Sinds de tijd van mythen en legenden tot het jachtige leven van nu
is de boom steeds door de mens vereerd. De eik en de pijnboom, de palm,
de laurier en de zilveren olijf hebben hun aanbidders gekend. De eiken
die in het oude Griekenland Dodona omringden, vertolkten met hun ruisende
bladeren de wil van Zeus en groepjes van deze machtige bomen werden
door de Druïden van Brittannië en Gallië als heilig beschouwd.
De palm was een symbool van overwinning, evenals de laurier of daphne,
de prijs voor hen die succes hadden in de Pythische spelen ter ere van
Apollo. Ook de olijf, al is die verbonden met de duif, een embleem voor
de vrede, duidt op overwinning; een krans van olijftakken was de prijs
waarvoor in de Olympische spelen werd gestreden; ook betekende hij de
hoogste lof, die aan een burger kon worden geschonken die zich voor
zijn land verdienstelijk had gemaakt. In Egypte werd de tamarisk als
heilig beschouwd omdat ze verborgen deugden zou bezitten en ze werd
vaak rondom tempels geplant. In het land van de piramiden zien we ook
dat de Godin Nut wordt afgebeeld als de Vrouwe van de vijgenboom die
haar aanbidders de vrucht of het water van de levensboom schenkt.
Hier
hebben we het universele symbool – de wereldboom. Wat is er natuurlijker
dan dat de eerste mensenrassen de boom kozen om het leven voor te stellen
– die oneindige kracht van vitaal bewustzijn, die het heelal en
alle levende schepselen tot aanzijn brengt. In de Bhagavad-Gita
van India vinden we de asvattha of wereldboom uitgebeeld met wortels
die in de hemel groeien, terwijl zijn stam en takken zich omlaag naar
de aarde uitstrekken. Wanneer we eenmaal hebben ontdekt dat het symbool
van de zich majestueus uitspreidende boom, afwisselend de levensboom,
de boom van kennis en de boom van de spraak genoemd, overal wordt aangetroffen,
concluderen we dat het besef van zijn geestelijke betekenis niet het
gevolg kan zijn geweest van ruwe waarnemingen die door toeval zijn samengebracht,
maar dat het door de ‘goden’ of ‘wijzen’ aan
de mensheid in zijn kindertijd moet zijn geschonken. Deze heilige bomen
worden vaak beschermd door draken of slangen – in de oudheid eerder
symbolen van wijsheid dan van sluwheid – die niet toestaan dat
iemand van hun vruchten eet die niet eerst de materiële elementen
in zijn natuur heeft overwonnen.
Er is nog een andere wereldboom, die door de oude Hebreeërs in
hun kabbala werd afgeschilderd als de levensboom van de sephiroth. Dit
is een tienvoudige boom waarvan de hoogste emanatie uit de ruimte de
kroon of top wordt genoemd, waarvan negen sephiroth uitgaan in drie
triaden en elke groep van drie stelt respectievelijk geestelijke, verstandelijke
en materiële kwaliteiten voor, terwijl de tiende of laagste van
de derde triade wordt beschouwd als onze aardbol. In een van de werken
van Robert Fludd, die het ‘hoofd’ van de vuurfilosofen en
alchemisten van de 17de eeuw wordt genoemd, komt een merkwaardige interpretatie
voor van deze sephiroth-boom, die hij weergeeft als een palm waarvan
de tien zich uitspreidende takken, die uit de laagste wereld oprijzen,
aanduiden dat de mens op aarde een microkosmos of een weerspiegeling
is van de macrokosmos of het heelal.
De oorspronkelijke groep rozenkruisers, evenals vrijmetselaars, kabbalisten
en alchemisten uit de Middeleeuwen en de Renaissance in Europa, vormden
een uitlaatklep voor ware geestelijke waarden, en het verbaast ons daarom
niet dat, bijvoorbeeld de rozenkruisers, de roos als symbool namen voor
hun wereldboom. In de vorm van een reusachtige bloem die door bijen
uit naburige korven werd bezocht, heeft ze iets heel interessants te
vertellen: wanneer iets sub rosa of ‘onder de roos’
werd gezegd, werd dat in vertrouwen meegedeeld en als dit voor wereldse
zaken gold, hoeveel te meer dan voor leringen die werden gegeven aan
hen die door discipline en zelfverbetering het recht hadden verworven
op uitgebreidere kennis. In de tijd van de mysteriën werd bij de
Grieken voor sommige discipelen de benaming ‘bijen’ gebruikt,
en de heilige wijsheid die zij zochten werd ‘honing’ genoemd.
De meest bekende wereldboom, althans in het westen, is waarschijnlijk
de Scandinavische es, of de Yggdrasil uit de Edda’s. Deze machtige
boom heeft drie wortels die tot in drie verschillende werelden reiken
en die, evenals de sephiroth-boom van de kabbalisten en de asvatthaboom
van de hindoes, deze werelden met elkaar verbinden. Eén wortel
reikt tot het land van de goden, of het Asa-volk, dat elke dag onder
zijn takken bijeenkomt om zijn raadsvergaderingen te houden; onder deze
wortel bevindt zich de bron Urd. De middelste wortel gaat naar het land
van de reuzen van sneeuw en ijs en Mimirs bron ligt eronder. De derde
wortel reikt tot in de onderwereld en daar bevindt zich een onuitputtelijke
bron, Hvergelmer genaamd, terwijl aan zijn diepste wortel Nidhögg
knaagt, die wordt beschreven als een reus, een demon of een slang.
Er is een treffende overeenkomst tussen de bron van Mimir, die in zijn
wateren wijsheid en kennis verbergt en de bronnen van de muzen van het
oude Griekenland, waaruit de inspiratie voor de dicht- en zangkunst
voortkomen. De bron van Urd is het heiligst van alle wateren, want hier
wonen de Nornen of schikgodinnen die Yggdrasil dagelijks met ‘dauw’
besprenkelen om de boom altijd groen te houden. Hier zien we de Oudnoorse
tegenhanger van de Griekse mythologie met zijn goden die hun raadsvergadering
houden, en de Nornen die zoveel overeenkomst vertonen met de moirai
of wevers van het lot die het levenslot van de mensen bekendmaken, waarbij
ze het verleden, het heden en de toekomst voorstellen.
De wereldboom van Fiji is geografisch bijna de tegenpool ervan, en
vertoont toch een opvallende overeenkomst ermee – een denkbeeld
dat door de Tonga’s van de Vriendschapseilanden daarheen werd
overgebracht. Ook hier is een verhaal in omloop over het begin van de
dingen, en de ‘boom van de spraak’ is slechts een voorval
in de geschiedenis van de komst van de mens op aarde, en zijn latere
kennismaking met verval en dood. Evenals bij de es Yggdrasil is dit
de verzamelplaats van de goden, en de boom groeit bij een bron, het
levenswater. De legende, zoals die door Ma’afu, een hoofdman van
de Tonga’s wordt verteld, is bekoorlijk en maakt indruk door zijn
eenvoudige waardigheid. Ook de volgende passages die zijn ontleend aan
‘Het begin van de dood’ lopen parallel met de Oudnoorse
traditie en hier vervult de boom van de spraak, die de ‘beslissingen
van het lot’ bekendmaakt, de rol van de Nornen.
Een mooi land is Bulotu, en gelukkig is zijn volk,
want dicht bij het huis van Hiko-leo [de Loki van Tonga] is Vai-ola,
het levenswater dat de goden elke dag drinken. O, hadden wij het hier
maar op aarde, want alle ziekten zou het genezen! Aan de rand van
bron staat bovendien Akau-lea, die wonderlijke boom, de boom van de
spraak, en in de schaduw ervan zitten de goden en drinken kava,
terwijl de boom als ceremoniemeester optreedt en de naam afroept van
hem aan wie de kom moet worden aangereikt.
Er kwam echter een tijd dat Maui, de koning van de goden, besloot van
Bulotu weg te zeilen. Dat was bij het afsluiten van de Gouden Eeuw,
het heengaan van de eerste en tweede rassen, en de opkomst van het derde
ras dat de kennis van de dood verkreeg. De goden twistten over dit heengaan
en toen hoorden ze
een geritsel en beweging tussen bladeren van de boom
van de spraak, alsof een plotselinge windvlaag door zijn takken joeg;
en alle goden werden stil, want ze begrepen dat hij zou gaan spreken.
‘Luister naar mijn woorden, Maui,’ zei
hij. ‘Luister naar mijn woorden, Hiko-leo, en u allen, o goden.
Ga niet! Kwaad zal geschieden als u gaat – een kwaad zo groot
en vreselijk, dat u het niet zou begrijpen al vertelde ik het u. Ik
smeek u niet te gaan.’
En bij zijn vertrek klinkt in de instructies van Maui – die niet
tot blijven te bewegen is – droefheid en een verwachting van onheil
in de toekomst.
‘Zie, mijn broeders,’ zei hij, ‘het
is goed als u achterblijft om te letten op de boze, opdat hij geen
kwaad doet terwijl wij weg zijn. . . . Houd de rest tezamen en zorg
voor Hiko-leo. Wat zou er gebeuren als hij de boom van de spraak zou
vellen of het levenswater zou verontreinigen! Niets is te erg voor
hem, als hij in een van zijn boze buien is.’
– Folk Tales of all Nations,
F.H. Lee, blz. 444-5
Zo komt voor elk ras en voor elk kind de drang de Gouden Eeuw achter
zich te laten, en van het leven zelf te leren, en wijs te worden door
ervaring. Zelfs de Boeddha had de ‘drie visioenen tot ontwaken’
nodig: ouderdom, ziekte en dood; maar door de diepste betekenis ervan
te begrijpen verwierf hij kennis en mededogen.
Gekoesterd tussen de takken van de altijd groene levensboom kan de
mens de gebieden leren kennen waaruit zijn wortels alleen dan kracht
kunnen putten wanneer hij eerst heeft durven eten van de boom van kennis
van goed en kwaad; maar wanneer hij dat heeft gedaan, heeft hij het
vermogen verworven het goede te kiezen en ooit zal hij deel kunnen hebben
aan de levensboom.