Wetenschappers beschrijven het heelal steeds vaker als hiërarchisch
of holarchisch, dat wil zeggen dat alles is samengesteld uit kleinere
organismen, maar toch meer is dan de som van de delen. Is dit ‘meer’
het leven en het bewustzijn dat zich uitdrukt door middel van een bepaalde
groep kleinere delen? Een groeiend aantal onderzoekers beschouwt bewustzijn
als fundamenteel, in plaats van als een bijproduct van de stof.
Als mensen zijn we samengesteld uit organen, die op hun beurt bestaan
uit levende cellen. Maar elk orgaan is meer dan een verzameling cellen,
zoals wij meer zijn dan een verzameling organen. Cellen zijn heel complex,
samengesteld uit vele organellen, waarvan sommige oorspronkelijk heel
onafhankelijk waren, maar nu symbiotisch binnen de cel leven. Zulke
onderlinge verbanden bestaan tot in de subatomaire gebieden zover ons
onderscheidingsvermogen reikt. Als we in de andere richting kijken,
zijn we als een weefsel of orgaan van de aarde dat is opgebouwd uit
menselijke cellen. Maar we hebben niet ontdekt wat onze rol is of hoe
we doeltreffend met de aarde als organisme kunnen samenwerken. De planeet
maakt deel uit van het zonnestelsel, dat een klein gedeelte is van het
melkwegstelsel. Melkwegstelsels vormen clusters en deze clusters vormen
structuren.
Langzaam wint de oude opvatting van de hemelen die vol zijn met levende
wezens weer terrein. Als we bewustzijn op een kosmische schaal denken,
kan het denkbeeld van een persoonlijke godheid bij ons opkomen. Maar
hoe zou een wezen in een van onze cellen ons bewustzijn zien? Met zijn
uiterst kleine tijdschaal zou het maar een klein stukje van onze activiteit
kunnen waarnemen. Misschien zouden in de loop van verschillende generaties
regelmatige lichaamsritmen worden opgemerkt. Maar wat zou het kunnen
weten over onze bewustzijnstoestand? Hoe zou het kunnen zeggen of we
het bewustzijn hebben van een boeddha, iemand die kwaad doet, een dier,
plant of mineraal?
Het is evenzo wanneer wij het heelal in kijken. Of de melkwegstelsels
die we zien het lichaam vormen van een verheven geestelijk wezen, of
het equivalent van een superkosmisch kristal of stukje vuil, kunnen
we niet weten. Hoe kunnen we dan aan dit bewustzijn persoonlijke interesse
in aardse zaken toeschrijven?
Dat een ster of cel bewust is betekent niet dat deze menselijk
bewustzijn heeft. We verkeren niet in een positie om het bewustzijn
te kennen van niet-menselijke bewoners van de aarde of van het ruimere
heelal, tenzij we ons afstemmen op een meer universele bewustzijnsfrequentie.
En wat zijn leven en bewustzijn op en uit zichzelf? Evenals stof en
energie equivalent en in elkaar om te zetten zijn, zo kunnen bewustzijn
en substantie de twee kanten zijn van één achterliggende
eenheid. In plaats van alles af te leiden van stof, zou het nauwkeuriger
zijn te stellen dat er een onkenbare eenheid achter alle manifestatie
ligt, die zich tot uitdrukking brengt door middel van leven-bewustzijn-substantie
als drie aspecten ervan. Als alles in het melkwegstelsel zijn oorsprong
heeft in de eenheid achter deze onafscheidelijke drieëenheid, dan
zijn wij allen uitdrukkingen op verschillende niveaus van ontvouwing
van die oorspronkelijke oorzaak. We kunnen die oorzaak herleiden tot
we een punt bereiken waar het menselijke begrip tekortschiet, en we
moeten haar aanduiden als ‘onbekend’ en ‘onkenbaar’.
Omdat wij allen ondergeschikte delen zijn van verschillende meeromvattende
wezens – aarde, zonnestelsel, melkwegstelsel, en zo verder zonder
einde – vormen we samen een eenheid of universele broederschap,
en naarmate de tijd voortschrijdt moeten we leren met elkaar en met
alles om ons heen samen te werken, en met de grotere wezens die we helpen
vormen. En tegelijkertijd moeten we de verantwoordelijkheid nemen voor
de invloed die onze gedachten en daden hebben op de bijna oneindigheid
van kleinere wezens die ons samenstellen, van cellen tot atomen, fysieke
en psychische, mentale en geestelijke.
– Uit Theosophy Northwest View,
juni 1998