De jongeman stond voor de oude man die gedurende zijn hele jeugd zijn
beste vriend was geweest. Hij was gekomen om vaarwel te zeggen voordat
hij zich bij de andere ridders zou voegen, op weg naar het slagveld
en naar roem. Zijn wapenrusting schitterde in de zon. Trots op zijn
vitaliteit en kracht vroeg hij de oude man om zijn zegen. De oude man
die zelf vele keren had gestreden, keek met meedogende ogen naar hem,
schudde bedroefd zijn hoofd en zei, ‘Overweeg het alsjeblieft
opnieuw mijn zoon, want op het pad dat je van plan bent te volgen, zal
je geen geluk vinden!’ Hierdoor verrast, vroeg de jeugdige zich
kort af wat de oude man hiermee kon bedoelen. Maar door zijn verlangen
naar avontuur en een onbesuisdheid die voortkwam uit een gebrek aan
ervaring, schonk hij er verder geen aandacht aan. Zelfverzekerd besteeg
hij zijn paard en reed van huis weg met niet veel meer dan een vluchtige
blik achterom.
 |
Met hoogwapperende vaandels vertrokken de ridders, een schitterende
groep, die iedereen die ze op hun weg tegenkwam uitdaagde. Gedreven
door hun verlangen naar overwinning en een diepe hartstocht om te vechten,
werd strijd na strijd geleverd. Hun roem verbreidde zich wijd en zijd
en de verhalen over hun confrontaties verloren niets in waarde wanneer
ze werden doorverteld! Maar een roekeloos vertrek eist zijn tol en sommigen
die op die dag samen waren vertrokken zouden nooit terugkeren. Anderen
kwamen wel terug, kreupel en verminkt. Vele overwinningen stonden op
hun naam, maar de prijs in mensenlevens en in het leed dat werd ondergaan
nam steeds toe.
De jaren verstreken en langzaam nam de hartstocht voor de strijd in
de jongeman af. Terwijl hij altijd gespitst was geweest op de volgende
confrontatie, had hij zijn wapenrusting nooit afgelegd, en hij vond
dat deze steeds zwaarder en zwaarder op zijn schouders begon te drukken.
Hij was niet meer zo enthousiast over zijn overwinningen of trots erop
zoals hij eens was geweest. Hij kon niet langer een duidelijk onderscheid
maken tussen het lijden van de overwinnaar of van de verslagene. Uiteindelijk
kwam er een dag waarop hij zich het huis herinnerde dat hij zovele jaren
geleden achter zich had gelaten. Terwijl de maanden voorbijgingen, ontwaakte
een voortdurend groeiend verlangen in hem om terug te keren naar die
rustiger manier van leven; toen herinnerde hij zich de oude man en zijn
waarschuwende woorden.
Tenslotte kwam er een dag waarop hij niet langer zijn gekozen weg kon
vervolgen. Hij steeg af en probeerde zijn wapenrusting af te leggen
om zijn last voor de reis naar huis te verlichten. Tot zijn ontzetting
ontdekte hij dat hij deze niet kon verwijderen. Hij haastte zich naar
de dichtstbijzijnde smederij en vernam vol afgrijzen dat het onmogelijk
scheen ook maar een stukje los te wrikken – de wapenrusting was
aan zijn lichaam vergroeid geraakt. Verbijsterd, maar meer vastbesloten
dan ooit, torste hij zijn nu hinderlijke lading ijzer en leer met zich
mee, en begon zijn reis naar huis. Keer op keer zocht hij naar hulp
om het omhulsel van zijn lichaam te verwijderen, maar niets en niemand
kon hem van zijn last bevrijden. Terwijl hij huiswaarts trok en de gebieden
van zijn vroegere confrontaties passeerde, begon hij zich de leegheid
van alles waarnaar hij had gestreefd te realiseren. Bij elke stap werd
hij overweldigd door de schaduwen van zijn verloren kansen. Waarom,
vroeg hij zich af, had hij toegestaan dat nutteloze eer en roem en de
zoektocht naar wereldse erkenning zijn onderscheidingsvermogen hadden
verblind? Met elke vermoeiende stap groeide het besef dat zijn wapenrusting
door zijn eigen handelingen aan zijn lichaam was gesmeed. Altijd in
de aanval, trots op zijn eigen kracht, was hij de liefdevolle vriendelijkheid
vergeten die zijn jeugd zo gelukkig had gemaakt. Nu, terwijl hij werd
gedwongen door de slagvelden van zijn verleden te lopen, woog de werkelijkheid
van het leed dat hij had veroorzaakt zwaar en een grote droefheid omhulde
hem.
Terwijl hij voortreisde begon hij zich bewust te worden van de weg
waarop hij zich bevond en van de mensen die zich met hem erop bevonden,
en zich allen bezighielden met hun eigen zaken. De dagen verstreken
en hij begon zich te ontspannen. Hij besteedde niet langer alleen aandacht
aan overwinningen en nederlagen uit het verleden, zijn huidige neerslachtigheid,
of verwachte toekomstige gebeurtenissen, hij ontdekte als nooit tevoren
dat de reis zelf interessant was geworden. Het land, dat hij zolang
had genegeerd, voorzag in zijn levensonderhoud, terwijl toevallige ontmoetingen
en gesprekken zijn dag vulden. ’s Nachts viel hij gemakkelijker
in slaap. Zijn haast om thuis te komen verminderde terwijl hij onderweg
dingen te doen vond – er was altijd iemand om hulp aan te geven,
een of andere behoefte waarin moest worden voorzien, een of ander nieuw
inzicht te verkrijgen uit het bruisende leven op de hoofdweg. Deze nieuwe
aangelegenheden namen hem nu volledig in beslag. Hij was zich nauwelijks
meer bewust van zijn wapenrusting zoals in het verleden en, wanneer
hij er toch aandacht aan besteedde, merkte hij dat het ijzeren pak lichter
en minder belemmerend was geworden.
Uiteindelijk kwam hij thuis. Al snel werd zijn eerste vreugde getemperd
toen hij hoorde dat de oude man tijdens zijn afwezigheid was gestorven,
dat de eens vruchtbare velden nu werden overwoekerd met onkruid en dat
het huis in verval was geraakt. Hoewel hij nu geen aandacht meer aan
zijn wapenrusting besteedde, werd hij lichamelijk nog steeds erdoor
belast, terwijl hij de zware taak begon de vervallen woning weer op
te bouwen. Eerst kon hij maar een klein stukje per keer doen, maar toen
groeide er een nieuwe kracht in hem en hij werkte vol vuur van de ochtend
tot de avond. Na verloop van tijd werd het huis opnieuw een warme, droge
thuishaven en het land dat door het onkruid was verstikt, bloeide op
tot de prachtige en vruchtbare velden uit zijn jeugd.
Terwijl hij steeds nadacht over zijn roekeloze vertrek al die jaren
geleden, nam hij nu tijd voor zijn omgeving. Het beeld van de ridder
die zijn akkers bewerkte werd een bekend tafereel. Kinderen, eerst een
beetje bang, kwamen nu ’s avonds om zijn verhalen te horen, terwijl
zijn vriendelijkheid en bereidheid iedereen die ernaar vroeg te helpen,
tot een legende uitgroeide. Terwijl de seizoenen kwamen en gingen, begon
langzaam de in onbruik geraakte wapenrusting stukje bij beetje van hem
af te vallen – wat hij niet met kracht had kunnen verwijderen
viel nu rustig van hem af door de roest van veronachtzaming. Met elk
stukje dat afviel, voelde hij een grote lichtheid van hart, een bevrijding
van al de vruchteloze waarden die de wapenrusting eens had vertegenwoordigd.
Toen kwam de dag dat de laatste stukken uiteindelijk afvielen –
de helm en het vizier – en de jongeman kon voor het eerst in vele,
vele jaren zijn spiegelbeeld zien. Tot zijn verbazing en verrukking
zag hij daar de oude man met zijn lange witte haar en vriendelijke ogen
die naar hem terugstaarde. Door de herkenning vervulde zijn ziel zich
met een grote vreugde en tevredenheid: hij was eindelijk thuisgekomen!