Vanonder een jonge musharagiboom langs de rivier steeg een heilige
flamingo op in de lucht die was vervuld van de geuren van het woud.
. . . En toen verscheen zij, de verpersoonlijkte Geest van schoonheid,
en straalde een schoonheid uit die de goedheid in haar ziel uitdrukte.
Het gevoelige gezicht met zijn heldere ogen tastte de wereld af met
een uitdrukking van diepe verwondering.
Haar kledij was eenvoudig: een rok van gelooide cheetahhuid versierd
met slakkenhuisjes en een koperen halsketting en armbanden waarin tekens
van geheime wijsheid waren gegraveerd. Dit was de vrouw die de stammen
enkele van de oudste en mooiste gezangen op aarde schonk, en die talloze
instrumenten had uitgevonden, die elk haar naam op een of andere manier
zouden dragen – Marimba, moeder van de muziek.
Maar er was haar een vloek opgelegd door de nachtloopster en godin
van het kwaad, de moeder van demonen die haar had benaderd om een van
haar dienaressen te worden in het land van de duisternis, en dit had
Marimba geweigerd. Zij was standvastig en weigerde zich over
te geven aan de kwade krachten van het land waar het altijd nacht is,
want ze wist dat zij de wijze heerseres was van de eerste stam die niet
door geweld maar door wijsheid en liefde werd geregeerd. Zij was standvastig
in haar overtuiging dat ze sterk genoeg was om de aanval te weerstaan,
omdat ze gezegend was met de macht van muziek om de duisternis te overwinnen.
En zo, terwijl de dagen voorbijgingen, gaf Marimba leiding
aan haar volk om muziekinstrumenten te construeren uit wapens en alledaagse
voorwerpen van de vijand. Trommels werden gemaakt van versleten mortieren,
boogharpen van jachtbogen, en marimba’s van valstrikken voor dieren.
In plaats van de wapens op te nemen wanneer ze werden geconfronteerd
met oorlog, moedigde ze hen aan om de wapens af te leggen en te dansen.
En toen, terwijl de langzaam opkomende zon zijn eerste stralen uitzond
om de hutten van de nederzetting te beschijnen, stonden de bewoners
van het dorp vol verbazing over de vloeiende klanken van de stem van
Marimba toen ze begon te zingen, want nooit tevoren hadden
ze die klank gehoord – een klank niet van deze wereld, en die
geen menselijk oor ooit eerder had gehoord; een klank die in de stille
schemering vloeide zoals een zilveren rivier door donkere wouden, en
die doordrong tot in de diepste diepten van de ziel.
‘Draag mijn lied op de vleugels van uw licht
Breng mijn refreinen naar de uiteinden van de wereld.’