Oorspronkelijk verschenen in Lucifer:
The Lightbringer, Theosophical University Press, Point Loma, mei-juni
1931, blz. 130-1.
(Uit aantekeningen gedicteerd door Katherine Tingley,
juli 1902)
De vrijheid van één deel van onze natuur vereist altijd
de gebondenheid van een ander deel. In de klassieke scholen rond de
tempels van de mensen uit de oudheid waren leraren en leerlingen zich
hiervan volledig bewust, en de laatsten onderwierpen zich vrijwillig
aan de meest strikte zelfcontrole en beheersing van hun gewoonten en
optreden naar buiten toe. Ze onderwierpen zich vrijwillig; ze offerden
zichzelf aan de discipline omdat ze wisten dat alleen daardoor de vrijheid
van hun hogere natuur tot stand kon komen, de bloei van hun hogere vermogens.
Daarom brachten ze zichzelf onder de hoede van een leraar die ze volkomen
hadden leren vertrouwen.
Deze relatie tussen leraar en leerling werd meteen een die uniek was.
Er was geen sprake van een bewustzijn dat een ander bewustzijn domineerde;
de leraar had dat nooit op het oog, en zorgde ervoor dat het niet zou
gebeuren. Op die manier zou de leerling zijn mogelijkheden niet volledig
kunnen ontwikkelen. Het was zijn doel om op te klimmen tot het bewustzijn
van zijn leraar en het te assimileren, maar de relatie leek nooit op
die van hypnotiseur en gehypnotiseerde; daar was geen sprake van. De
leerling bleef zichzelf; weefde zijn eigen patroon uit zichzelf; bereikte
een steeds volmaaktere vrijheid.
Wat het dagelijks leven betreft, hoefde de leerling als hij eenmaal
was aangenomen zich niet meer bezig te houden met het verdienen van
de kost. Zijn dagelijks werk lag voor hem en hij had daarmee een dubbele
betrekking. Het betrof zijn bestaande kwaliteiten, vroegere gewoonten
en temperament; en ten tweede was het ontworpen om kwaliteiten tevoorschijn
te roepen die hij nodig had maar die hij miste.
Wat betreft het aan hem opgedragen werk, werd van hem verwacht dat
hij de leraar vertrouwde; en niet alleen het werk trouw uitvoerde, niet
alleen met volkomen kalmte en tevredenheid, niet alleen met uiterste
inspanning van elk daarbij betrokken zintuig, maar ook met een zeker
enthousiasme. En er werd van hem verwacht dat hij altijd bereid was
het zonder het te betreuren op te geven voor ander werk. En zijn dagelijkse
gewoonten werden zo vorm gegeven dat hij zelf aan de zorg ervoor een
minimum aan mentale energie hoefde te besteden. Deze economische manier
van werken bracht hij tot stand door eenvoudig aan de wijze voorschriften
te gehoorzamen. Zijn geest was daardoor vrij voor andere zaken.
Het vertrouwen dat hij in de leraar had, en — als hij zich waardig
toonde — de leraar in hem, brachten een innige en heilige mentale
band voort die met ruimte en woordelijke communicatie niets te maken
heeft. In zekere zin werd het denken van de leraar voor hem opengesteld,
zodat hij mocht nemen wat hij kon. Draden gereed voor het weven, draden
nodig voor het patroon, om in zijn eigen denken te weven en er zijn
eigen kleur aan te geven, werden hem zo aangeboden, die hem onder andere
omstandigheden misschien jaren of levens van ervaring en pijn hadden
gekost, om ze aan de ruwe massa die het leven biedt te onttrekken en
zelf te spinnen. In ruil daarvoor ontving de leraar energie voor zijn
werk en zelfs bescherming door de sfeer van vertrouwen en liefde die
de leerlingen rondom hem in stand hielden.
De hele regeling was er daarom één van efficiënt
gebruik van zowel tijd als energie. De leerling bevond zich, om zo te
zeggen, in een geestelijke broeikas. De ervaringen van een volledig,
langzaam voorbijgaand leven werden samengeperst in een jaar, een maand,
een dag. Want de onderlinge verhoudingen van de leerlingen stonden onder
toezicht van de leraar en werden voortdurend veranderd, groepen werden
gevormd en weer uit elkaar gehaald, nieuwe combinaties werden voortdurend
tot stand gebracht, zodat voor een maximum aan ervaring in zo kort mogelijke
tijd werd gezorgd.
Wanneer we bedenken dat bijna alles wat we uit het leven verkrijgen,
al onze ervaringen, al onze vreugde en pijn, voortkomt uit onze omgang
met elkaar, kunnen we inzien dat het in de grote tempelscholen voor
de leraar mogelijk was om in een korte periode alle ervaringen van een
diepgaande instructieve waarde samen te persen, waarin een volledig
traag leven in de wereld nauwelijks zou kunnen voorzien. Sommige van
deze ervaringen lijken de leerling misschien onrechtvaardig en onnodig.
Maar hij hoefde slechts te denken aan hoeveel van zijn levensgebeurtenissen
in de wereld, als hij daarin zou zijn, ook onrechtvaardig en onnodig
zouden schijnen. Toch zou hij wat betreft de waarde van deze gebeurtenissen
de Wet hebben vertrouwd— voor de diepe rechtvaardigheid en noodzaak
ervan. Hier vertrouwde hij ook op de Wet zoals die zich belichaamt in
de leraar, tot een brandpunt is gemaakt, sneller werkt, en in zijn werking
niet wordt verdund met rustplaatsen.
De intuïtie van de leerling vormde de enige geloofsbrieven van
de leraar; hij gaf geen andere. Als de leerling eenmaal in de leraar
een ziel herkende die ten opzichte van zijn ziel ver vooruit was, kwam
de betrekking tot stand en werd heilig. En beiden wisten dat als de
leerling op een gegeven moment in de toekomst zijn vertrouwen zou verliezen,
zijn hele natuur in verwarring zou raken. Hij aanvaardde de betrekking
in zijn volle bewustzijn vanwege de mogelijke beloning— het bereikte
doel. En de leraar was bereid de zorg op zich te nemen, wetende dat
als het de leerling lukte om zich een weg te banen naar het doel, er
nog een helper en leraar van de mensheid, nog een bewaker van de mysteriën,
zou zijn geboren— geboren en gelouterd in het vuur van de ervaring.