In deze tijd waarin de aandacht voor het materiële hoogtij schijnt
te vieren, verlangen steeds meer mensen naar een innerlijke ontwikkeling,
wanneer ze ontdekken dat materiële welvaart geen blijvende bevrediging
geeft. De mens heeft een diepere, onzichtbare kant die een hoger doel
nastreeft. Maar hoe kunnen we meer in het geestelijke leven? Door minder
in het stoffelijke te leven? Zo simpel is het zeker niet. Het is juist
verkeerd om de stof de rug toe te keren in de verwachting zo het geestelijke
gebied te betreden. Dit gebied is voor ons steeds beschikbaar en toegankelijk
en van daaruit kunnen we in meerdere of mindere mate ons denken en onze
handelingen op het materiële gebied richten.
Als we eenmaal diep zijn doordrongen van de wens om ons leven volledig
te wijden aan het welzijn van onze medemens, dan ontstaat het verlangen
het geestelijke pad te betreden en willen we ons steeds beter geschikt
maken om die wens te kunnen uitvoeren. In veel tradities vindt men een
opsomming van de regels die een aspirant voor het geestelijke pad moet
volgen. Het uit het hoofd leren van de voorschriften heeft maar beperkte
zin als het volgen ervan niet wordt begrepen. In de literatuur wordt
soms de uitwisseling tussen een leraar en leerling beschreven. Het kan
zijn dat de leraar aan die leerling precies die instructies
gaf die hij op dat moment nodig had. Als de leraar de lezer
van het verslag zou ontmoeten, zou hij misschien andere instructies
hebben gegeven. Natuurlijk zijn de illustraties van een leraar, bijvoorbeeld
Krishna, tijdgebonden en moeten we voor de interpretatie van zijn voorschriften
vaak de inhoud van zijn gesprekken vertalen naar de situatie in deze
tijd. De diepere leringen van verschillende leraren die op diverse momenten
in de geschiedenis zijn verschenen vertonen echter grote overeenkomsten.
Dat moet ook, want de waarheid – dat wil zeggen, de structuur
en de wetten van de kosmos – veranderen niet.
Voorschriften werken alleen als ze weerklank vinden in ons eigen denken.
We moeten zelf over die regels nadenken, totdat ze een deel van ons
worden en het volgen van de regels geen enkele moeite geeft omdat we
ze begrijpen. Om de betekenis van voorschriften en de functie van het
beoefenen van deugden beter te gaan begrijpen is kennis nodig en moet
men studeren. Het beoefenen van de deugden en het bestuderen van de
leringen vormen twee elkaar ondersteunende aspecten van één
pad. Voor beide aspecten is discipline vereist.
De paramita’s of verheven deugden, zoals ze in boeddhistische
literatuur worden genoemd, zijn te vinden in De Stem van de Stilte
van H.P. Blavatsky:
Dana, de sleutel van barmhartigheid en onsterfelijke
liefde.
Sila, de sleutel van harmonie in woord en daad, de
sleutel die oorzaak en gevolg in evenwicht brengt en geen verdere
ruimte laat voor karmische werking.
Kshanti, zachtmoedig geduld, dat door niets kan worden
verstoord.
Viraga, onverschilligheid voor genot en pijn, illusie
overwonnen, slechts de waarheid waargenomen.
Virya, de onverschrokken kracht die zich uit het
slijk van aardse leugens een weg baant naar de opperste waarheid.
Dhyana, waarvan de gouden poort eenmaal geopend,
de narjol [naljor1] naar het rijk van
het eeuwige Sat en zijn ononderbroken overpeinzing leidt.
Prajña, waarvan de sleutel een mens tot een
god verheft, hem tot een bodhisattva vormt, een zoon van de dhyani’s.
– Fragment III
Over de paramita’s wordt gezegd dat ze alle onderling met elkaar
samenhangen en dat als men één ervan volledig zou beheersen,
dat dan alle andere deugden daarbij een rol zullen spelen. Laten we
nu de eerste, dana, beschouwen, wat letterlijk ‘geven’
betekent. In Tibetaanse mahayanaboeddhistische toelichtingen2
wordt dana uitgesplitst in drie categorieën:
- vrijgevig zijn met materiële zaken;
- vrijgevig zijn met de dharma;
- het geven van onbevreesdheid aan anderen.
De eerste categorie spreekt voor zichzelf. De tweede omvat het geven
van de wijsheid en kennis van de boeddhistische leer. Tot de derde categorie
behoort bijvoorbeeld het redden van mensen bij een brand of uit het
water als ze dreigen te verdrinken.
Men zou deze opsomming een exoterische uitwerking kunnen noemen van
de deugd dana. Als we deze echter in verband brengen met het denkbeeld
atmavidya, dan kan dit een enorme uitbreiding betekenen van
de deugd van het geven. Atmavidya betekent ‘kennis van atman’
of van het zelf. De Sanskrietterm is te vergelijken met de oude Griekse
aansporing ‘Mens ken uzelf’.
In de Bhagavad Gita komen we de uitdrukking tegen ‘Ken
het ZELF door het zelf’. Men kan het beoefenen
van de deugd van het geven dan uitbreiden in die zin dat een mens zijn
zelf geeft, zichzelf geeft. Zijn zelf opgeeft voor het grotere zelf
waar hij deel van uitmaakt. Dit grotere deel is die kern die dezelfde
is voor alle mensen. Het geven wordt dan een offer van het onderdeel
aan het grotere geheel. Hiermee krijgt de eerste paramita een extra
dimensie. In plaats van het opgeven van het zelf, wat op het eerste
gezicht een negatieve klank heeft, blijkt nu dat deze deugd verwijst
naar het doel van alle inwijding.
Hoewel het geven van onszelf misschien wel het meest inspirerende facet
van dana vormt, zijn er tal van meer alledaagse toepassingen van geven.
Als we bijvoorbeeld geduld oefenen, geven we tijd. Als we naar
iemand luisteren, geven we tijd en aandacht. We kunnen de medemens
de ruimte geven door zijn activiteiten te ondersteunen. Het is belangrijk
dat we niet proberen een inzicht dat we zelf zojuist hebben opgedaan
aan een ander op te leggen. Verheug je in de resultaten van een werkwijze
die niet de jouwe is of niet de jouwe kan zijn. Verantwoordelijkheden
en vertrouwen kunnen we geven. We kunnen vertrouwen op de essentiële
goddelijkheid van de ander. Geven en nemen vullen elkaar aan, en het
vergt vaak een goed onderscheidingsvermogen en een gevoel van timing
om aan te voelen wat men moet doen en wat men moet laten.
De tweede deugd bij het beoefenen van discipline krijgt nu veel directere
betekenis. Deze paramita, sila, is ‘de sleutel van harmonie
in woord en daad, de sleutel die oorzaak en gevolg in evenwicht brengt
en geen verdere ruimte laat voor karmische werking’. Dit brengt
ons bij de kernvraag: Hoe kan men in het dagelijks leven goed handelen?
Wat is goed handelen? Door de ruimere betekenis van dana te volgen,
wordt die harmonie in woord en daad begrijpelijk en praktisch toepasbaar.
Als we het zelf aan het grotere zelf geven, handelen we voor het geheel
dat alle mensen omvat. Als we proberen zo goed mogelijk rekening te
houden met de mogelijkheden en wensen van anderen en hen met respect
behandelen, groeit zowel innerlijke als onderlinge harmonie. We gaan
inzien dat we de beschermers van elkaar zijn. Dit harmonisch handelen
van de tweede paramita is dus op te vatten als een vorm van geven.
Een volgend aspect van discipline betreft de derde paramita, kshanti
of geduld. Ook nu bezien we deze deugd vanuit de achterliggende gedachte
van het geven van het zelf voor het Zelf. Tijd vormt een beperking die
hoort bij het kleine zelf. Geduld is een deugd waarbij we proberen ons
los te maken van het beperkte van onze persoonlijkheid, het beperkte
van de door onszelf geschapen illusie van een klein afgescheiden persoontje
dat alleen een kort stukje tijd kan overzien. In het boeddhisme wordt
geduld genoemd als middel of tegenkracht tegen boosheid. Boosheid treedt
op door onwetendheid als we verstrikt zijn geraakt in tal van illusies.
Een van de grootste illusies is als we onze persoonlijkheid zien als
iets dat gescheiden en onafhankelijk bestaat van de andere mensen en
de kosmos.
Het beoefenen van geduld betekent het geven van tijd. Het bewust niet
handelen kan een oefening in geduld betekenen. William Q. Judge zegt
in dit verband:
Verricht al die handelingen, fysieke, mentale, ethische,
omdat ze moeten worden gedaan, en laat onmiddellijk alle interesse
ervoor los, offer ze op op het altaar. Welk altaar? Welnu, het grote
spirituele altaar, en dat is, als men dat wil, in het hart. Maar maak
daarbij nog altijd gebruik van een aards onderscheidingsvermogen,
voorzichtigheid, en wijsheid.
Niet dat je dwaas of stoutmoedig eropuit moet gaan
om te doen, te doen. Doe wat je vindt dat er te doen is.
Verlang er vurig naar om het te doen, en zelfs wanneer je er slechts
in zult slagen om kleine plichten te vervullen, enkele waarschuwende
woorden te zeggen, zal je sterke verlangen als een Vulcanus de harten
treffen in de wereld, en plotseling zul je dat zien gebeuren wat jij
had gehoopt te doen.
– Brieven die me hebben geholpen,
blz. 2
Vaak zien we dit inderdaad om ons heen gebeuren. We verlangen om een
bepaald werk te verrichten in de toekomst, maar hebben plichten waardoor
we nu eerst ander werk moeten afmaken. Intussen draait de tijd en de
wereld verder en misschien zien we een ander dat werk doen dat wij hadden
willen doen. Hierover moet men niet teleurgesteld zijn, integendeel,
als we ons de visie herinneren van het geven van het zelf voor het Zelf,
gaan we inzien dat onze wens in vervulling gaat, want de ander zijn
wijzelf.
Als we ons kunnen verheffen tot het niveau van dit Zelf, beoefenen
we viraga, dat letterlijk betekent ‘zonder kleur te geven’
of ‘zonder gevoel’ en dus ‘onverschillig’. We
zijn dan niet langer geïnteresseerd in het plezier en het leed
van maar één persoon, want wanneer we ons identificeren
met onze eigen gevoelens en hartstochten leven we in het kleine zelf.
Een van de deugden die in het boeddhisme vaak wordt genoemd, maar die
niet in het rijtje van de paramita’s staat, is vreugde. Het zich
verheugen in het succes van de ander is een van de heiligste vreugden.
Ze schenkt zoveel geluk en vrede – misschien wel meer dan wanneer
wijzelf onze eigen plannen zouden hebben uitgevoerd.
Door met de onverschrokken kracht van een vira of ‘held’
goede daden te verrichten voor de mensheid, beoefenen we de paramita
virya. In De Sleutel tot de Theosofie wordt de vraag
gesteld: ‘Beschouwt u zelfopoffering dus als een plicht?’,
waarop Blavatsky antwoordt:
Inderdaad; en we maken dit duidelijk door aan te
tonen dat altruïsme een onmisbare factor is voor zelfontwikkeling.
. . . Maar het is de plicht [van een mens] zijn gemak op te geven
en voor anderen te werken als die niet in staat zijn voor zichzelf
te werken. Het is zijn plicht alles te geven wat alleen hem toebehoort,
en waarvan niemand dan hijzelf voordeel heeft wanneer hij het zelfzuchtig
aan anderen onthoudt. – blz. 222-3
De laatste twee paramita’s dienen om ons te helpen een helder
inzicht in de werkelijkheid te verkrijgen, waarbij illusies worden doorzien.
Dhyana (of meditatie) en prajña (of intuïtieve
wijsheid) helpen ons om via de weg van diep nadenken en concentratie
tot het inzicht te komen dat altruïsme, zoals Blavatsky zegt, een
onmisbare factor is voor zelfontwikkeling. Alleen door het kleine zelf
op te offeren kunnen we opgaan in het grotere Zelf. Maar zolang wij
ons kleine zelf weigeren op te offeren, kiezen we in feite voor stof
en niet voor geest, en kunnen we onszelf noch anderen van dienst zijn.
Uit de volgende passage, geschreven door Judge aan Jasper Niemand,
blijkt hoezeer het lot van de mensen met elkaar is vervlochten:
Wees niet bang en geef het niet op omdat je je somber
en zwaarmoedig voelt. Alleen al de geestdrift die je voelt zal na
enige tijd het heiligdom doen breken dat het mysterie omhult. Niemand
kan je werkelijk helpen. Niemand kan jouw deuren openen. Jij hebt
ze op slot gedaan, en alleen jij kunt ze opendoen. Wanneer je een
deur opendoet, vind je daarachter anderen staan die je langgeleden
zijn gepasseerd, maar die nu daar wachten terwijl ze niet verder kunnen;
anderen wachten daar op jou. Dan kom jij, en als je een deur opent,
kunnen die wachtende discipelen misschien verdergaan. Wat een voorrecht
is dat, om te bedenken dat wij misschien hen kunnen helpen die groter
leken dan wijzelf!
– Brieven die me hebben geholpen,
blz. 2-3
Kunnen wij hen helpen die groter leken dan wijzelf? Zij behoren
tot het geheel waartoe ook wij behoren. Als wij vorderen en een ruimer
inzicht verwerven of groeien in bewustzijn, dan helpen we het geheel
en dus ook alle wezens daarin, zelfs hen die groter leken dan wijzelf.
De ethische regels zijn ons door de leraren van de mensheid gegeven
omdat ze ons een enorme verruiming van ons bewustzijn en van onze mogelijkheden
wilden geven. Ze zeiden in feite: ‘Pas dit toe, probeer dit uit,
kom tot ons.’ Maar tot nu toe hebben we nog maar een heel klein
begin gemaakt met het benutten van de ons geboden kansen. Door toewijding
en aspiratie kunnen we als het ware de armen naar hogere gebieden uitstrekken;
de paramita’s die ons als treden op het pad zijn gegeven dienen
te worden beoefend; pas als men ze beoefent kan men verdere hulp verwachten.
Het is te vergelijken met wiskunde. Men krijgt eerst allerlei formules
en dan komen de sommen. Als men de formules niet toepast in de sommen,
kan men die niet oplossen; en dan is het ook zinloos om formules van
nog hogere wiskunde te ontvangen.
Karma is een leer van hoop, een ethische sleutel waarmee we onze toekomst
kunnen beïnvloeden. We zijn namelijk ons eigen karma; we veranderen
voortdurend en aan dat proces dat steeds voortgaat kunnen we zelf richting
geven; de mens kan zichzelf verlossen; we scheppen nu onze toekomst.
Karma verandert volkomen van aard als het motief van ons handelen onzelfzuchtig
is. Zoals Judge zegt:
De reden waarom je hulp hebt gehad is omdat je die
in andere levens aan anderen hebt gegeven. Bij iedere poging die je
hebt gedaan om het denken van een ander te verlichten en te openen
voor de waarheid, werd je zelf geholpen. Die parels die je voor een
ander vond en aan hem gaf, heb je in feite door die daad van welwillendheid
voor jezelf behouden. Want als men op die manier leeft om anderen
te helpen, brengt men daarmee de regel in de praktijk om te proberen
‘alle gevoel van afgescheidenheid’ uit te roeien, en komt
zo beetje bij beetje in het bezit van het ware licht.
– Brieven die me hebben geholpen,
blz. 1
Noten
- Een heilige, een adept.
- Zie bijvoorbeeld The Bodhisattva Vow, Geshe
Kelsang Gyatso (1991), blz. 81-85; of Liberation in the Palm of
your Hand, Pabongka Rinpoche (1991), blz. 628-31.