Het visioen van Er
Plato

 

[In Boek 10 van zijn De Staat laat Plato Socrates het verhaal vertellen van het visioen van Er, een allegorie over het lot van de menselijke ziel na de dood en de wijze waarop haar volgende leven op aarde wordt bepaald. Het onderstaande is gebaseerd op de Engelse vertaling van Jowett (§§614-621). — Red.]

Ik zal u een verhaal vertellen; niet een van de verhalen die Odysseus vertelt aan de held Alkinoös, maar toch gaat ook dit verhaal over een held, namelijk Er, de zoon van Armenios, een Pamphyliër van geboorte. Hij was gesneuveld op het slagveld, en tien dagen later, toen de lichamen van de doden, die al in staat van ontbinding waren, werden weggehaald, werd zijn lichaam in ongeschonden toestand aangetroffen en naar huis gedragen om te worden begraven. En op de twaalfde dag, toen hij op de brandstapel lag, keerde hij tot het leven terug en vertelde hen wat hij in de andere wereld had gezien. Hij zei dat toen zijn ziel zijn lichaam verliet, hij met een groot gezelschap op reis ging en dat ze op een mysterieuze plek aankwamen waar zich twee openingen in de aarde bevonden; dichtbij elkaar, en erboven bevonden zich in de hemel ook twee openingen. In de ruimte daartussenin zaten rechters die, nadat zij hun oordeel over hen hadden gegeven en het teken van hun vonnis aan hun voorzijde hadden vastgebonden, de rechtvaardigen geboden hemelwaarts op te stijgen aan de rechterzijde; en evenzo de onrechtvaardigen naar beneden af te dalen aan de linkerzijde; ook zij droegen de symbolen van hun daden bij zich, maar die waren vastgebonden op hun rug. Toen hijzelf naar voren kwam, zeiden ze hem dat het zijn taak was als boodschapper het verslag van deze andere wereld aan de mensen te brengen, en ze geboden hem naar alles te luisteren en te kijken wat er op die plaats te horen en te zien was.

Toen keek hij, en hij zag aan de ene kant de zielen die door de opening in de aarde of de hemel vertrokken nadat het oordeel over hen was gegeven, en aan de andere kant andere zielen, waarvan sommige stoffig en afgetobd van de reis uit de aarde omhoogkwamen en andere schoon en stralend uit de hemel neerdaalden. Zo nu en dan kwamen er mensen aan en ze leken een lange reis achter de rug te hebben, en ze liepen verheugd de weide in, waar ze zich een plaats zochten alsof er een feest aan de gang was; en degenen die elkaar kenden omhelsden elkaar en raakten in gesprek. De zielen die van de aarde kwamen informeerden nieuwsgierig hoe het daarboven was en degenen die uit de hemel kwamen over de dingen daarbeneden. En ze vertelden elkaar wat ze onderweg hadden meegemaakt. De zielen die van beneden kwamen huilden en treurden bij de herinnering aan de dingen die ze hadden doorstaan en op hun reis onder de aarde hadden gezien (de tocht had namelijk duizend jaar geduurd), terwijl zij die vanboven kwamen hemelse heerlijkheden beschreven en visioenen van onvoorstelbare schoonheid.

Het zou, Glaukoon, teveel tijd in beslag nemen om het hele verhaal te vertellen; maar het kwam hier op neer: hij zei dat voor ieder onrecht dat ze iemand hadden aangedaan, ze tienvoudig moesten lijden; of eenmaal in honderd jaar — de tijd die wordt gerekend voor een mensenleven, en dus moet de straf tienmaal in duizend jaar worden ondergaan. Als er bijvoorbeeld iemand was die verantwoordelijk was voor de dood van veel mensen, of verraad had gepleegd of steden of legers tot slavernij had gedwongen, of schuldig was geweest aan welk kwalijk gedrag dan ook, moest hij voor elk van die overtredingen tienvoudig worden gestraft, en de beloning voor goede daden en rechtvaardigheid en heiligheid stond in dezelfde verhouding. . . .

Wanneer de geesten in de weide daar nu zeven dagen hadden vertoefd, werden ze op de achtste dag verplicht hun reis voort te zetten en, zo zei hij, vier dagen daarna kwamen ze op een plek van waaraf ze neerkeken op een baan van licht zo recht als een zuil, die dwars door de hemel en de aarde heenging. Hij had de kleuren van een regenboog, maar helderder en zuiverder; en nog een dag later kwamen ze op die plaats aan, en daar zagen ze, middenin het licht, de uiteinden van de ketens die vanuit de hemel werden neergelaten: want dit licht is de gordel van de hemel en houdt de kringloop van het universum bijeen. Tussen deze uiteinden bevindt zich de spinspoel van [de godin van] Noodzakelijkheid [Anangkè], waarnaar alle omwentelingen zich richten. . . .

De hele spinspoel heeft dezelfde beweging; maar terwijl het geheel in de ene richting draait, draaien de zevende binnenste wielen langzaam de andere kant op, . . . De spinspoel draait op de knieën van Noodzakelijkheid; en op het vlak van ieder wiel zit een Sirene die met het wiel meedraait en één enkele toon of noot zingt. De acht tonen samen vormen een harmonie; en in het rond eromheen, op gelijke afstanden, zitten nog drie godinnen ieder op haar eigen troon. Zij zijn de schikgodinnen, dochters van Noodzakelijkheid, die in witte gewaden zijn gehuld en bloemenkransen op hun hoofd dragen: Lachesis, Klotho en Atropos, die met hun stem de harmonie van de Sirenen begeleiden — Lachesis bezingt het verleden, Klotho het heden, Atropos de toekomst, waarbij Klotho zo nu en dan met haar rechterhand helpt met het draaien van het buitenste wiel van de rand of de spinspoel, Atropos met haar linkerhand de binnenste wielen aanraakt en leidt, en Lachesis om de beurt de buitenste en de binnenste vastpakt, eerst met de ene hand en dan met de andere.

Toen Er en de geesten van de gestorvenen arriveerden, was het hun taak onmiddellijk naar Lachesis toe te gaan; maar allereerst kwam er een profeet die hen in de juiste volgorde plaatste; vervolgens pakte hij loten en voorbeelden van levens uit de schoot van Lachesis en nadat hij had plaatsgenomen op een hoge kansel, sprak hij als volgt:

Hoor het woord van Lachesis, de dochter van Noodzakelijkheid. Sterfelijke zielen, aanschouw een nieuwe cyclus van leven en sterfelijkheid. Uw genius zal niet aan u worden toegewezen, maar u zult uw eigen genius kiezen; en laat hij die het eerste lot trekt de eerste keuze hebben, en het leven dat hij kiest zal zijn bestemming zijn. Deugd is gratis, en hoe meer iemand haar eer of oneer betuigt, des te meer of minder zal hij van haar krijgen; de verantwoordelijkheid ligt bij degene die kiest – Theos speelt er geen rol bij.

Toen de Tolk aldus had gesproken gooide hij de loten zonder onderscheid over hen uit en ieder nam het lot dat naast hem neerkwam, iedereen behalve Er zelf (hij mocht niet), en iedereen keek naar het nummer dat hij had gekregen. Toen legde de Tolk de voorbeelden van levens voor hen op de grond; en er waren veel meer levens dan er zielen aanwezig waren, en van allerlei soorten. . . . Er waren levens bij als tirannieke heerser, waarbij sommigen hun hele leven tiran bleven, maar bij anderen kwam hun heerschappij halverwege hun leven tot een einde en ze stierven in armoede, werden verbannen of raakten tot de bedelstaf; er waren ook levens van beroemde mensen, sommigen die beroemd waren op grond van hun lichamelijke schoonheid, hun kracht en succes bij wedstrijden, en weer anderen die geroemd werden om hun afkomst en de kwaliteiten van hun voorouders; en er waren er ook die juist berucht waren door hun slechte eigenschappen. . . . Allerlei kwaliteiten waren vertegenwoordigd en ze vermengden zich allemaal met elkaar, en dat gold ook voor factoren zoals rijkdom en armoede of ziekte en gezondheid; en er waren ook tussenliggende toestanden.

En hier, mijn dierbare Glaukoon, schuilt het allergrootste gevaar van de menselijke staat; en daarom moet men heel zorgvuldig te werk gaan. Laat ieder van ons alle andere vormen van kennis verwaarlozen en slechts één ding trachten te bereiken en volgen, indien hij misschien iets kan leren en iemand kan vinden die hem in staat stelt te leren en te onderscheiden tussen goed en kwaad, en zo overal en altijd het beste leven kan kiezen als de kans zich voordoet. Hij zal zich bovendien de invloed op de deugdzaamheid moeten realiseren van al deze zaken die afzonderlijk en collectief zijn genoemd; hij dient te weten wat het effect is van schoonheid in combinatie met armoede of rijkdom in een bepaalde ziel, en wat de goede en kwade gevolgen zijn van edele en nederige afkomst, van een vrij beroep of een openbaar ambt, van kracht en zwakte, van intelligentie en domheid, en van alle natuurlijke en verworven gaven van de ziel, en van de werking ervan wanneer ze met elkaar worden gecombineerd. Hij zal dan naar de aard van de ziel kijken en bepalen wat beter is en wat slechter. En zo zal hij kiezen en hij zal dat leven slecht noemen wat de ziel onrechtvaardiger zal maken, en een leven dat de ziel rechtvaardiger doet worden, zal hij goed noemen; alle andere dingen zal hij negeren. Want we hebben gezien dat dit de beste keuze is zowel tijdens het leven als na de dood. Iemand moet een onwrikbaar vertrouwen in de waarheid en het goede met zich meenemen naar de onderwereld, zodat hij ook daar niet wordt verblind door het verlangen naar rijkdom of andere verleidingen van het kwaad, opdat hij niet, als hij met tirannieën en dergelijke schurkerij te maken krijgt, onherstelbaar kwaad aan anderen doet en zelf nog erger zal lijden; maar laat hem weten hoe de middenweg te kiezen en zoveel mogelijk de extremen aan beide zijden te vermijden, niet alleen in dit leven maar bij alles wat nog moet komen. Want dit is de weg van het geluk.

En volgens het rapport van de boodschapper uit de andere wereld was dit wat de profeet toen zei:

Zelfs aan degene die het laatst aan de beurt is, wordt — als hij met wijsheid kiest en een leven van toewijding leidt — een gelukkig en niet onwenselijk bestaan toegekend. Laat degene die het eerst kiest niet nonchalant zijn, en laat de laatste niet wanhopen.

En toen hij uitgesproken was, kwam degene die de eerste keuze had naar voren en koos onmiddellijk de grootst mogelijke tirannie; omdat zijn geest verblind was geweest door dwaasheid en sensualiteit, had hij de hele zaak niet goed overwogen voordat hij zijn keuze maakte, en had eerst niet in de gaten gehad dat zijn lot, naast andere gruweldaden, inhield dat hij zijn eigen kinderen zou moeten verslinden. Maar toen hij tijd had om na te denken en zag wat zijn lotsbestemming was, begon hij op zijn borst te slaan en te weeklagen over zijn keuze, en hij vergat wat de profeet had verkondigd; want in plaats van de schuld van zijn ongeluk aan zichzelf te wijten, gaf hij de schuld aan het toeval en aan de goden, en aan alles behalve aan zichzelf. Nu behoorde hij tot degenen die uit de hemel waren gekomen, en zijn vorige leven had hij in een goedgeorganiseerde samenleving doorgebracht, maar zijn deugd was slechts een kwestie van gewoonte geweest, en hij had geen filosofie. . . .

Heel merkwaardig was het schouwspel, zei hij — zowel droevig als lachwekkend en eigenaardig; want de keuze van de zielen was in de meeste gevallen gebaseerd op hun ervaring uit een vorig leven. . . . Daar kwam ook de ziel van Odysseus, die nog een keuze moest maken, en zijn lot was om de laatste te zijn. Door de herinnering aan vroegere inspanningen had zijn ambitie haar betovering verloren, en hij was al een hele poos op zoek naar het leven van een gewone burger die geen zorgen zou hebben; hij had wat moeite om zo’n leven te vinden, dat ergens op de grond lag maar dat door ieder ander over het hoofd was gezien; en toen hij het zag, zei hij dat hij dezelfde keuze zou hebben gemaakt als zijn lot het eerste was geweest in plaats van het laatste, en dat hij er heel blij mee was. . . .

Alle zielen hadden nu een leven gekozen en ze gingen in de volgorde van hun keuze naar Lachesis [het verleden], die de genius met hen meezond die ieder respectievelijk had gekozen als bewaker van haar leven en om haar keuze ten uitvoer te brengen: deze genius leidde de zielen eerst naar Klotho [het heden] en trok hen binnen de omwenteling van de spinspoel die door haar hand draaiende werd gehouden. Aldus bekrachtigde hij ieders bestemming; en dan, wanneer ze daaraan waren vastgebonden, droeg hij hen naar Atropos [de toekomst], die de draden spon en zorgde dat ze niet meer waren terug te winden, waarna ze zonder zich om te keren onder de troon van Noodzakelijkheid doorgingen. En toen ze allemaal waren gepasseerd, marcheerden ze in een verzengende hitte naar de vlakte van de vergetelheid [Lethe], een dorre wildernis zonder bomen of groen; en dan, tegen de avond, kampeerden ze bij de rivier van de zorgeloosheid, waarvan het water door geen enkel vat kan worden vastgehouden; hiervan moest iedereen een bepaalde hoeveelheid drinken, en zij die daarvoor niet door wijsheid werden behoed, dronken meer dan nodig was; en iedereen vergat alles als hij ervan dronk.

Nadat ze zich te ruste hadden gelegd, brak er ongeveer om middernacht een onweersbui los vergezeld van een aardbeving, en in een ogenblik werden ze op allerlei manieren naar boven gedreven naar hun geboorte, als vallende sterren leek het wel. Hijzelf [Er] werd ervan weerhouden het water te drinken. Maar op welke manier en waardoor hij naar zijn lichaam terugkeerde, kon hij niet zeggen; de volgende ochtend echter, toen hij plotseling wakker werd, merkte hij dat hij op de brandstapel lag.

En aldus, Glaukoon, werd het verhaal bewaard en ging niet verloren, en het zal ons redden indien we gehoorzamen aan de woorden die zijn gesproken; en we zullen veilig de rivier van vergetelheid oversteken en onze zielen zullen niet bezoedeld raken. Daarom is mijn advies dat we ons altijd houden aan de weg van de hemel en altijd het pad van rechtvaardigheid en deugd volgen en eraan denken dat de ziel onsterfelijk is en in staat om goed en kwaad van iedere aard te verdragen.

Op die manier zullen we elkaar en de goden dierbaar zijn, zowel tijdens ons verblijf hier als wanneer we, net als overwinnaars in een spel die rondgaan om giften in ontvangst te nemen, onze beloning ontvangen. En het zal goed met ons gaan, zowel in dit leven als tijdens de duizendjarige pelgrimstocht die we hebben beschreven.

 
Oude culturen/beschavingen en hun spirituele tradities: Griekenland
 
Griekse filosofie
 

Uit het tijdschrift Sunrise nov/dec 1998

© 1998 Theosophical University Press Agency