Kunnen wij ons met onze menselijke beperkingen de eeuwigheid voorstellen?
Als we ons door de beginloze en eindeloze duur bewegen, bereiken we
tenslotte ons huidige leven en daaropvolgend de dood, en dan bestaan
we opnieuw in de eindeloze eeuwigheid. Onze opvatting over tijd hangt
evenals die van ruimte af van ons gezichtspunt. Vanuit het standpunt
van de eeuwige duur is de schijnbaar uitgestrekte periode van vijf miljard
jaar van ons zonnestelsel een onbetekenende bliep. Waarom bevinden we
ons dan binnen de hele eeuwigheid op dit ene moment in wat we tijd noemen?
Wat doen we in de rest van de eeuwigheid? Zelfs als we erkennen dat
sommigen geloven dat we aan het wiel van wedergeboorte kunnen ontsnappen
en het uiteindelijke doel, nirvana, kunnen bereiken, zitten we nog steeds
opgescheept met de eeuwigheid.
Een klassiek Grieks gezegde luidt: slaap en dood zijn broeders. Het
is leerzaam de dood te vergelijken met de slaap. We gaan ’s avonds
slapen en betreden een andere bewustzijnstoestand, maar we ontwaken
’s morgens als een voortzetting van hetzelfde bewustzijn als dat
van de voorafgaande dag. Op bijna dezelfde manier is reïncarnatie
de voortzetting van bewustzijn na de dood. Reïncarnatie is te vergelijken
met het denkbeeld van een wederopgestaan lichaam. Waar vindt de wederopstanding
van ons lichaam plaats? Het lijkt logisch dat de plaats waar ons menselijk
bewustzijn zich wederbelichaamt deze aarde is, het natuurlijke thuis
waar naartoe het wordt aangetrokken. Zoals het door Katherine Tingley
onder woorden werd gebracht:
Er is een diep instinct in de ziel dat deze aarde
haar natuurlijke thuis is en dat haar natuurlijke toestand die van
geluk is. Daarom konden zij die hebben geprobeerd de hemel te beschrijven
nooit meer doen dan een verheerlijkte aarde te beschrijven.
– Mysteries of the Heart Doctrine,
blz. 69
De toestand na de dood is analoog aan de hemel, opgevat als een bewustzijnstoestand,
niet een plaats. Maar in plaats van voor alle eeuwigheid bij onze ‘Vader’
in de hemel te blijven, gaan we uiteindelijk verder (met de hulp van
een nieuw stel aardse ouders) door op aarde een nieuw lichaam te ontwikkelen.
Iedere onsterfelijke geest moet zich periodiek in een nieuw lichaam
tot uitdrukking brengen. Bovendien biedt reïncarnatie een gebied
(de aarde) waar karma kan worden uitgewerkt. We krijgen nóg een
kans om het hoofd te bieden aan fouten uit het verleden en triomfen
te zien terugkeren, op alle niveaus van ons wezen om de ontwikkeling
ervan voort te zetten. Volgens de theosofische opvatting reïncarneren
mensen bijna altijd als mensen. Een voortzetting van hetzelfde bewustzijn
vraagt om een soortgelijk voertuig.
Door Herodotus werd gezegd dat de oude Egyptenaren geloofden dat een
menselijke ziel zou kunnen reïncarneren als dier. Herodotus gebruikte
het Griekse woord zoon dat evenals het Latijnse equivalent
animal, ‘beest’ kan betekenen — of ‘levend
wezen’. De term wordt terecht gebruikt voor een bezield wezen
van een of andere soort, wanneer de nadruk wordt gelegd op dat individu
dat in een fysiek lichaam is geïncarneerd. Als we de oorspronkelijke
Griekse betekenis van het woord gebruiken, wordt de vertaling: ‘de
ziel gaat een ander bezield of levend lichaam binnen’.
Er zijn ongetwijfeld delen van onze tussennatuur of ziel die doorgaan
naar het dierenrijk, zoals ook onze fysieke atomen naar de aarde terugkeren.
Maar dat betreft eerder een transmigratie van de meer materiële
elementen van onze constitutie, dan dat wat het lichaam leven schenkt,
inspireert en bezielt — het reïncarnerende ego.
Omdat we lichamen ontwikkelen om aan onze behoeften te voldoen, kunnen
we gewoonlijk niet terugkeren in dierenlichamen. Het vergelijken van
het mensenrijk met het dierenrijk is zoiets als het vergelijken van
het dierenrijk en het plantenrijk: een bewustzijn dat zich heeft ontwikkeld
tot de staat van een dier zou de plant als voertuig ongeschikt vinden
om zijn eigenschappen tot uitdrukking te brengen - bijvoorbeeld mobiliteit
— die die ziel gedurende eonen moeizaam uit zichzelf heeft ontwikkeld.
Het voertuig moet passen bij het wezen. Met andere woorden, incarnatie
van een mens in een dierenlichaam zou niet gepast zijn voor het vermogen
van zelfbewustzijn dat wij mensen vanbinnen uit onszelf voortbrengen.
De natuur brengt altijd haar inherente levenskracht tot uitdrukking.
Wederbelichaming is dus noodzakelijk. Daarom zijn we nu hier. Dat is
tenslotte waarom het heelal tot aanzijn kwam. De levenskracht zal tot
uitdrukking komen. Wat gebeurt er met die energie bij de dood? Beschouw
deze analogie: de gloeilamp is te vergelijken met een fysiek lichaam.
De gloeidraad die gloeit wanneer er stroom doorheen gaat is als de tussenliggende
ziel. De elektrische stroom die de gloeilamp tot leven brengt is als
de geest — het permanente deel van ons — dat ieder individu
overschaduwt. Wanneer de gloeilamp is opgebrand, wordt hij afgedankt
evenals het fysieke lichaam. Maar de elektrische stroom heeft nog steeds
het potentieel om zich tot uitdrukking te brengen wanneer de passende
omstandigheden zich opnieuw voordoen. De vervangende gloeilamp moet
het juiste wattage hebben en de juiste breedte van de schroefdraad.
Evenzo moet het volgende lichaam geschikt zijn om die levenskracht uit
te drukken — zodat het alleen maar natuurlijk is dat een mens
in een ander menselijk lichaam zou reïncarneren. De levenskrachten
in ieder wezen hebben dezelfde natuurlijke, innerlijke drang om zich
tot uitdrukking te brengen, om verder te gaan, om te reïncarneren.
Als we de analogie doortrekken: Wanneer de lichtschakelaar wordt uitgedraaid,
is het zoals het slapen gaan. Wanneer de schakelaar weer wordt omgedraaid,
is dat als het wakker worden de volgende dag - in hetzelfde lichaam
als tevoren. Bovendien is er een ruime verscheidenheid aan gloeilampen
in de wereld - gekleurde lichten, gloeiend, fluorescerend - die analoog
zijn aan de verschillende typen en rassen van mensen. We hebben allen
dezelfde essentie en tappen dezelfde stroom af, en toch straalt ieder
het licht van het leven op zijn eigen manier uit.
De elektrische stroom die aan ieder huis en iedere stroomkring wordt
geleverd, komt uit één enkele bron, uit een elektriciteitscentrale
voor een bepaald gebied. Die bron is iets universelers, misschien zoiets
als het onkenbare, ongemanifesteerde, universele beginsel in de kern
van ieder wezen. In de theosofische opvatting is zelfs het ‘uiteindelijke’
doel en de vredige toestand van nirvana niet permanent - het is een
onbegrijpelijk lange periode, maar in het plan van de eeuwigheid zal
het leven uiteindelijk een manier vinden om zich opnieuw tot uitdrukking
te brengen. Vanuit het standpunt van de kern van het zijn, is nirvana
niet een toestand van vernietiging, maar een toestand van opgaan, niet-zijn,
eenheid waarin er geen individualiteit of afgescheidenheid is. Omdat
een elektriciteitscentrale misschien ontploft, of de rivier die een
hydro-elektrische centrale voedt opdroogt, betekent nog niet dat elektriciteit
ophoudt te bestaan. Evenzo houdt de levensessentie niet op te bestaan.
Ze bestaat nog steeds in potentie en zal een manier vinden om zich keer
op keer tot uitdrukking te brengen. Ze duurt voort - en vloeit steeds
verder naar de zee, water wordt omgezet in waterdamp, om een andere
keer weer neer te regenen in het gebied van de bovenloop van de rivier,
en zich telkens weer tot expressie te brengen.