De Rig-Veda is de oudste van de vier Veda’s. In plaats
van alleen maar uitdrukking te geven aan de primitieve verwondering
van de mens tegenover zijn godheden en natuurlijke omgeving, zoals vroegere
westerse geleerden veronderstelden, bestaat hij uit diepzinnige religieuze
inzichten van Indiase wijzen betreffende de oorsprong, aard en bestemming
van de gehele gemanifesteerde kosmos. De diep geestelijke achtergrond
van dit heilige geschrift treedt in het bijzonder aan het licht door
het denkbeeld van een ongemanifesteerde absolute Eenheid of Oppermacht
als het centrale punt en de gemeenschappelijke bron van alle kosmische
manifestatie, die daaraan voortdurend een goddelijke orde en harmonie
oplegt.
Een studie van deze oude tekst, waarvan men aanneemt dat hij tussen
3.000 en 3.500 jaar geleden is samengesteld, kan licht werpen op de
essentiële problemen van het menselijke bestaan. The Vision
of Cosmic Order in the Vedas door Jeanine Miller,1
een wetenschappelijke verhandeling over de traditionele religieuze kennis
van India, die uitvoerige beschrijvingen bevat van kenmerkende eigenschappen
van de verschillende goden van het Vedische pantheon, voorziet in het
soort geestelijke wijsheid dat ons helpt de religieuze en morele beroeringen
van onze eigen moeilijke tijden beter te begrijpen. Het boek legt er
de nadruk op dat het vermogen van de mensheid om zichzelf te verheffen
niet alleen afhangt van het menselijke verstand, zoals westerse niet-kerkelijken
geloven, maar in plaats daarvan een goddelijke bron bezit. Het benadrukt
eveneens dat de menselijke poging de godheid te antropomorfiseren om
deze ‘voor de gemiddelde menselijke intelligentie toegankelijker
te maken . . . geen teken van vooruitgang of ontwikkeling van ons inzicht
is’. Door de religieuze opvatting dat een onpersoonlijke macht
een minder geschikt object van verering is dan een persoonlijke godheid,
terecht te betwisten – een denkbeeld dat ook in het westen veel
voorkomt – vestigt het boek de aandacht op een relatie tussen
de mens en het goddelijke die mogelijk is wanneer de mensheid universele
eerbied betoont aan de kosmische orde en wet.
Om de dynamiek van de manifestatie tijdens de schepping en de evolutie
van de kosmos te verklaren, heeft Miller nauwgezet onderzoek gedaan
naar het begrip rita in de Rig-Veda. Volgens de wijzen
was dit de eerste emanatie uit het absolute en daarom de allereerste
manifestatie van de oorspronkelijke scheppingsdaad. Rita wordt gekarakteriseerd
als de eeuwige wet of blauwdruk van de kosmische orde, en het Vedische
denken vatte deze transcendente wet op als de enige passende uitdrukking
van het absolute dat zelf buiten het bereik van de menselijke speculatie
ligt. Als volmaakt symbool van de godheid in manifestatie eiste rita,
de hoogste wet van harmonie, eerbied en gehoorzaamheid van goden en
mensen. Hoewel rita wordt vereerd en gehoorzaamd door de goden (die,
zo wordt ons verteld, zich geheel naar hun eigen aard moeten gedragen)
verkiest de mens, die over zijn aard in onzekerheid schijnt te verkeren,
steeds weer opnieuw rita te dwarsbomen door disharmonische handelingen
die het goddelijke evenwicht verstoren. Inherent aan de menselijke toestand
bestaat daarom de behoefte te zoeken naar goddelijke bijstand om de
orde, die door de mensheid voortdurend wordt verstoord, te herstellen.
In die betekenis vormt de religieuze ethiek een onafscheidelijk deel
van de aloude wereldbeschouwing van India. En hier op het gebied van
het menselijke begrijpen van goed, kwaad en de ethische keuze, is het
boek heel nuttig en bijzonder uitdagend.
Hoeveel hebben we in de loop van de afgelopen drie millennia geleerd
als het gaat om het begrijpen en oplossen van ethische vraagstukken?
Dat we in dit opzicht bedroevend onzeker zijn, wordt aangetoond door
mensen die in het openbare leven liegen en bedriegen om begeerde doelen
te bereiken. Zelfs wanneer het behoud van mensenlevens en waarden op
het spel staat, rechtvaardigen dergelijke doeleinden geenszins het gebruik
van oneervolle middelen en worden hierdoor zelfs bezoedeld. Het is voor
iedereen uiterst moeilijk te beslissen of de persoonlijke integriteit
al of niet moet worden opgeofferd voor het bereiken van doelen waarvan
men meent dat ze hoger zijn dan het kleine zelf. Laten we echter eerlijkheidshalve
erkennen dat de gemaakte ethische keuzen soms uitdrukking geven aan
het geweten van individuen die moeten worstelen met morele problemen
die aan de uiterste grens van hun geestelijke wijsheid liggen.
Door de ideeën over het menselijk handelen in een kosmisch perspectief
te plaatsen, krijgen we een duidelijker inzicht in wat de morele verplichtingen
van goede mannen en vrouwen behoren te zijn. Dat ethiek en kosmische
harmonie niet te scheiden zijn, wordt door Raimundo Panikkar onder woorden
gebracht in The Vedic Experience:
Een tweedeling in een ethische en kosmische orde
is vreemd aan het Vedische denken, niet omdat de ethische orde wordt
genegeerd, maar omdat de werkelijk existentiële orde antropokosmisch
is en daarom het ethische en het kosmische in één omvat.
Miller verduidelijkt dit door te zeggen dat ‘de ethische orde
tot de mensheid behoort en de mensheid deel is van de kosmische orde,
vandaar het gebruik van het adjectief ‘antropokosmisch’’.
Toch omvat de kosmische harmonie veel meer dan deugdzaamheid, omdat
waarheid, rechtvaardigheid en gerechtigheid slechts menselijke waardeoordelen
zijn die onze kijk op de universele wet weerspiegelen maar niet deze
als geheel. Zoals Miller opmerkt:
Dit geheel zou op een meer passende manier kunnen
worden samengevat, niet als ‘de objectieve wet van het goede’,
maar eenvoudig als de ‘wet van harmonie’ . . . Wat in
overeenstemming is met de overal heersende harmonie, zal in de menselijke
sfeer van werkzaamheid als ethisch of goed worden beschouwd, en vandaar
de normen van zowel een maatschappelijke als een persoonlijke ethiek
die de basis vormen van iedere beschaving.
En ook:
Denken in termen van een kosmische morele orde betekent
het introduceren van een zuiver menselijke dimensie op een niveau
waar het zuiver menselijke wordt overstegen. De objectieve morele
orde van het heelal bestaat uitsluitend in het denken van de mens.
Haar tegenhanger in het heelal is harmonie, evenwicht.
De opvatting dat moraliteit, goedheid, geweten en ethische keus uitsluitend
tot de menselijke sfeer behoren, wordt niet door iedereen gedeeld. Zij
die zich het ongemanifesteerde Ene voorstellen als het absoluut goede,
neigen ertoe de hele kosmos, zowel stoffelijk als spiritueel, op te
vatten als zijnde doordrongen van en gesteund door een morele wet. Hoe
een dergelijke wet van toepassing zou kunnen zijn op alle niet-menselijke
manifestatie schijnt ons kenvermogen te boven te gaan; niettemin blijft
het denkbeeld van een Opperste goedheid in de kosmos hardnekkig bestaan
als een geschikte uitdrukking van de waarheid, evenals dat van de oppermacht
van de kosmische harmonie. Beide bestaan als denkbeelden in de menselijke
geest. Elk ervan zou een objectief bestaan kunnen hebben los van de
mensheid. Vanuit een strikt menselijk standpunt is het bijna onmogelijk
onderscheid te maken tussen die twee.
Harmonie is het ‘juiste’ verband tussen de delen; en wat
juist is kan alleen maar goed zijn. Wanneer het gedrag van de mens het
meest juist is, is het rechtvaardig, eervol, moedig, oprecht, vriendelijk,
edelmoedig en meedogend. Als de uiteindelijke bron van deze eigenschappen
het menselijke niveau te boven gaat, kan er door deze te gebruiken bij
de vorming van het karakter meer meespelen dan alleen menselijke waardeoordelen.
En overal hebben beschaafde mensen intuïtief begrepen dat dit edele
karaktertrekken zijn die de verwezenlijking van het hoogste potentieel
van de mensheid betekenen – dat goddelijk kan zijn. Of ze nu wel
of niet religieuze betekenis hebben, men heeft ze steeds beschouwd als
goede eigenschappen, terwijl de afwijkingen hiervan minder goed en soms
slecht zijn.
Een harmonische verstandhouding tussen vreedzame mensen, die we allen
nastreven, is gebaseerd op het vertrouwen in en de zekerheid van elkaars
integriteit. Door zich met oneervolle praktijken tegen boze krachten
te verzetten, kan men op de korte termijn politieke en zelfs humanitaire
doeleinden verwezenlijken. Zij die aan zulke acties deelnemen worden
misschien door idealisme gedreven en door een gevoel van plicht om hun
vijanden op de meest effectieve manier die ze kennen, zelfs ten koste
van hun persoonlijke integriteit, te bestrijden. Toch beseffen verstandiger
mensen dat oneervolle middelen nooit de ‘juiste’ verstandhouding
scheppen en, bij het verstoren van de goddelijke harmonie van de kosmische
orde, bewijzen deze middelen de mensheid op de lange duur een slechte
dienst. Evenmin is vaderlandslievende bezorgdheid, hoe aanbevelenswaardig
ook, de hoogste plicht. Naties en regeringen komen en gaan terwijl de
mensheid worstelt om te evolueren; het is vóór alles onze
plicht de geestelijke opgang ervan te bevorderen. Laten we erkennen
dat ondanks al onze menselijke zwakheden onze evolutionaire mogelijkheden
inderdaad goddelijk zijn, en dat aardse beproevingen en moeilijkheden
nodig zijn om in denken en doen meer zoals de goden te worden.
Verwijzing
- Routledge and Kegan Paul, Londen,
1985.