De rol van theosofie in deze tijd
Grace F. Knoche en Kirby Van Mater

 

Vraag — Wat is het verschil tussen het doel van de theosofie en dat van iedere grote religie? Schrijft niet iedere religieuze filosofie broederschap voor? Geven zij niet dezelfde edele ethiek en de aansporing om deze in praktijk te brengen?

GFK — Dat doen ze inderdaad. Wat heeft theosofie dan te bieden? In de eerste plaats moeten we bedenken dat theosofie vele miljoenen jaren teruggaat tot die belangrijke tijd in de menselijke geschiedenis toen ons verstand en ons hart wakker werden geroepen. Dat was het tijdperk dat in Genesis en in vele andere religieuze geschriften en mythen is opgetekend. Maar tegen de negentiende eeuw waren deze oude waarheden, die keer op keer aan de mensheid waren onderwezen, allang vergeten, of op zijn minst had de luister ervan zijn glans verloren door priesterdom en de tand des tijds.

Toen de ‘zonen van het denkvermogen’ — de manasaputra’s, Lucifer, Prometheus, of welke naam we deze lichtbrengers ook geven — de karmische gelegenheid zagen om het vuur van onze mentale en emotionele natuur en die van het hart tot leven te wekken, was dit het begin van een prachtige kans voor het menselijk ras. In die periode werden aan de vroege mensheid bepaalde oorspronkelijke waarheden geschonken, en het zijn deze waarheden die ieder volk op zijn eigen manier opnieuw tot uitdrukking heeft gebracht. Soms zijn de vormen zo moeilijk te begrijpen, dat zij geheel in een verkeerd daglicht worden gesteld. H.P. Blavatsky heeft de poorten van ons begrip wijdgeopend, en deze heilige waarheden opnieuw belicht door ze op zo’n stimulerende wijze weer te geven dat elke religieuze filosofie en traditionele overlevering kon worden herkend als een andere uitdrukking van dezelfde wonderlijke wijsheid.

De doelstellingen van theosofie zijn niet nieuw. De gedachte van broederschap als een levende, praktische filosofie is steeds weer opnieuw aan het licht getreden. Alle geestelijk verlichten leggen er de nadruk op als hun voornaamste doel. De levens van de grote leraren geven een voorbeeld van dit ideaal. Langgeleden doorbrak Prins Siddhartha de dweepzucht van de brahmanen en sprak openlijk met het volk over deze waarheden. Voor hem bestond er geen belangrijker voorschrift dan de broeders lief te hebben en te begrijpen, en voor hem bestond de hele mensheid uit broeders.

Iedere poging van een wereldleraar is gericht op het aankweken van de ideale levenswijze, die de ketenen die de menselijke ziel aan banden leggen losser zou maken en tenslotte vernietigen. In de Renaissance deden verschillende mensen hun best om aan te tonen dat de microkosmos, de kleine wereld van de mens, een kleiner deel en een afspiegeling is van de macrokosmos. Ingewikkelde schema’s werden door kabbalisten, hermetisten en rozenkruisers uitgewerkt, met als doel het bestaan van een universele harmonische orde aan te tonen. Deze opmerkelijke genieën in verschillende Europese landen waren betrekkelijk gering in aantal, maar ze kenden elkaar en onderhielden in het geheim onderlinge contacten — een onopvallend netwerk dat deze verlichte denkers in Engeland, Duitsland, Holland, Spanje, Portugal en Italië verbond. Het was een geestelijk geïnspireerd netwerk, maar jammer genoeg drong de invloed ervan niet tot de wereld in het algemeen door. Het veroverde het leven van de gewone mensen niet, omdat vooral tegen het einde van de 16de eeuw een krachtige tegenpoging, de Contrareformatie, werd ingezet om allen die het hadden gewaagd van de orthodoxie af te wijken in de schoot van de kerk terug te brengen.

Geen enkele poging tot eenheid gaat echter verloren. Dat netwerk was toen niet iets nieuws; het heeft altijd bestaan. Feitelijk is de theosofische poging van deze tijd een onafscheidelijk deel van dat oude verbond van toegewijde mensen. Tegenwoordig worden er vele pogingen gedaan die uiterlijk niet met de theosofische beweging zijn verbonden, maar die impulsen zijn die worden ingegeven door hetzelfde altruïstische doel. Niettemin bestaan er in en door het netwerk van licht heen invloeden van tegengesteld karakter, die proberen een schaduw op de zuiverheid van dit streven te werpen. We zouden in staat moeten zijn het goud onder de droesem te onderscheiden.

Vraag — Zijn praktische pogingen om de miljoenen lijdende en arme mensen op de wereld te helpen niet het belangrijkste?

GFK — Theosofen zijn de vriend van alle bewegingen die werken voor de verbetering van menselijke omstandigheden en steunen daarom iedere verlichte poging daartoe. Maar we moeten realistisch zijn. Hoe graag we het ook zouden willen, het is voor ons niet mogelijk mensen naar verschillende landen te sturen om dit soort hulpverlening te verrichten. Enkele theosofen zijn bij een of andere liefdadigheid betrokken, maar als Society, zoals H.P. Blavatsky terecht zei, hebben we een moeilijker — zelfs belangrijker — taak, namelijk de oorzaken van de moeilijkheden weg te nemen1. Het zijn de oorzaken van menselijke ellende, ziekte en armoede, waarop we ons in alle ernst willen richten. Juist op dit punt moeten we onszelf onderzoeken en opnieuw onder de loep nemen, omdat men zich volkomen onbewust achter die façade zou kunnen verschuilen en zelfzuchtig, zelfs hardvochtig zou kunnen worden door het gevoel dat ‘ons werk niet onder de mensen ligt, maar eenvoudig op het terrein van ideeën’.

Ons werk ligt op het gebied van ideeën, maar ons werk, wil het levend blijven, moet een voortdurende toewijding van onszelf zijn aan de taak ervoor te zorgen dat, bij het delen van deze ideeën, alleen positieve en opbouwende energieën de gedachtewereld ingaan. Als dit werkelijk een allesoverheersende karaktertrek van de natuur is, dan zullen we merken dat we juist die omstandigheden langs een innerlijke weg helpen te verlichten en, misschien zonder het te weten, anderen inspireren om op een uiterlijke manier te werken.

Kirby Van Mater — Hoe kunnen we mensen met gedachten helpen? We spreken over universele broederschap en de broederschap van mensen. We zijn werkelijk een broederschap van mensen, niet alleen in de fysieke wereld waarin we leven en de geestelijke wereld waaraan we deelhebben, maar ook in de gedachtewereld en in de emotionele wereld. In al deze werelden zijn we meer met elkaar verbonden dan we ons kunnen indenken. Iedere gedachte die we hebben, delen we met anderen. Toen ik mij vele jaren geleden voor het eerst bij de Theosophical Society aansloot, zei iemand tegen me dat theosofen het denkleven van de wereld leiden. Omdat ik toen juist de gedachten en denkbeelden van de grote denkers had bestudeerd, vroeg ik me af, hoe kan dat? We hebben ongetwijfeld niet zoveel invloed als zij. Maar sindsdien heb ik gemerkt dat iedereen er grote denkbeelden op na kan houden, en in deze wereld, waar zo velen verdeeldheid zaaien, zijn de edele denkbeelden van broederschap en de eenheid van alles heel hard nodig.

Na meer dan honderd jaar van inspanningen kunnen theosofen terecht zeggen dat hun denkbeelden zich over de hele wereld hebben verspreid. De enkele personen die de Theosophical Society begonnen, zijn ontelbare duizenden geworden, en het oorspronkelijke streven van de Society heeft vele vormen en namen aangenomen, wat bewijst dat ideeën inderdaad de wereld beheersen. Door deze gedachten te koesteren en erover na te denken, beïnvloeden we inderdaad de vooraanstaande denkers van deze tijd.

GFK — Dit doet me denken aan de tweede brief van HPB aan de Amerikaanse Conventies, waarin ze deze regels van haar leraren citeert:

Laat niet de vrucht van goed karma uw beweegreden zijn; want daar uw karma, goed of slecht, één is en de hele mensheid gezamenlijk toebehoort, kan u niets goeds of slechts overkomen dat niet vele anderen met u delen. Vandaar dat uw beweegreden, als die zelfzuchtig is, slechts een tweeledige uitwerking kan hebben, goed en slecht, en òf uw goede daad tenietdoet òf die omzet in het voordeel van een ander.... Er is geen geluk voor degene die voortdurend aan het eigen zelf denkt en alle andere zelven vergeet.
     – blz. 35

En dan doet de meester deze veelzeggende uitspraak: ‘Het heelal zucht onder het gewicht van dat soort handelen (karma), en geen ander dan zelfopofferend karma brengt verlichting.’

Dit is een buitengewoon krachtige sleutel. Als het heelal werkelijk zucht onder de last van zelfzuchtige daden en gedachten, zijn we, voor zover we individueel tot dat gewicht hebben bijgedragen, hiervoor zelf verantwoordelijk. Ieder van ons is menselijk, ieder van ons heeft tot op zekere hoogte gemengde motieven, maar we hebben een groots ideaal om er voortdurend naar te streven ons leven werkelijk altruïstisch te maken. Dit is een doel dat niet in één enkel leven kan worden bereikt, maar het is een doel dat we nooit moeten opgeven. Het moet in ons leven de overheersende invloed zijn die de boventoon voert, en als we hiernaar kunnen streven, dan kunnen we erop vertrouwen dat we tenminste in grotere mate uitdrukking zullen geven aan onzelfzuchtigheid dan aan het tegenovergestelde.

Zelfzucht staat vijandig tegenover groei van de ziel. Ze is nadelig voor de groei van de mensheid, omdat ze een naar binnen richten op het eigen ik betekent. Als we daarentegen onszelf niet als het allerbelangrijkste beschouwen, dan komt het licht uit ons innerlijk vrij, en dat licht dat in onze ziel stroomt, blijft niet binnen onze eigen grenzen. Het breekt door de belemmeringen van onze persoonlijkheid heen en zendt zijn stralen in het leven van vele, vele anderen. Iedere altruïstische gedachte en aspiratie zendt haar invloed in de gedachteatmosfeer van onze wereld, en ieder mens — ons bekend of niet — die in sympathetische trilling is met een soortgelijke aspiratie reageert op overeenkomstige wijze, en zijn leven wordt veredeld en zijn omgeving verlicht. Op dezelfde manier is het tegenovergestelde waar en ook daarvoor zijn we verantwoordelijk.

Velen zijn tegenwoordig heel pessimistisch over onze wereld; ze zien zoveel uitingen van onbroederlijkheid, wreedheid en oneerlijkheid, die bijna als norm worden aanvaard. In feite heeft het pessimisme veel van het zelfvertrouwen van onze beschaving weggevreten. Het is een deel van onze taak deze pessimistische kijk te vervangen door het tegenovergestelde, niet een soort onbezonnen optimisme, maar een vertrouwen in het vermogen van de menselijke ziel zich open te stellen voor het binnenstromen van haar ingeboren kracht en licht en zuiverheid.

 

Verwijzing

  1. H.P. Blavatsky aan de Amerikaanse Conventies: 1888-1891, Theosophical University Press Agency, Den Haag, 1980, blz. 20.
 
Andere artikelen over theosofie
 
‘Aan de oevers van het duister is er licht’ / Grace F. Knoche
 

Uit het tijdschrift Sunrise nov/dec 1998

© 1998 Theosophical University Press Agency