Wereldomvattende eenheid en de kunst*
Kathleen Raine

 
*Met toestemming van de schrijfster overgenomen uit Transition to a Global Society, blz. 151-56. De dichteres Kathleen Raine is redactrice van Temenos Review en een vooraanstaande autoriteit op het gebied van Blake en Yeats.      – Red.
 

We hebben, tijdens deze dagen van intensief denken, geluisterd naar vele wereldberoemde autoriteiten op het gebied van sociale en natuurwetenschappen, en we hebben hen horen spreken over de wetenschappelijke en technologische middelen die nu ter beschikking staan voor de overdracht van informatie die de hele planeet in een ‘wereldomvattende eenheid’ verbindt. Maar ik zal hier spreken namens de dichters; en poëzie is niet de taal van kwantificeerbare en berekenbare feiten, maar van de ziel, waarvan de betekenis en waarde onmeetbaar zijn. En ik heb me afgevraagd wat het nut is van al die communicatietechnieken, interdisciplinaire dialogen, en satellietoverdracht van bliksemsnelle informatie aan myriaden televisietoestellen over de hele wereld. In feite van heel die activiteit die ‘educatie’ wordt genoemd, en waar men zo prat op gaat en geen twijfels over heeft, tenzij we ons richten op de vraag die hier door John Huddleston en prof. Bushrui wordt gesteld.

Die vraag is de oudste van de wereld: ‘Wat is de Mens?’

Het antwoord dat Oedipus gaf op het raadsel van de sfinx over ‘Vier benen, twee benen, drie benen’ is bepaald simplistisch. Dus de natuurlijke mens kan worden gedefinieerd als dat waar T.S. Eliot mijn generatie aan herinnerde toen hij schreef dat ‘het leven op een krokodilleneiland slechts om drie dingen gaat: geboorte, paring en dood’. Maar de roep aan God van de psalmist,

Wat is de mens, dat gij rekening met hem houdt?
en de zoon des mensen, dat gij hem bezoekt?
Want gij hebt hem een weinig lager geschapen dan de engelen,
en hebt hem gekroond met glorie en eer

betreft de mens als een levende geest, een mysterie.

William Blake, de Engelse dichter-profeet, stelde zich eveneens die vraag, en zijn antwoord luidde: ‘de mens is òf de Ark van God, òf een fantoom gemaakt van water en aarde’. Voor Blake is de mens ongetwijfeld de drager van de goddelijke tegenwoordigheid. En in deze eeuw stelt Rabindranath Tagore in een van zijn laatste gedichten, ‘The Rising Sun’, aan de mens de vraag: ‘Wie bent u?’ Tagore geeft geen antwoord, want de mens is inderdaad geworteld in een mysterie: niet alleen ongekend maar onkenbaar.

Dit weten we tenminste: dat de mensheid niet in materiële of kwantitatieve termen kan worden gedefinieerd of beschreven. Men kan het onmeetbare niet door meting onthullen. De kracht die de zon en de andere sterren doet bewegen ligt geheel buiten het bereik van de materialistische wetenschap en haar kind, de technologie. Ik citeer weer William Blake:

Ieder natuurlijk gevolg heeft een geestelijke oorzaak,
en geen natuurlijke. Een natuurlijke oorzaak bestaat slechts in schijn.

En ik vraag weer: Wat is het nut van steeds meer communicatiesystemen, dat iedereen kan lezen en schrijven en al die andere dingen, als we niet weten wie we eigenlijk opvoeden en onderwijzen, en waarom we dat doen? Dit doet me denken aan een paar versregels van T.S. Eliot uit zijn The Waste Land [het barre land]:

Ik kan
Niets met niets verbinden.

Technologie, waarvan ‘het medium de boodschap is’, zoals ons is verteld, kan slechts ‘niets met niets’ verbinden. Al die internationale en interdisciplinaire uitwisselingen, al die informatieflitsen op televisieschermen over de hele wereld zijn volkomen nutteloos tenzij er opnieuw verbinding wordt gemaakt met de verloren bron.

Tegen de achtergrond van een cultuur die ervan uitgaat dat de basis van de werkelijkheid ‘materie’ is, kan kunst slechts een cosmetische waarde hebben, een laagje roze suikerglazuur om de harde werkelijkheid zoet te laten lijken: cursussen in ‘creatief schrijven’ waarbij iedereen ‘zijn eigen dingen doet zoals in hem opkomt’, en men zich bezighoudt met onschuldig tijdverdrijf, terwijl wetenschappers en technologen uitmaken wat ‘werkelijk’ belangrijk is. Deze wijdverspreide en populaire concessies aan de ‘menselijke waarden’ en ‘de kunst’ zijn door C.S. Lewis beschreven als ‘het bakken van moddertaarten’. Toch heeft tot voor kort iedere menselijke beschaving sinds de dageraad van de tijd zich gebaseerd op de erkenning dat geest het fundament van de werkelijkheid is. Het grootse erfgoed aan kennis en wijsheid van deze wereld, aan filosofie en kunstuitingen, berust op dit uitgangspunt. Onze cultuur is wat betreft verbeeldingskracht en spiritualiteit ongeletterd, en neemt waarden en betekenissen niet langer serieus. Aan wat Plato zag als innerlijke werkelijkheden zoals het goede, het ware en het schone, besteedt ze slechts een fractie van de aandacht die men aan technische vindingen schenkt.

Men heeft veel gesproken over ‘nieuwe waarden’. Maar de werkelijkheid is altijd zichzelf; er bestaat reeds een enorme schatkamer vol kennis en wijsheid, maar die wordt door de materialistische wetenschap verworpen als zijnde van geen belang. Niet de conclusies van de materialistische wetenschap moeten we ter discussie stellen, maar haar uitgangspunten.

 

II

We zijn een naar buiten gerichte samenleving en wanneer ‘de kern niet kan standhouden’, proberen we de stukken van de gefragmenteerde buitenkant samen te voegen. Tenzij dat verloren centrum, die dimensie die toegang geeft tot eeuwige, onmeetbare werelden, wordt hersteld, kunnen al die verbindingen aan de buitenkant van ‘niets met niets’ niet méér opleveren dan een troosteloze wereldeenheid. Ik zal een paar heel eenvoudige gedachten aanreiken over de noodzaak van de kunst van de verbeelding als een van de middelen om de verloren dimensie te herstellen. Deze gedachten lijken welhaast te simpel en vanzelfsprekend; maar de waarheid kan ons juist door haar eenvoud vaak ontgaan.

De simpele waarheid is dat er één gebied is waarin geen ‘overgang’ naar een wereldomvattende samenleving nodig is. Want zo’n samenleving is er al, is er altijd geweest en zal er altijd zijn, namelijk de wereld van de kunst van de verbeeldingskracht. Van dat ‘koninkrijk dat niet van deze wereld is’, is ieder die verkiest daar binnen te gaan een medeburger. In de ‘rijken van goud’ waar de dichter John Keats ‘zo vele bekoorlijke staten en koninkrijken had aanschouwd’, zijn er geen grenzen en geen conflicten. In die wereld is geen wedijver om bezit want er is geen eigendom; alles behoort aan iedereen, zoals het licht van de zon.

De aard van bezit is een van de belangrijkste oorzaken van conflicten en verdeeldheid in de materiële wereld. Want slechts één persoon, of groep personen, of natie, kan een stuk land of een andere vorm van rijkdom bezitten, met uitsluiting van anderen. Als een som geld wordt gedeeld door honderd mensen, krijgt ieder slechts een honderdste deel. In de wereld van de verbeeldingskunst geldt het tegenovergestelde: als honderd mensen naar een symfonie van Schubert luisteren of naar een toneelstuk van Shakespeare kijken, of een kathedraal, moskee of tempel bezoeken, of een psalm of sonnet uit het hoofd leren, ontvangt ieder van die honderd mensen het geheel, ongeacht hoeveel anderen deze ervaring met hen delen. De capaciteit van een concertzaal of schouwburg is dan misschien beperkt, maar de muziek of poëzie zelf is dat niet. De werelden van Homerus, Valmiki, Shakespeare, Proust, Shelley of Tagore kunnen, naar de mate waarin wij ze kunnen bevatten, geheel en al de onze zijn, en met des te meer vreugde omdat we deze werelden met veel anderen delen.

Het principe is heel eenvoudig: hoe groter de aantallen in de materiële wereld, hoe meer mensen in angst en wantrouwen leven en met elkaar concurreren. In die andere wereld zijn allen verenigd door banden van gemeenschappelijke kennis en vreugde in eenzelfde ervaring van verbeeldingskracht, en worden de velen die deelnemen aan muziek, toneel, poëzie of welke kunstvorm dan ook, juist helemaal niet van elkaar gescheiden. En wat is een beschaving anders dan de deelname van velen in bepaalde gemeenschappelijke velden van verbeeldingskracht? We wonen niet alleen in huizen van steen, maar ook in gebieden van de geest. Omdat de verbeeldingskracht universeel is, wordt een visioen van één mens, wanneer deze zijn juiste vorm krijgt, ‘het huis van de ziel’, een omschrijving van de dichtkunst zoals de wetenschapper I.A. Richards uit Cambridge die gaf. De hoeveelheid mensen die in zo’n huis kunnen wonen is onbegrensd.

 

III

Iedere natie of stam heeft haar eigen met haar verbeeldingskracht verbonden identiteit; het zijn inderdaad bepaalde gemeenschappelijke uitdrukkingswijzen, of melodieën, verhalen, dansen of andere kunstuitingen die de natie of stam in de eerste plaats haar eenheid verschaffen. Wat is, gezien vanuit een materieel standpunt, Engeland anders dan een klein overbevolkt eiland met een regenachtig klimaat en een industriële economie? Maar wat te zeggen van het Engeland van de verbeeldingskracht? Wat zou Engeland zijn zonder zijn dichters, zonder Shakespeare en ons theater, zonder onze gotische kathedralen? Het Engeland van de verbeeldingskracht behoort de hele wereld toe; er is ook een Ierland, een Frankrijk, Duitsland, Italië, India, China, Japan, een Amerika en een Rusland van de verbeeldingskracht. Staatsburgerschap is een privilege dat min of meer angstvallig door nationale regeringen wordt bewaakt. Maar de enorme landschappen die worden gevormd door Franse literatuur, Duitse muziek, de kunstschatten van Griekenland en Italië zijn voor de hele wereld toegankelijk. Er bestaan geen grenzen, zelfs niet tussen landen die politiek zeer vijandig tegenover elkaar staan. Wij kunnen ook een dubbel of meervoudig staatsburgerschap aannemen als we dat wensen. Iedereen kan zich medeburger voelen van die ene wereld van de verbeeldingskracht; als we houden van de kunst van een land, die een deel van ons wezen is geworden, dan zijn we tot op zekere hoogte al burgers van dat land.

In het westen en in de verwesterde moderne wereld leven we sinds de zeventiende eeuw onder de heerschappij van een materialistische ideologie. Niemand kan de uiteindelijke aard van de werkelijkheid begrijpen, maar overeenkomstig onze opvatting daarover, wordt ons geloof het middel tot het scheppen van een bepaald type wereld. De materialistische ideologie berust, zoals ik heb gezegd, op de veronderstelling dat materie de basis is van de werkelijkheid en dat zij onafhankelijk van de geest of van het denken bestaat. Dit geloof heeft een levenloos universum voortgebracht, dat kan worden gekend door het te wegen en te meten, oneindig deelbaar, maar zonder kwaliteiten, betekenis en waarden; zonder leven. Het onvermijdelijke resultaat is dat menselijke betekenissen en waarden geen basis lijken te hebben, irrelevant zijn en minder werkelijk dan de vele ingenieuze producten van de technologie.

Dit materiële stelsel, dat vrijwel overal in de moderne westerse maatschappij als de hele en enige werkelijkheid wordt gezien, beschouwt een wereld die is opgebouwd uit een oneindig aantal deeltjes, deelbaar tot in het oneindige, niet een eenheid maar een veelheid, een fragmentatie. Individuen streven er evenals naties naar om zoveel mogelijk van de verdeelbare bezittingen in eigendom te krijgen; alles is verdeeld en iemands ‘eigendom’. Een materialistische beschaving is onvermijdelijk gedoemd zichzelf op den duur te vernietigen omdat ze zo verdelend en competitief is. Ook een op materialisme gebaseerd ‘gelijk zijn van allen’ is geen oplossing, want een gelijke verdeling is niet minder een verdeling dan een ongelijke. De grote Engelse dichter en ziener William Blake begreep die dingen al aan het eind van de achttiende eeuw, toen de materialistische wetenschap in opkomst was:

Meer, meer, is de schreeuw van een dwalende ziel.
Minder dan alles zal de mens niet bevredigen.

Verbeelding, de wereld van denken en geest, is van nature een eenheid, een universum van heilige waarden en betekenissen, van vreugden en verdriet, waarvan de werkelijkheid niet afhangt van welke hypothese over ‘de materie’ dan ook; terwijl in de wereld van de materialistische wetenschap, waar de werkelijkheid gelijk wordt gesteld met wat gemeten en gekwantificeerd kan worden, niets heilig is. Ook dit contrast wordt door Blake onderstreept; hij antwoordde een aanhanger van de materialistische wetenschap die hem vroeg ‘Als de zon opkomt, zie je dan niet een ronde schijf van vuur, zoiets als een muntstuk?’: ‘O nee, nee, ik zie een eindeloos gezelschap van de hemelse menigte, en ze roepen: ‘Heilig, heilig, heilig’.’

In de loop van de jaren ben ik me gaan realiseren dat de crisis van deze tijd kan worden opgelost door niets minder dan een verandering in de uitgangspunten van onze beschaving. W.B. Yeats zet in zijn boek A Vision een begripskader uiteen van historische cyclussen waarin wereldbeschavingen elkaar opvolgen. Ook hij verkondigde een New Age. ‘De drie provinciale eeuwen zijn voorbij’, schreef hij aan een vriend, ‘wijsheid en poëzie keren terug’. Poëzie is de taal van de wijsheid, en die behoort tot de geest, tot de verbeeldingskracht, niet tot de wetenschap van de kwantificatie en een technologische beschaving. De profetieën van Blake, Shelley, Yeats en andere dichters gaan uit zichzelf in vervulling.

Moet er tussen de volkeren niet meer culturele uitwisseling plaatsvinden? Ja, maar welke cultuur moet worden uitgewisseld? Uitwisseling is nutteloos tenzij deze plaatsvindt op het niveau van verenigende verbeeldingskracht. Daarvoor is het noodzakelijk dat de deelnemende partners zelf een cultuur van verbeeldingskracht bezitten. Dit kan een traditionele cultuur zijn, zoals die van India, of een geleerde traditie, zoals die van het Europa van vóór de oorlog, gebaseerd op een hoge graad van literaire kennis. Waar moeten we ons in een nieuwe wereld, waar men niet meer kan lezen en schrijven, toe wenden?

 

IV

Er kan geen werkelijke culturele uitwisseling plaatsvinden tenzij eerst het ontwikkelen van de verbeeldingskracht deel van de opvoeding is geworden. Zij die ontvankelijk zijn voor de voortbrengselen van de verbeeldingskracht in hun eigen cultuur, zullen op natuurlijke wijze gehoor vinden bij andere culturen. Het wereldwijde voortschrijden van technologische kennis kan geen wereldomvattende eenheid teweegbrengen, maar slechts wereldomvattende eenvormigheid. Tenzij we voorzien in een andere vorm van kennis, het ontwikkelen van de verbeeldingskracht, zal die wereld gesloten blijven en zal competitieve hebzucht de overhand blijven houden.

Als we spreken over verbeeldingskracht doen we geen beroep op een elite zoals bijvoorbeeld de wetenschappelijke elite die bestaat uit mensen die uitzonderlijk begaafd en getraind zijn op een speciaal gebied van kennis. We spreken over de universele menselijke natuur, de grote menselijke familie. De gedeelde visie van het christendom verschafte Europa ooit een eenheid in een verbeeldingsvolle cultuur, want de grote ‘geopenbaarde’ religies zijn traditioneel het voertuig voor een collectief visioen van scheppingskracht dat stabiliteit en samenhang biedt. Maar ze blijven dat alleen zolang dat bezielende visioen niet wordt verduisterd door pogingen een visioen van hogere zaken te manipuleren ten bate van wereldse doeleinden. Hebben de religies van de wereld nu niet zelf dringend behoefte aan vernieuwing van hun scheppende kracht?

Helaas richt het moderne onderwijs zich vooral op nut en technologie. Bij dit soort onderwijs wordt de verbeeldingskracht van een natie niet langer gesteund door een gemeenschappelijke mythologie of poëzie. Maar het verlies van zo’n culturele eenheid kan een beschaving sneller vernietigen dan verbeeldingskracht haar kan opbouwen. Hoe kunnen we die eenheid herstellen? Wat is de nieuwe opvoeding die dat verloren rijk aan een nieuwe generatie kan teruggeven?

Wereldwijde onvrede over de materialistische waarden die erop gericht zijn de mensheid ‘alleen met brood’ te voeden, is wellicht al bezig haar eigen remedie voort te brengen: er is een diepe behoefte, een universeel zoeken naar de verloren waarden van de geest. Ik kan alleen spreken namens mijn eigen Temenos-kring in Engeland, die op dit moment eraan werkt een Temenos Academie van Geïntegreerde Studies op te richten, die zal pogen zaden te zaaien voor wat misschien het onderwijs van de toekomst zal worden: onderwijs geworteld in onvergankelijke wijsheid – de enige die een wereldomvattende eenheid op het niveau van de hoogste visie en het diepste begrip van de mensheid tot stand kan brengen. Er zijn andere bewegingen in andere delen van de wereld die door dezelfde behoefte worden geïnspireerd. Maar als een cultuur eenmaal verloren is gegaan, een continuïteit is verbroken, zou het dan niet onmogelijk zijn haar te herstellen? Als we nú handelen, zijn we misschien nog net op tijd om ons rijke erfgoed aan schatten van de verbeeldingskracht te redden.

De menselijke verbeeldingskracht zelf blijft natuurlijk altijd bestaan. Toch hebben we ook de voortbrengselen van de verbeeldingskracht nodig die tot nu toe in alle culturen behouden zijn gebleven en die de taal van de ervaring van iedere natie vormen. Ze zijn de middelen waardoor we van het verleden leren, van onze voorouders, en waardoor we communiceren met toekomstige generaties.

Daarom spreek ik me uit voor de kunst, voor een taal die het enige middel is waardoor we deelhebben aan wat de christelijke geschriften ‘de gaven van de geest’ noemen. Het universum van de verbeeldingskracht blijft voor wie eraan deelnemen een levende eenheid in een eeuwige, onsterfelijke wereld zonder grenzen, waarin zowel verleden als toekomst zijn besloten in de enige universele werkelijkheid, onze gemeenschappelijke visie van de eeuwigheid.

 
Andere artikelen over kunst
 

Uit het tijdschrift Sunrise juli/aug 1999

© 1999 Theosophical University Press Agency