Een levend, bewust heelal
Sarah Belle Dougherty

 

Wetenschappers beschrijven het heelal steeds vaker als hiërarchisch of holarchisch, dat wil zeggen dat alles is samengesteld uit kleinere organismen, maar toch meer is dan de som van de delen. Is dit ‘meer’ het leven en het bewustzijn dat zich uitdrukt door middel van een bepaalde groep kleinere delen? Een groeiend aantal onderzoekers beschouwt bewustzijn als fundamenteel, in plaats van als een bijproduct van de stof.

Als mensen zijn we samengesteld uit organen, die op hun beurt bestaan uit levende cellen. Maar elk orgaan is meer dan een verzameling cellen, zoals wij meer zijn dan een verzameling organen. Cellen zijn heel complex, samengesteld uit vele organellen, waarvan sommige oorspronkelijk heel onafhankelijk waren, maar nu symbiotisch binnen de cel leven. Zulke onderlinge verbanden bestaan tot in de subatomaire gebieden zover ons onderscheidingsvermogen reikt. Als we in de andere richting kijken, zijn we als een weefsel of orgaan van de aarde dat is opgebouwd uit menselijke cellen. Maar we hebben niet ontdekt wat onze rol is of hoe we doeltreffend met de aarde als organisme kunnen samenwerken. De planeet maakt deel uit van het zonnestelsel, dat een klein gedeelte is van het melkwegstelsel. Melkwegstelsels vormen clusters en deze clusters vormen structuren.

Langzaam wint de oude opvatting van de hemelen die vol zijn met levende wezens weer terrein. Als we bewustzijn op een kosmische schaal denken, kan het denkbeeld van een persoonlijke godheid bij ons opkomen. Maar hoe zou een wezen in een van onze cellen ons bewustzijn zien? Met zijn uiterst kleine tijdschaal zou het maar een klein stukje van onze activiteit kunnen waarnemen. Misschien zouden in de loop van verschillende generaties regelmatige lichaamsritmen worden opgemerkt. Maar wat zou het kunnen weten over onze bewustzijnstoestand? Hoe zou het kunnen zeggen of we het bewustzijn hebben van een boeddha, iemand die kwaad doet, een dier, plant of mineraal?

Het is evenzo wanneer wij het heelal in kijken. Of de melkwegstelsels die we zien het lichaam vormen van een verheven geestelijk wezen, of het equivalent van een superkosmisch kristal of stukje vuil, kunnen we niet weten. Hoe kunnen we dan aan dit bewustzijn persoonlijke interesse in aardse zaken toeschrijven?

Dat een ster of cel bewust is betekent niet dat deze menselijk bewustzijn heeft. We verkeren niet in een positie om het bewustzijn te kennen van niet-menselijke bewoners van de aarde of van het ruimere heelal, tenzij we ons afstemmen op een meer universele bewustzijnsfrequentie. En wat zijn leven en bewustzijn op en uit zichzelf? Evenals stof en energie equivalent en in elkaar om te zetten zijn, zo kunnen bewustzijn en substantie de twee kanten zijn van één achterliggende eenheid. In plaats van alles af te leiden van stof, zou het nauwkeuriger zijn te stellen dat er een onkenbare eenheid achter alle manifestatie ligt, die zich tot uitdrukking brengt door middel van leven-bewustzijn-substantie als drie aspecten ervan. Als alles in het melkwegstelsel zijn oorsprong heeft in de eenheid achter deze onafscheidelijke drieëenheid, dan zijn wij allen uitdrukkingen op verschillende niveaus van ontvouwing van die oorspronkelijke oorzaak. We kunnen die oorzaak herleiden tot we een punt bereiken waar het menselijke begrip tekortschiet, en we moeten haar aanduiden als ‘onbekend’ en ‘onkenbaar’.

Omdat wij allen ondergeschikte delen zijn van verschillende meeromvattende wezens – aarde, zonnestelsel, melkwegstelsel, en zo verder zonder einde – vormen we samen een eenheid of universele broederschap, en naarmate de tijd voortschrijdt moeten we leren met elkaar en met alles om ons heen samen te werken, en met de grotere wezens die we helpen vormen. En tegelijkertijd moeten we de verantwoordelijkheid nemen voor de invloed die onze gedachten en daden hebben op de bijna oneindigheid van kleinere wezens die ons samenstellen, van cellen tot atomen, fysieke en psychische, mentale en geestelijke.

     – Uit Theosophy Northwest View, juni 1998

 
Andere artikelen over sterrenkunde en kosmologie
 

Uit het tijdschrift Sunrise jan/feb 1999

© 1999 Theosophical University Press Agency