Is alles niet absurd, of Het leven is niet om te lachen – of wel?
John Llewellyn

 

Een poging om uitdrukking te geven aan het onbezonnen
verlangen het ondefinieerbare te definiëren.


     Ieder van u die eenmaal door de innerlijke god is aangeraakt, is daarna nooit meer dezelfde. Hij kan nooit meer dezelfde zijn. Uw leven is veranderd; en u kunt zich hiervan elk moment bewust worden, elk moment dat u maar wilt.      – G. de Purucker


Toen ik vanochtend rustig naar mijn werk wandelde, omdat het zo’n mooie dag was, werd ik opeens getroffen door de overweldigende absurditeit van alles. U moet niet denken dat ik een hautaine houding aanneem als ik dit zeg omdat ik, terwijl het gevoel over me kwam, luid lachte; niet zo luid dat anderen erdoor zouden worden gehinderd, maar luid genoeg dat een of twee mensen naar me keken en nieuwsgierig glimlachten. Het moment was kortstondig, maar duurde lang genoeg om in te zien dat ik door deze veranderde houding tenminste tijdelijk deel kon hebben aan de stemming van een ogenblik waarop de werkelijkheid mooier is en meer authentieke zekerheid bevat dan alle uren van een maand tezamen.
     Zulke momenten zijn geheid moeilijk te beschrijven. Ze hebben een subtiel karakter, meer als een droom waarin men eerder zweeft dan loopt. Deze onzichtbare verschuiving van de ene toestand in de andere is te overtuigend om af te doen als slechts een verdwazing van de geest, omdat het overweldigende effect zodanig is dat men tijdens dat moment in een handomdraai wordt veranderd van een zwaarvoetig iemand met het ondraaglijke gevoel van sterfelijkheid met de omvang van een kruis, in een wezen dat baadt in het licht en volledig vrij is van de zogenaamde blunders van het menselijke bestaan, die zo bekend zijn dat ze geen omschrijving behoeven.
     Mijn gelach was, denk ik, een automatische reactie, en toch, als iemand die zelden lacht, herkende ik dat de spontaniteit ervan voortkwam uit het plotselinge inzicht in het hachelijke van mijn menselijke toestand. Op dat moment begreep ik het absurde van mijn situatie en daardoor het absurde van alles waaronder ikzelf. Het is niet overdreven te zeggen dat veel van wat ik tot nu toe als ernstig en belangrijk heb beschouwd nu wordt gezien als onbeduidende kleinigheden. De terugkeer tot mijn normale referentiekader was eerder zoiets als het binnendringen in een reusachtig plakkerig membraan, dat als een web was, waarin ik was verzwolgen en hopeloos verstrikt, en dat het geheel van de misdaden van de geschiedenis bevatte.
     De indruk van dat vervliegende moment blijft hangen in mijn geest zoals de smaak van karnemelk. Als een kind had ik deelgenomen aan de kosmische dans waarover ik onwetend was geweest. Tijdens dat gelukzalige moment werd mijn identiteit niet vernietigd, maar opnieuw opgebouwd op een manier die alle gebruikelijke en onjuiste opvattingen over geluk wegvaagde. De verschrikking van een dualistisch heelal die de wereld kwelt hield op met het definitieve van een grijns op een lijk in ontbinding. Het was een moment van volheid waarin noch zonde noch vergeving een rol speelden, en denkbeelden van vervolmaking overbodig waren. De mythe van het ‘worden’ werd verbrijzeld door de authenticiteit van het ‘zijn’. Ouderdom heeft mij in haar greep, maar de grauwe staar in mijn ogen schijnt er nu niet toe te doen.
     De lopende band van auto’s op de snelweg is op weg naar de schroothoop, en terwijl ik ze nu vanuit mijn raam gadesla, lach ik weer over het absurde van alles, maar bereid mezelf voor op de treurnis die weer over me zal komen wanneer de vergeetachtigheid van de gewoonte me weer blind zal maken.
     Ik vraag me af wat die lach voortbracht waardoor ik het absurde van alles kon inzien. De uitdrukking ‘het absurde van alles’ is niet misplaatst, hoewel het hard en oppervlakkig klinkt; maar de lach waarmee deze vergezeld ging had geen kwaad in zich. Het was alsof het ongelooflijke waar was geworden, en het was absurd om iets anders te denken. Het was als een kind dat in een vriendschappelijk spel doet alsof het dood is, en zijn vader maakt zich zorgen tot het kind plotseling weer tot leven komt en uitroept: ‘Maar ik ben helemaal niet dood’.
     Later die dag doorzocht ik het terrein naar aanwijzingen. Ik volgde mijn stappen terug, en herhaalde nauwgezet mijn lange reis van het absurde naar het absurde. De gespikkelde schaduwen van de bomen waren verdwenen, evenals de merel die me met voorzichtige aandacht had gadegeslagen. Ik zal het morgen weer proberen, voordat de lucht bedompt wordt, maar ik heb het gevoel dat het een vorm van ontheiliging is om dat te proberen. Ik heb niet de kracht van Hercules of het geduld van Job nodig. Het is ook geen kwestie van bedreven of bekwaam zijn. Misschien heeft het iets te maken met spanning. Wie weet? Was het de spanning van de boog van de boogschutter terwijl de pijl onderweg was? Maar al te vaak missen wij ons doel; maar soms vliegt de pijl perfect en treft, wonder boven wonder, de onzichtbare roos in een andere dimensie.
     Dit is de tijd van het kaliyuga, de ijzeren eeuw, stug, moeilijk en materialistisch, wanneer de ontwikkeling kan worden versneld, wanneer de waarheid uit lijden geboren kan worden. Het zij zo. Vanavond zal ik zoals gewoonlijk naar het nieuws op de TV kijken. De schelle muziek aan het begin ervan brengen me al snel in mijn gewoonlijke staat van schrik en bezorgdheid over wat er in de wereld gebeurt. Niets evenaart een reeks politici met hun lugubere uitspraken over een naderend onheil om ervan overtuigd te raken dat deze plek een kosmisch gekkenhuis is; en toch zal deze niet helemaal dezelfde zijn.
     De gekleurde gedaanten op het scherm zien er echt genoeg uit, en de oogst van de onmenselijkheid van de mens is niet verminderd; maar ik vraag me nu af of het slechts een kwestie van waarnemen is. Toen ik eenmaal de ‘werkelijkheid’ had gezien, niet de werkelijkheid van handel en politiek, die ellendige samenzwering van hebzucht en macht die het ‘werkelijke’ sinds Kaïn heeft bezoedeld.
     Met dat inzicht werd het me duidelijk dat de zekerheid die ik had verkregen, al was het kortstondig, me deed herinneren aan een verre kindertijd waarin onschuld en wijsheid op een wonderbaarlijke manier zijn verenigd met de schoonheid en volmaking van het huidige uur, het ‘nu’ van het onuitsprekelijke, waarin de verlossing van alle dingen duidelijk wordt gemaakt. Het was een vergankelijk moment toen ik vergat te staren in mijn persoonlijke wereld-verdraaiende spiegel; toen de gebruikelijke karikatuur van het leven die ik zo goed dacht te kennen, ophield me te kwellen. Ik denk dat ik daarom lachte; alleen al de gedachte aan wat voor de werkelijkheid doorgaat, feitelijk of anders, was te absurd voor woorden. Dit plotselinge uitbarsten in lachen was misschien het lachen van de goden, omdat de mens zou twijfelen aan zijn ware oorsprong, zelfs al baadde hij in licht.

 

Uit het tijdschrift Sunrise mrt/april 1998

© 1998 Theosophical University Press Agency