een koraalrif scheppen, zo vormen miljoenen van onze gedachten en gevoelens in de loop van verschillende incarnaties ons karakter. Dezelfde karmische regels gelden voor gezinnen, groepen en hele volkeren die gemeenschappelijke gedachten en gevoelens hebben of die mentale stromen van dezelfde golflengte voortbrengen.

Wanneer een ego volledig in harmonie is, wordt gezegd dat het één is met het kosmische bewustzijn en dat het diepe gevoelens van liefde heeft en volledige kennis bezit. Iemand die uit mededogen besluit de worstelende mensheid te helpen, laadt zijn levensatomen met een fijnere, meer spirituele vorm van energie die niet alleen wordt beïnvloed door de karmische wetten van deze sfeer, maar ook door die van een hoger gebied dan dat van de mensheid.

Zoals een hond niet aan zijn eigen staart kan ontsnappen, zo zijn karmische gevolgen een deel van het ego dat ze heeft geschapen. Het is dus duidelijk dat een ego dat verdriet en zorgen ondervindt die voortvloeien uit zijn eigen vroegere handelingen nooit aan deze consequenties kan ontsnappen, zelfs al vlucht het naar de verste uithoek van het heelal. Het kiezen voor bijvoorbeeld euthanasie, om zich aan bestaande pijn en problemen te onttrekken, zou een poging kunnen zijn om karmische consequenties te vermijden: het zou de levensatomen met nog meer negatieve energie kunnen laden en een grotere onevenwichtigheid kunnen veroorzaken, waardoor in de toekomst nieuwe en grotere problemen worden geschapen. Het onder ogen zien van de stormen des levens leidt tot herstel van evenwicht, en hierin ligt de waarde van het accepteren van ons lot.

Abortus is te vergelijken met euthanasie. Veel mensen geloven tegenwoordig dat de moeder en in mindere mate de vader, het recht hebben een eind te maken aan het leven van een incarnerende ego. Men moet zich ernstig afvragen of het onderbreken van het incarnatieproces om sociaal-economische redenen, zoals het bevorderen van de carrière van de ouder, in de kern van de zaak niet zelfzuchtig is. Evenzo vertegenwoordigt een gehandicapt kind niet alleen het karma van het incarnerende ego maar ook dat van de ouders en het hele gezin. De keus om dit probleem door abortus op te lossen betekent niet alleen uitstel van karma, maar schept ook grotere moeilijkheden in toekomstige levens. Aan de andere kant zal het uitwerken van karma de persoon evenwichtig maken, alsmede het gedachteleven van de hele mensheid gaandeweg helpen zich tot het hoogst mogelijke niveau te verheffen.

We kunnen karma negeren door te denken dat reïncarnatie en een universele wet van consequenties niet bestaan; maar uiteindelijk zal ons ego door middel van diezelfde kosmische wetten de feiten leren kennen. Dan zal het beseffen dat het veel tijd verloren heeft laten gaan en veel extra moeilijkheden voor zichzelf en anderen heeft geschapen die het had kunnen vermijden. Mensen willen vrij zijn; maar in feite zijn we altijd vrij waar het onze wil betreft, binnen de beperkingen van de wetten van harmonie, en we zijn vrij – ja zijn zelfs gedwongen – ons eigen pad naar onze bestemming te scheppen.      – Jelle Bosma

 

Californië, 1 november 1997

In 1969 verklaarde prof. John A. Hutchison van de Claremont Graduate School dat ‘onze eeuw er een is van weergaloze religieuze onkunde. Dit geldt in het bijzonder voor de Amerikaanse academische wereld. Hoewel religie, samen met sex en politiek, steeds terugkerende onderwerpen van discussie zijn, is het ook waar dat in zo’n discussie vaak een schrikbarend gebrek aan gewone feitenkennis aan de dag treedt. Mensen die zich te schande gemaakt zouden voelen als ze niet op de hoogte zouden zijn van wetenschap, kunst of politiek, maken zich geen verwijten als ze er de meest grove en flagrante misvattingen op het gebied van religie op na houden.’ (Paths of Faith, vii).

Als dit bijna dertig jaar geleden al gold voor religie, dan geldt tegenwoordig hetzelfde voor de moderne theosofische beweging en haar voornaamste stichter, Helena P. Blavatsky. Hoewel Stephen Prothero van de Boston University spreekt over ‘een kleine hausse van publicaties over Blavatsky halverwege de jaren negentig’ (Religious Studies Review, juli 1997) wordt er ‘intellectuele geschiedenis’ over Blavatsky en de theosofie geschreven, die ontstellend veel onjuiste informatie bevat en hoogst bevooroordeeld is, waarbij men zich vaak hult in een kleed van wetenschappelijkheid. In boeken, tijdschriften en op Internet komt men de ene bewering na de andere tegen die op feitelijke fouten of geruchten berusten – veel ervan is gekloond van vroegere publicaties waarvan heel wat hedendaagse schrijvers ten onrechte hebben aangenomen of van oordeel waren dat ze betrouwbaar zijn. Om een toepasselijke politieke uitspraak te gebruiken: herhaal een gerucht of aantijging vaak genoeg en het zal een tijdlang een geaccepteerde ‘waarheid’ worden. Maar dit is bepaald geen bijdrage tot wetenschappelijkheid en openbaar onderricht.

Het in brede kring populaire Madame Blavatsky’s Baboon van de bekende schrijver Peter Washington is een voorbeeld daarvan. Geschreven in een geestige en prettige stijl, bevat het boek voldoende feiten en inzichten, sommige heel goed, om het aantrekkelijk te maken voor een grote lezerskring – maar dit is misschien bedrieglijk, want het wordt geciteerd als een bron van informatie in tijdschriften zoals de Smithsonian (mei 1995), en de schrijver ervan is op de Britse televisie geïnterviewd als een ‘autoriteit’ op het gebied van de theosofische geschiedenis.

Bij een oppervlakkig onderzoek schijnt het boek op goed speurwerk te berusten en objectief te zijn. Maar zorgvuldiger onderzoek brengt ernstige fouten en tekortkomingen aan het licht. Naast een tamelijk opvallend gebruik van insinuaties en halve waarheden voor het verpakken van zijn negatieve conclusies over H.P. Blavatsky, Katherine Tingley en G. de Purucker, geeft de auteur blijk van een gebrek aan kennis van primaire bronnen, is hij dikwijls onnauwkeurig, geeft een onjuiste uitleg van theosofische leringen, vertrouwt op niet bevestigde beweringen (vaak uit onvriendelijk gezinde secundaire en tertiaire bronnen), laat tegenbewijzen weg, verwart datums, gebeurtenissen en eigenschappen, geeft blijk van geringschatting, bagatelliseert en geeft in het algemeen een eenzijdig verslag. Welke verdienste het boek ook mag hebben, deze wordt ongedaan gemaakt door zijn onbetrouwbaarheid en vooringenomenheid.

De mate waarin Washingtons boek in de academische wereld en elders is geaccepteerd, was voor dr. James Santucci, hoogleraar in de vergelijkende godsdienstwetenschap aan de California State University, Fullerton, en redacteur van Theosophical History, aanleiding tot het publiceren van mijn ‘Notes on Madame Blavatsky’s Baboon’ in het nummer van oktober 1997. Dit bevat een meer gedetailleerde kritiek. Dr. Santucci merkt op: ‘Gelet op de populariteit van het boek (er zijn tal van verwijzingen op Internet), . . . is het van belang dat men lezers – vooral wetenschappers – attent maakt op de vergissingen en soms onvergeeflijke fouten die in Washingtons boek overal voorkomen. Natuurlijk rijst de vraag, ‘Als het boek alleen al op het gebied van de theosofie zoveel fouten bevat, hoeveel andere fouten maakt deze auteur dan als hij de andere bewegingen behandelt?’’

Moeten per slot van rekening de maatstaven die men verwacht in een boek of artikel over de filosofie, het leven en het karakter van bijvoorbeeld Plato, niet eveneens worden gehanteerd bij iedere andere historische persoon en beweging? Een verantwoorde wetenschappelijkheid vereist op zijn minst competentie van de schrijver: een redelijk grondig inzicht in zowel primaire als secundaire bronnen en hun historische context. Waar sprake is van een controverse, mag men eveneens verwachten dat tegenstrijdige verklaringen op een rijtje worden gezet en worden vergeleken en geanalyseerd, en – waar nodig – dat uitspraken en interpretaties worden aangeboden als meningen, en niet als bewezen feiten. Bijvoorbeeld, wanneer men het veelvuldig geciteerde Hodgson Rapport uit 1885 vermeldt, dat door de British Society for Psychical Research werd gepubliceerd en Blavatsky als een bedriegster brandmerkt, dan gebiedt de plicht erop te wijzen (Washington en de meeste anderen doen dit niet) dat diezelfde SPR in 1986 een verslag publiceerde van dr. Vernon Harrison, een beëdigd expert in het opsporen van vervalsingen, die het verslag van Hodgson onnauwkeurig, wemelend van vooroordelen en tekortkomingen en onbetrouwbaar vindt – ‘een hoogst eenzijdig document, dat iedere aanspraak op wetenschappelijke onpartijdigheid heeft verspeeld.’

Te oordelen naar de overdaad van publicaties die vertrouwen stellen in boeken zoals Madame Blavatsky’s Baboon kan men zich alleen maar aansluiten bij de klacht van John Hutchison, en hoeft men zich eigenlijk niet te verbazen over het misbruik. De theosofie en H.P. Blavatsky uit de primaire bronnen zijn praktisch onherkenbaar in deze weergaven uit de derde en vierde hand. Weinigen geven een schets – laat staan een uiteenzetting – van de filosofische diepgang en de ethische inhoud van de geschriften van Blavatsky en haar leraren; of men probeert deze te laten aansluiten bij aantijgingen van fraude en bedrog. De schrijvers hiervan wilden ons bovendien doen geloven dat scepsis en objectiviteit synoniem zijn, terwijl iedere waarderende behandeling, zoals het op gedegen onderzoek berustende HPB: Het Bijzondere Leven en de Invloed van Helena Blavatsky van Sylvia Cranston (dat enkele maanden voor Washingtons Baboon verscheen) naar het rijk van de buitenissigheden van een ‘hagiografie’ worden verwezen. Scepsis is inderdaad een krachtig, gewaardeerd en noodzakelijk tegengif voor goedgelovigheid, maar vereist weinig werkelijke kennis. Anderzijds is objectiviteit – het vermogen een eerlijk en onpartijdig oordeel te geven – de vrucht van grondige studie, nadenken, kennis en begrip. En hoeveel hedendaagse schrijvers over Blavatsky en de theosofie kunnen daar rechtmatig aanspraak op maken? Een intelligente gedachtewisseling en het algemeen welzijn rekenen erop dat men een hogere norm hanteert, en met minder moeten we geen genoegen nemen.

Tot besluit van zijn betoog merkt dr. Santucci op dat er een hernieuwde belangstelling voor de theosofie is bij wetenschappers die religies bestuderen. ‘Ik hoop dat dit (een onpartijdige godsdiensthistoricus die HPB de eer geeft die haar toekomt) eerder vroeg dan laat zal gebeuren. Eén manier om dit te doen is dat wetenschappers de voornaamste werken van Blavatsky in het licht van de wetenschap van de negentiende eeuw opnieuw evalueren – of misschien voor het eerst lezen. De lezers zullen volgens mij verbaasd staan over de scherpzinnigheid en het eclecticisme waarvan vooral haar meesterwerken Isis Ontsluierd en De Geheime Leer getuigen.’

Men kan deze hoopvolle trend slechts toejuichen, maar moet toch niet vergeten dat een evenwichtig inzicht in de theosofie en HPB uiteindelijk bij elk van ons berust; en men moet evenmin vergeten dat intellectueel onderzoek alleen, hoe belangrijk ook, nooit ten volle de waarheden zal opleveren die we zoeken. Leven voor het welzijn van anderen schenkt zijn eigen licht en inzicht, zijn eigen kennis; en zolang dit geen deel van onze training en ons zoekproces wordt, zullen de theosofie en HPB ongetwijfeld een mysterie blijven dat ligt te wachten om door ons te worden begrepen.      – Will Thackara

 
Andere artikelen over sociale en maatschappelijke vraagstukken
 
Andere artikelen over religie en filosofie
 

Uit het tijdschrift Sunrise mei/juni 1998

© 1998 Theosophical University Press Agency