Vraag — Wat is het verschil tussen het doel van de theosofie
en dat van iedere grote religie? Schrijft niet iedere religieuze filosofie
broederschap voor? Geven zij niet dezelfde edele ethiek en de aansporing
om deze in praktijk te brengen?
GFK — Dat doen ze inderdaad. Wat heeft theosofie dan
te bieden? In de eerste plaats moeten we bedenken dat theosofie vele
miljoenen jaren teruggaat tot die belangrijke tijd in de menselijke
geschiedenis toen ons verstand en ons hart wakker werden geroepen. Dat
was het tijdperk dat in Genesis en in vele andere religieuze
geschriften en mythen is opgetekend. Maar tegen de negentiende eeuw
waren deze oude waarheden, die keer op keer aan de mensheid waren onderwezen,
allang vergeten, of op zijn minst had de luister ervan zijn glans verloren
door priesterdom en de tand des tijds.
Toen de ‘zonen van het denkvermogen’ — de manasaputra’s,
Lucifer, Prometheus, of welke naam we deze lichtbrengers ook geven —
de karmische gelegenheid zagen om het vuur van onze mentale en emotionele
natuur en die van het hart tot leven te wekken, was dit het begin van
een prachtige kans voor het menselijk ras. In die periode werden aan
de vroege mensheid bepaalde oorspronkelijke waarheden geschonken, en
het zijn deze waarheden die ieder volk op zijn eigen manier opnieuw
tot uitdrukking heeft gebracht. Soms zijn de vormen zo moeilijk te begrijpen,
dat zij geheel in een verkeerd daglicht worden gesteld. H.P. Blavatsky
heeft de poorten van ons begrip wijdgeopend, en deze heilige waarheden
opnieuw belicht door ze op zo’n stimulerende wijze weer te geven
dat elke religieuze filosofie en traditionele overlevering kon worden
herkend als een andere uitdrukking van dezelfde wonderlijke wijsheid.
De doelstellingen van theosofie zijn niet nieuw. De gedachte van broederschap
als een levende, praktische filosofie is steeds weer opnieuw aan het
licht getreden. Alle geestelijk verlichten leggen er de nadruk op als
hun voornaamste doel. De levens van de grote leraren geven een voorbeeld
van dit ideaal. Langgeleden doorbrak Prins Siddhartha de dweepzucht
van de brahmanen en sprak openlijk met het volk over deze waarheden.
Voor hem bestond er geen belangrijker voorschrift dan de broeders lief
te hebben en te begrijpen, en voor hem bestond de hele mensheid uit
broeders.
Iedere poging van een wereldleraar is gericht op het aankweken van
de ideale levenswijze, die de ketenen die de menselijke ziel aan banden
leggen losser zou maken en tenslotte vernietigen. In de Renaissance
deden verschillende mensen hun best om aan te tonen dat de microkosmos,
de kleine wereld van de mens, een kleiner deel en een afspiegeling is
van de macrokosmos. Ingewikkelde schema’s werden door kabbalisten,
hermetisten en rozenkruisers uitgewerkt, met als doel het bestaan van
een universele harmonische orde aan te tonen. Deze opmerkelijke genieën
in verschillende Europese landen waren betrekkelijk gering in aantal,
maar ze kenden elkaar en onderhielden in het geheim onderlinge contacten
— een onopvallend netwerk dat deze verlichte denkers in Engeland,
Duitsland, Holland, Spanje, Portugal en Italië verbond. Het was
een geestelijk geïnspireerd netwerk, maar jammer genoeg drong de
invloed ervan niet tot de wereld in het algemeen door. Het veroverde
het leven van de gewone mensen niet, omdat vooral tegen het einde van
de 16de eeuw een krachtige tegenpoging, de Contrareformatie, werd ingezet
om allen die het hadden gewaagd van de orthodoxie af te wijken in de
schoot van de kerk terug te brengen.
Geen enkele poging tot eenheid gaat echter verloren. Dat netwerk was
toen niet iets nieuws; het heeft altijd bestaan. Feitelijk is de theosofische
poging van deze tijd een onafscheidelijk deel van dat oude verbond van
toegewijde mensen. Tegenwoordig worden er vele pogingen gedaan die uiterlijk
niet met de theosofische beweging zijn verbonden, maar die impulsen
zijn die worden ingegeven door hetzelfde altruïstische doel. Niettemin
bestaan er in en door het netwerk van licht heen invloeden van tegengesteld
karakter, die proberen een schaduw op de zuiverheid van dit streven
te werpen. We zouden in staat moeten zijn het goud onder de droesem
te onderscheiden.
Vraag — Zijn praktische pogingen om de miljoenen lijdende
en arme mensen op de wereld te helpen niet het belangrijkste?
GFK — Theosofen zijn de vriend van alle bewegingen die
werken voor de verbetering van menselijke omstandigheden en steunen
daarom iedere verlichte poging daartoe. Maar we moeten realistisch zijn.
Hoe graag we het ook zouden willen, het is voor ons niet mogelijk mensen
naar verschillende landen te sturen om dit soort hulpverlening te verrichten.
Enkele theosofen zijn bij een of andere liefdadigheid betrokken, maar
als Society, zoals H.P. Blavatsky terecht zei, hebben we een moeilijker
— zelfs belangrijker — taak, namelijk de oorzaken
van de moeilijkheden weg te nemen1. Het
zijn de oorzaken van menselijke ellende, ziekte en armoede, waarop we
ons in alle ernst willen richten. Juist op dit punt moeten we onszelf
onderzoeken en opnieuw onder de loep nemen, omdat men zich volkomen
onbewust achter die façade zou kunnen verschuilen en zelfzuchtig,
zelfs hardvochtig zou kunnen worden door het gevoel dat ‘ons werk
niet onder de mensen ligt, maar eenvoudig op het terrein van ideeën’.
Ons werk ligt op het gebied van ideeën, maar ons werk,
wil het levend blijven, moet een voortdurende toewijding van onszelf
zijn aan de taak ervoor te zorgen dat, bij het delen van deze ideeën,
alleen positieve en opbouwende energieën de gedachtewereld ingaan.
Als dit werkelijk een allesoverheersende karaktertrek van de natuur
is, dan zullen we merken dat we juist die omstandigheden langs een innerlijke
weg helpen te verlichten en, misschien zonder het te weten, anderen
inspireren om op een uiterlijke manier te werken.
Kirby Van Mater — Hoe kunnen we mensen met gedachten
helpen? We spreken over universele broederschap en de broederschap van
mensen. We zijn werkelijk een broederschap van mensen, niet alleen in
de fysieke wereld waarin we leven en de geestelijke wereld waaraan we
deelhebben, maar ook in de gedachtewereld en in de emotionele wereld.
In al deze werelden zijn we meer met elkaar verbonden dan we ons kunnen
indenken. Iedere gedachte die we hebben, delen we met anderen. Toen
ik mij vele jaren geleden voor het eerst bij de Theosophical Society
aansloot, zei iemand tegen me dat theosofen het denkleven van de wereld
leiden. Omdat ik toen juist de gedachten en denkbeelden van de grote
denkers had bestudeerd, vroeg ik me af, hoe kan dat? We hebben ongetwijfeld
niet zoveel invloed als zij. Maar sindsdien heb ik gemerkt dat iedereen
er grote denkbeelden op na kan houden, en in deze wereld, waar zo velen
verdeeldheid zaaien, zijn de edele denkbeelden van broederschap en de
eenheid van alles heel hard nodig.
Na meer dan honderd jaar van inspanningen kunnen theosofen terecht
zeggen dat hun denkbeelden zich over de hele wereld hebben verspreid.
De enkele personen die de Theosophical Society begonnen, zijn ontelbare
duizenden geworden, en het oorspronkelijke streven van de Society heeft
vele vormen en namen aangenomen, wat bewijst dat ideeën inderdaad
de wereld beheersen. Door deze gedachten te koesteren en erover na te
denken, beïnvloeden we inderdaad de vooraanstaande denkers van
deze tijd.
GFK — Dit doet me denken aan de tweede brief van HPB
aan de Amerikaanse Conventies, waarin ze deze regels van haar leraren
citeert:
Laat niet de vrucht van goed karma uw beweegreden
zijn; want daar uw karma, goed of slecht, één is en
de hele mensheid gezamenlijk toebehoort, kan u niets goeds of slechts
overkomen dat niet vele anderen met u delen. Vandaar dat uw beweegreden,
als die zelfzuchtig is, slechts een tweeledige uitwerking kan hebben,
goed en slecht, en òf uw goede daad tenietdoet òf die
omzet in het voordeel van een ander.... Er is geen geluk voor degene
die voortdurend aan het eigen zelf denkt en alle andere zelven vergeet.
– blz. 35
En dan doet de meester deze veelzeggende uitspraak: ‘Het heelal
zucht onder het gewicht van dat soort handelen (karma), en geen ander
dan zelfopofferend karma brengt verlichting.’
Dit is een buitengewoon krachtige sleutel. Als het heelal werkelijk
zucht onder de last van zelfzuchtige daden en gedachten, zijn we, voor
zover we individueel tot dat gewicht hebben bijgedragen, hiervoor zelf
verantwoordelijk. Ieder van ons is menselijk, ieder van ons heeft tot
op zekere hoogte gemengde motieven, maar we hebben een groots ideaal
om er voortdurend naar te streven ons leven werkelijk altruïstisch
te maken. Dit is een doel dat niet in één enkel leven
kan worden bereikt, maar het is een doel dat we nooit moeten
opgeven. Het moet in ons leven de overheersende invloed zijn die de
boventoon voert, en als we hiernaar kunnen streven, dan kunnen we erop
vertrouwen dat we tenminste in grotere mate uitdrukking zullen geven
aan onzelfzuchtigheid dan aan het tegenovergestelde.
Zelfzucht staat vijandig tegenover groei van de ziel. Ze is nadelig
voor de groei van de mensheid, omdat ze een naar binnen richten op het
eigen ik betekent. Als we daarentegen onszelf niet als het allerbelangrijkste
beschouwen, dan komt het licht uit ons innerlijk vrij, en dat licht
dat in onze ziel stroomt, blijft niet binnen onze eigen grenzen. Het
breekt door de belemmeringen van onze persoonlijkheid heen en zendt
zijn stralen in het leven van vele, vele anderen. Iedere altruïstische
gedachte en aspiratie zendt haar invloed in de gedachteatmosfeer van
onze wereld, en ieder mens — ons bekend of niet — die in
sympathetische trilling is met een soortgelijke aspiratie reageert op
overeenkomstige wijze, en zijn leven wordt veredeld en zijn omgeving
verlicht. Op dezelfde manier is het tegenovergestelde waar en ook daarvoor
zijn we verantwoordelijk.
Velen zijn tegenwoordig heel pessimistisch over onze wereld; ze zien
zoveel uitingen van onbroederlijkheid, wreedheid en oneerlijkheid, die
bijna als norm worden aanvaard. In feite heeft het pessimisme veel van
het zelfvertrouwen van onze beschaving weggevreten. Het is een deel
van onze taak deze pessimistische kijk te vervangen door het tegenovergestelde,
niet een soort onbezonnen optimisme, maar een vertrouwen in het vermogen
van de menselijke ziel zich open te stellen voor het binnenstromen van
haar ingeboren kracht en licht en zuiverheid.
Verwijzing
- H.P. Blavatsky
aan de Amerikaanse Conventies: 1888-1891, Theosophical University
Press Agency, Den Haag, 1980, blz. 20.