Toen ik voor het eerst bij de theosofische beweging betrokken raakte,
had ik alleen de theosofische boeken en H.P. Blavatsky’s kennis
van haar grote leraren om op te vertrouwen. Maar sinds die tijd heb
ik zelf het bewijs ervaren van die waarheden die theosofie verkondigt
over het bereiken van een staat van volmaaktheid zover die in één
aards leven kan worden bereikt. Dit feit van de relatieve menselijke
volmaaktheid werd me onthuld door een persoonlijke ontmoeting met zo
iemand — een van onze grote leraren. Wat ik u vertel is niet het
resultaat van fantasie, of van dromen, of van begoochelingen, of van
een verbeelde zelfingenomenheid over mijn geestelijk onderscheidingsvermogen.
Maar ik vertel u wat er gebeurde en wat ik zag en wat ikzelf heb geleerd.
Enkele jaren geleden, op mijn eerste tournee door Egypte en India,
ontving ik een uitnodiging om een grote leraar te ontmoeten. Ik ontmoette
deze grote figuur in India. Vroeg in de ochtend vóór de
zon was opgekomen kreeg ik bezoek van de chela van de leraar, die vier
bedienden en een speciale escorte met hun open palankijn meebracht.
De chela trad op als gids en ik ging met mijn dienstmeisje naar buiten
en omhoog de bergen in, de berg op en de berg op — de hitte van
de dag kunt u zich niet voorstellen. Na mijlen te hebben gereisd, kwamen
we op het middaguur bij een haast onvoorstelbare hoogte. Alles leek
klein en onbetekenend, behalve de grote bergketen. Als men dit wonderlijke
panorama overziet, kan men begrijpen hoe gemakkelijk het zou zijn voor
iemand die de hele tijd daarboven woonde om hoge aspiraties en grote
denkbeelden te hebben en te groeien en koninklijk en voortreffelijk
te worden.
 |
| Katherine
Tingley in Darjeeling, India, 1896 |
In mijn geest was ik voorbereid, zoals u misschien ook zou zijn, om
iets heel opmerkelijks te zien — een of andere verbazingwekkende
manifestatie. Maar toen ik deze persoon bereikte, stond hij tegen een
boom te leunen met een Engels knipmes in zijn hand — hij was een
klein stuk hout aan het snijden. Toen hij me zag kwam hij om me te begroeten,
en vroeg me hem voor korte tijd te excuseren omdat een van de ossen
waarmee een van de chela’s aan het ploegen was een verwonding
had opgelopen aan zijn nek en hij probeerde het juk te repareren.
Ik keek de man recht aan. Zelfs in de tijd van H.P. Blavatsky werd
hij geacht in jaren heel oud te zijn, maar hij zag er heel jong uit
toen ik hem zag. Ik zou zeggen dat hij niet ouder dan twee- of drieëndertig
jaar was. Hij scheen een Tibetaan te zijn, met een donkere huid. Zijn
gezicht was anders dan elk dat ik ooit eerder had gezien. Zijn hele
leven was stralend door een innerlijk licht dat kleur gaf aan zijn gelaatstrekken,
zijn ogen helderder maakte, en hem een gloed van jeugdigheid gaf en
een schitterend karakter. Men kon niet alleen naar zijn gelaat kijken:
zijn gehele figuur vroeg aandacht. Toch was hij in zijn optreden bescheiden.
Hij vestigde mijn aandacht op de ploeger, een van zijn eigen chela’s,
zei hij. ‘U weet dat de vrouwen hier in India de voeten van de
pelgrims wassen en zalven? Welnu, zijn voeten zijn na de langste dagreis
nog nooit door de weg gewond of beschadigd geraakt. En waarom? Omdat
hij nooit tegen de afstand opziet of daaraan denkt, maar blijmoedig
op weg gaat; en nooit komt het in hem op zich te kwellen over de vraag
of hij misschien de weg is kwijtgeraakt of een verkeerde afslag heeft
genomen of zoiets. Zijn geest is zo vervuld van de vreugde van het geestelijke
leven dat hij werkelijk zijn lichaam voor hem lichter maakt!’
‘De atomen van het menselijk lichaam worden in de regel omlaaggehaald
door de last van het denken — nutteloze gedachten, vooroordelen
en angsten. Ze ondergaan ieder ogenblik reeksen veranderingen, onder
invloed van de gedachten van het brein. Gebrek aan vertrouwen, gebrek
aan inspiratie waar mensen aan lijden — hopeloosheid — brengen
deze atomen halverwege de dood. Maar ze kunnen worden bezield tot een
soort onsterfelijkheid door het vuur van het goddelijke leven en afgestemd
op de universele harmonie. Overal zouden mensen verlost kunnen worden
van die grote last van onnodige zaken en zich gedragen zoals die jonge
chela doet, als ze mentaal in evenwicht verkeerden.’
‘Als u van hier op reis moest naar Amerika’, vervolgde
hij, ‘zou u niet stilzitten en dromen over de plaats waar u naartoe
wilt en denken dat dat voldoende is. Het probleem van sommige theosofische
aspiranten is dat ze hun levenskracht verspillen door naar het doel
in de toekomst te zien, in plaats van naar de nu aanbrekende momenten
en seconden waaruit het pad bestaat, waardoor hun betere zelf uitgeput
raakt. Ze zouden in ieder komend moment een stralende gedachte moeten
toelaten en onverschillig staan tegenover de dag van morgen. In ieder
ogenblik kan men, als men dat wil, de deur vinden naar werelden van
gouden kansen, de poort tot een glorieus pad dat zich uitstrekt tot
in het onbeperkte eeuwige. . . .’
‘Waartoe de ziel ons aanspoort is om ons af te wenden van het
materiële gebied van handelen en denken en de persoonlijkheid,
en ons te begeven in de verborgen grootse werkelijkheden van het leven
en te begrijpen dat in ons en boven ons en om ons heen, en in de atmosfeer
waarin onze gedachten en gevoelens zich bevinden, het universele leven
onophoudelijk klopt in antwoord op onze verlangens en vragen. Wanneer
mensen zeggen dat ze het geluk zoeken, bedoelen ze dat ze streven naar
dat stadium in hun evolutie waarin hun huidige problemen zijn opgelost.
Om dat te bereiken, moet men zich terugtrekken uit de verlokkingen van
het leven en al zijn uiterlijke en ontmoedigende aspecten en zichzelf
vinden in de eenzaamheid van zijn eigen wezen, in de onverbreekbare
stilte in zijn eigen hart en denken.’
‘Het uiterlijke leven is vergankelijk: hij moet de innerlijke
kracht verwerven en leven in de geest die eeuwig is. Hij kan dat licht
niet als een vrije ziel binnentreden zonder te hebben geleerd zich te
concentreren, en in deze tijd zijn er velen die verkondigen daarin les
te kunnen geven, het te kunnen onderrichten en zij vormen sekten, geven
cursussen en vragen daar geld voor. Uiteindelijk kunnen ze hun slachtoffers
alleen maar van de werkelijkheid wegleiden, verder en verder weg van
het ware zelf in hen. Want concentratie is een vermogen dat in het zelf
besloten ligt en dat boven het denken uitgaat: het kan niet in de objectieve
wereld worden gevonden, want daar is het niet. Het koninkrijk der hemelen
is op aarde en de poorten ervan moeten in het hart van de mens worden
gezocht en ontdekt.’
‘Daarom moet de aspirant niet aan het ontwikkelen van vermogens
denken, maar leven in het licht en de kracht van zijn eigen hogere natuur.
De goddelijke wet is in iedere man en vrouw en ieder moet die daar zelf
vinden en in zijn leven tot uitdrukking brengen. Niemand kan zuiver
water in vuil water gieten en ervoor zorgen dat het toch zijn zuiverheid
behoudt. Onbaatzuchtigheid leidt tot succes en zelfzucht tot mislukking:
de mogelijkheden van de mens staan in directe verhouding tot zijn vermogen
verder te zien dan zichzelf en voor anderen te voelen. . . .’
‘Als men na het ontwaken uit de slaap zijn gedachten onmiddellijk
op uiterlijke zaken richt, verliest men de helft van het leven van die
dag. Men zou in de ochtend moeten ontwaken met een mooie gedachte, zich
moeten herinneren dat de dagelijkse strijd vóór hem ligt
en dat de god in hem een kort moment zou willen overleggen met de ziel
voordat de zware plichten van de ochtend beginnen.’
‘Hij zou in de stilte en het zonlicht van de eerste uren iets
moeten vinden dat zich verbindt met zijn eigen hogere natuur en dat
bloemen en vruchten voortbrengt. Hij zou zich in de ochtend in het zoete
zonlicht moeten bevrijden en de dag zo vredig beginnen alsof hij een
klein kind uit zijn slaap wekt, en de meer oprechte en edele kant van
zichzelf naar buiten brengen — ik bedoel niet naar buiten brengen
in woorden en taal, maar in gedachten die de rijkdom en volheid van
de geest benaderen en waarbij men ieder moment dat de god zich in hem
verheft deze tot bloei laat komen. Als hij daarna de moeilijkste plicht,
waarvan hij weet dat het zijn plicht is, aanpakt en volbrengt,
zal hij het geheim leren kennen om waakzaam te zijn en na korte tijd
zal hij, zonder zich ervan bewust te zijn, alle lasten die hem hinderden
van zich hebben afgeworpen. Velen werken hard en gewetensvol om van
deze lasten te worden bevrijd: het is niet nodig er één
seconde aan te besteden. Men hoeft slechts de twijfels en bange vermoedens
opzij te zetten om de kamers van de ziel te betreden, en zich te koesteren
in het zonlicht en de kracht die daar zijn te vinden.’
‘De eerste drie uur van de dag,’ vervolgde hij, ‘bieden
de beste gelegenheid. Wie niet opstaat met de zon verliest een ontzaglijke
hoeveelheid kracht. Wie opstaat vóór de zon en bij het
aanbreken van de dag zijn plichten van dit gebied heeft volbracht en
wat nodig is voor de verzorging van het lichaam en gereed is bij zonsopkomst
naar buiten te gaan en met de zon te werken, krijgt de medewerking van
een kracht waarover hij maar weinig weet — het heldere blauwe
licht achter de zon.’
‘Het probleem van veel van onze aspiranten is dat ze vaak met
de letter beginnen en teruggaan op zoek naar de geest. Maar laten zij
zich in de stilte aan deze dingen houden en in hun hart een grootse
toekomst scheppen, en alleen, in de ochtend, de stilte van de natuur
ingaan. Laten ze zich bevrijden van hun oude smartelijke herinneringen
en van alle eventueel komende moeilijkheden, en zich eenmaken met dat
licht in de natuur. En het zal hen geen kwaad doen zo nu en dan met
verwondering op te zien naar de sterren, of met vreugde te luisteren
naar het zingen van de vogels of hele dagen in stilte door te brengen,
nadenkend over deze heilige zaken, terwijl ze alle plichten die op hun
weg komen vervullen.’
Ik stelde niet veel vragen omdat ik merkte dat hij die voorzag —
vragen waarop ik een antwoord zocht sinds ik lid werd van de Theosophical
Society, vooral hoe ik aan de enorme verantwoordelijkheden die ik op
me nam toen ik voor het leven werd benoemd tot Leader van de Society
het hoofd kon bieden — de verantwoordelijkheid om deze Society
van aspiranten voor geestelijke wijsheid en kennis te leiden op een
moment dat ik op een of twee leden van de Society na voor iedereen onbekend
was.
Hij verwees naar voorvallen in mijn eigen verleden die ik bijna was
vergeten — gebeurtenissen waardoor ik toen stappen in deze of
gene richting zette, en die er tenslotte toe leidden dat ik W.Q. Judge
ontmoette en uiteindelijk tot het aanwijzen van mij als zijn opvolger
om de Society te leiden. Judge had me zien werken tussen de armen uit
de sloppenwijken van de East Side van New York, waarbij ik probeerde
de ongelukkigen te helpen en op een eerlijke en vastbesloten manier
enkele van hun lasten te verlichten.1
Dat was voor mij op zichzelf al een enorme inspanning. Het scheen me
op dat moment toe dat het zowat de grens was van wat ik zou aankunnen.
Maar hier was een man die was gegroeid in harmonie met de hogere uitdrukkingsvormen
van het leven, waar hij zijn hele wezen op had afgestemd in volledige
zelfvergetelheid. Wij hebben allen diezelfde kans, maar hij was een
grote ziel en verwelkomde deze kans en trok er dagelijks zijn voordeel
van.
We moeten allen, vroeg of laat, gaan geloven in de verbazingwekkende
vermogens van de geestelijke ziel van de mens. We moeten allen vroeg
of laat de diepten van onze eigen natuur peilen en daarin de koninklijke
talisman van wijsheid en waarheid ontdekken. Dit vond ik bij en in deze
grote leraar. Juist toen ik daar bij hem stond, en door de grote kracht
van zijn tegenwoordigheid ontdekte — en het kwam tot me als een
verlichting — dat er inderdaad iets in me was dat meer was dan
alleen verstandelijkheid, dat er een vitale, latente kracht in me was
die verlangde om naar buiten te komen en me te inspireren om dingen
te bereiken die ik nooit eerder had gedaan. Het scheen me toe alsof
ik tevoren nooit werkelijk had geleefd, en nooit zoveel over het leven
had geweten als wat ik toen wist. Dit was de grote dag van mijn leven
— een dag van grote belofte voor mijn werk voor de hele mensheid.
Sindsdien heb ik het gevoel dat het gemakkelijk zou zijn door het vuur
te gaan en lijden en vervolging te ondergaan en wat dan ook om de boodschap
van theosofie in de wereld te bevorderen. Deze geest van moed in me
is niet aan mijzelf toe te schrijven; ze kwam tot me doordat ik in tegenwoordigheid
verkeerde van deze grote leraar en doordat ik door hem besefte tot welke
hoogten een waarachtig mens kan reiken.
Noot
- Zie ‘Mijn eerste ontmoeting met William Quan
Judge’, De
Goden wachten op ons, blz. 69-74.