We hebben, tijdens deze dagen van intensief denken, geluisterd naar
vele wereldberoemde autoriteiten op het gebied van sociale en natuurwetenschappen,
en we hebben hen horen spreken over de wetenschappelijke en technologische
middelen die nu ter beschikking staan voor de overdracht van informatie
die de hele planeet in een ‘wereldomvattende eenheid’ verbindt.
Maar ik zal hier spreken namens de dichters; en poëzie is niet
de taal van kwantificeerbare en berekenbare feiten, maar van de ziel,
waarvan de betekenis en waarde onmeetbaar zijn. En ik heb me afgevraagd
wat het nut is van al die communicatietechnieken, interdisciplinaire
dialogen, en satellietoverdracht van bliksemsnelle informatie aan myriaden
televisietoestellen over de hele wereld. In feite van heel die activiteit
die ‘educatie’ wordt genoemd, en waar men zo prat op gaat
en geen twijfels over heeft, tenzij we ons richten op de vraag die hier
door John Huddleston en prof. Bushrui wordt gesteld.
Die vraag is de oudste van de wereld: ‘Wat is de Mens?’
Het antwoord dat Oedipus gaf op het raadsel van de sfinx over ‘Vier
benen, twee benen, drie benen’ is bepaald simplistisch. Dus de
natuurlijke mens kan worden gedefinieerd als dat waar T.S. Eliot mijn
generatie aan herinnerde toen hij schreef dat ‘het leven op een
krokodilleneiland slechts om drie dingen gaat: geboorte, paring en dood’.
Maar de roep aan God van de psalmist,
Wat is de mens, dat gij rekening met hem houdt?
en de zoon des mensen, dat gij hem bezoekt?
Want gij hebt hem een weinig lager geschapen dan de engelen,
en hebt hem gekroond met glorie en eer
betreft de mens als een levende geest, een mysterie.
William Blake, de Engelse dichter-profeet, stelde zich eveneens die
vraag, en zijn antwoord luidde: ‘de mens is òf de Ark van
God, òf een fantoom gemaakt van water en aarde’. Voor Blake
is de mens ongetwijfeld de drager van de goddelijke tegenwoordigheid.
En in deze eeuw stelt Rabindranath Tagore in een van zijn laatste gedichten,
‘The Rising Sun’, aan de mens de vraag: ‘Wie bent
u?’ Tagore geeft geen antwoord, want de mens is inderdaad geworteld
in een mysterie: niet alleen ongekend maar onkenbaar.
Dit weten we tenminste: dat de mensheid niet in materiële of kwantitatieve
termen kan worden gedefinieerd of beschreven. Men kan het onmeetbare
niet door meting onthullen. De kracht die de zon en de andere sterren
doet bewegen ligt geheel buiten het bereik van de materialistische wetenschap
en haar kind, de technologie. Ik citeer weer William Blake:
Ieder natuurlijk gevolg heeft een geestelijke oorzaak,
en geen natuurlijke. Een natuurlijke oorzaak bestaat slechts in schijn.
En ik vraag weer: Wat is het nut van steeds meer communicatiesystemen,
dat iedereen kan lezen en schrijven en al die andere dingen, als we
niet weten wie we eigenlijk opvoeden en onderwijzen, en waarom we dat
doen? Dit doet me denken aan een paar versregels van T.S. Eliot uit
zijn The Waste Land [het barre land]:
Ik kan
Niets met niets verbinden.
Technologie, waarvan ‘het medium de boodschap is’, zoals
ons is verteld, kan slechts ‘niets met niets’ verbinden.
Al die internationale en interdisciplinaire uitwisselingen, al die informatieflitsen
op televisieschermen over de hele wereld zijn volkomen nutteloos tenzij
er opnieuw verbinding wordt gemaakt met de verloren bron.
Tegen de achtergrond van een cultuur die ervan uitgaat dat de basis
van de werkelijkheid ‘materie’ is, kan kunst slechts een
cosmetische waarde hebben, een laagje roze suikerglazuur om de harde
werkelijkheid zoet te laten lijken: cursussen in ‘creatief schrijven’
waarbij iedereen ‘zijn eigen dingen doet zoals in hem opkomt’,
en men zich bezighoudt met onschuldig tijdverdrijf, terwijl wetenschappers
en technologen uitmaken wat ‘werkelijk’ belangrijk is. Deze
wijdverspreide en populaire concessies aan de ‘menselijke waarden’
en ‘de kunst’ zijn door C.S. Lewis beschreven als ‘het
bakken van moddertaarten’. Toch heeft tot voor kort iedere menselijke
beschaving sinds de dageraad van de tijd zich gebaseerd op de erkenning
dat geest het fundament van de werkelijkheid is. Het grootse erfgoed
aan kennis en wijsheid van deze wereld, aan filosofie en kunstuitingen,
berust op dit uitgangspunt. Onze cultuur is wat betreft verbeeldingskracht
en spiritualiteit ongeletterd, en neemt waarden en betekenissen niet
langer serieus. Aan wat Plato zag als innerlijke werkelijkheden zoals
het goede, het ware en het schone, besteedt ze slechts een fractie van
de aandacht die men aan technische vindingen schenkt.
Men heeft veel gesproken over ‘nieuwe waarden’. Maar de
werkelijkheid is altijd zichzelf; er bestaat reeds een enorme schatkamer
vol kennis en wijsheid, maar die wordt door de materialistische wetenschap
verworpen als zijnde van geen belang. Niet de conclusies van
de materialistische wetenschap moeten we ter discussie stellen, maar
haar uitgangspunten.
II
We zijn een naar buiten gerichte samenleving en wanneer ‘de kern
niet kan standhouden’, proberen we de stukken van de gefragmenteerde
buitenkant samen te voegen. Tenzij dat verloren centrum, die dimensie
die toegang geeft tot eeuwige, onmeetbare werelden, wordt hersteld,
kunnen al die verbindingen aan de buitenkant van ‘niets met niets’
niet méér opleveren dan een troosteloze wereldeenheid.
Ik zal een paar heel eenvoudige gedachten aanreiken over de noodzaak
van de kunst van de verbeelding als een van de middelen om de verloren
dimensie te herstellen. Deze gedachten lijken welhaast te simpel en
vanzelfsprekend; maar de waarheid kan ons juist door haar eenvoud vaak
ontgaan.
De simpele waarheid is dat er één gebied is waarin geen
‘overgang’ naar een wereldomvattende samenleving nodig is.
Want zo’n samenleving is er al, is er altijd geweest en zal er
altijd zijn, namelijk de wereld van de kunst van de verbeeldingskracht.
Van dat ‘koninkrijk dat niet van deze wereld is’, is ieder
die verkiest daar binnen te gaan een medeburger. In de ‘rijken
van goud’ waar de dichter John Keats ‘zo vele bekoorlijke
staten en koninkrijken had aanschouwd’, zijn er geen grenzen en
geen conflicten. In die wereld is geen wedijver om bezit want er is
geen eigendom; alles behoort aan iedereen, zoals het licht van de zon.
De aard van bezit is een van de belangrijkste oorzaken van conflicten
en verdeeldheid in de materiële wereld. Want slechts één
persoon, of groep personen, of natie, kan een stuk land of een andere
vorm van rijkdom bezitten, met uitsluiting van anderen. Als een som
geld wordt gedeeld door honderd mensen, krijgt ieder slechts een honderdste
deel. In de wereld van de verbeeldingskunst geldt het tegenovergestelde:
als honderd mensen naar een symfonie van Schubert luisteren of naar
een toneelstuk van Shakespeare kijken, of een kathedraal, moskee of
tempel bezoeken, of een psalm of sonnet uit het hoofd leren, ontvangt
ieder van die honderd mensen het geheel, ongeacht hoeveel anderen deze
ervaring met hen delen. De capaciteit van een concertzaal of schouwburg
is dan misschien beperkt, maar de muziek of poëzie zelf is dat
niet. De werelden van Homerus, Valmiki, Shakespeare, Proust, Shelley
of Tagore kunnen, naar de mate waarin wij ze kunnen bevatten, geheel
en al de onze zijn, en met des te meer vreugde omdat we deze werelden
met veel anderen delen.
Het principe is heel eenvoudig: hoe groter de aantallen in de materiële
wereld, hoe meer mensen in angst en wantrouwen leven en met elkaar concurreren.
In die andere wereld zijn allen verenigd door banden van gemeenschappelijke
kennis en vreugde in eenzelfde ervaring van verbeeldingskracht, en worden
de velen die deelnemen aan muziek, toneel, poëzie of welke kunstvorm
dan ook, juist helemaal niet van elkaar gescheiden. En wat is een beschaving
anders dan de deelname van velen in bepaalde gemeenschappelijke velden
van verbeeldingskracht? We wonen niet alleen in huizen van steen, maar
ook in gebieden van de geest. Omdat de verbeeldingskracht universeel
is, wordt een visioen van één mens, wanneer deze zijn
juiste vorm krijgt, ‘het huis van de ziel’, een omschrijving
van de dichtkunst zoals de wetenschapper I.A. Richards uit Cambridge
die gaf. De hoeveelheid mensen die in zo’n huis kunnen wonen is
onbegrensd.
III
Iedere natie of stam heeft haar eigen met haar verbeeldingskracht verbonden
identiteit; het zijn inderdaad bepaalde gemeenschappelijke uitdrukkingswijzen,
of melodieën, verhalen, dansen of andere kunstuitingen die de natie
of stam in de eerste plaats haar eenheid verschaffen. Wat is, gezien
vanuit een materieel standpunt, Engeland anders dan een klein overbevolkt
eiland met een regenachtig klimaat en een industriële economie?
Maar wat te zeggen van het Engeland van de verbeeldingskracht? Wat zou
Engeland zijn zonder zijn dichters, zonder Shakespeare en ons theater,
zonder onze gotische kathedralen? Het Engeland van de verbeeldingskracht
behoort de hele wereld toe; er is ook een Ierland, een Frankrijk, Duitsland,
Italië, India, China, Japan, een Amerika en een Rusland van de
verbeeldingskracht. Staatsburgerschap is een privilege dat min of meer
angstvallig door nationale regeringen wordt bewaakt. Maar de enorme
landschappen die worden gevormd door Franse literatuur, Duitse muziek,
de kunstschatten van Griekenland en Italië zijn voor de hele wereld
toegankelijk. Er bestaan geen grenzen, zelfs niet tussen landen die
politiek zeer vijandig tegenover elkaar staan. Wij kunnen ook een dubbel
of meervoudig staatsburgerschap aannemen als we dat wensen. Iedereen
kan zich medeburger voelen van die ene wereld van de verbeeldingskracht;
als we houden van de kunst van een land, die een deel van ons wezen
is geworden, dan zijn we tot op zekere hoogte al burgers van dat land.
In het westen en in de verwesterde moderne wereld leven we sinds de
zeventiende eeuw onder de heerschappij van een materialistische ideologie.
Niemand kan de uiteindelijke aard van de werkelijkheid begrijpen, maar
overeenkomstig onze opvatting daarover, wordt ons geloof het middel
tot het scheppen van een bepaald type wereld. De materialistische ideologie
berust, zoals ik heb gezegd, op de veronderstelling dat materie de basis
is van de werkelijkheid en dat zij onafhankelijk van de geest of van
het denken bestaat. Dit geloof heeft een levenloos universum voortgebracht,
dat kan worden gekend door het te wegen en te meten, oneindig deelbaar,
maar zonder kwaliteiten, betekenis en waarden; zonder leven. Het onvermijdelijke
resultaat is dat menselijke betekenissen en waarden geen basis lijken
te hebben, irrelevant zijn en minder werkelijk dan de vele ingenieuze
producten van de technologie.
Dit materiële stelsel, dat vrijwel overal in de moderne westerse
maatschappij als de hele en enige werkelijkheid wordt gezien, beschouwt
een wereld die is opgebouwd uit een oneindig aantal deeltjes, deelbaar
tot in het oneindige, niet een eenheid maar een veelheid, een fragmentatie.
Individuen streven er evenals naties naar om zoveel mogelijk van de
verdeelbare bezittingen in eigendom te krijgen; alles is verdeeld en
iemands ‘eigendom’. Een materialistische beschaving is onvermijdelijk
gedoemd zichzelf op den duur te vernietigen omdat ze zo verdelend en
competitief is. Ook een op materialisme gebaseerd ‘gelijk zijn
van allen’ is geen oplossing, want een gelijke verdeling is niet
minder een verdeling dan een ongelijke. De grote Engelse dichter en
ziener William Blake begreep die dingen al aan het eind van de achttiende
eeuw, toen de materialistische wetenschap in opkomst was:
Meer, meer, is de schreeuw van een dwalende ziel.
Minder dan alles zal de mens niet bevredigen.
Verbeelding, de wereld van denken en geest, is van nature een eenheid,
een universum van heilige waarden en betekenissen, van vreugden en verdriet,
waarvan de werkelijkheid niet afhangt van welke hypothese over ‘de
materie’ dan ook; terwijl in de wereld van de materialistische
wetenschap, waar de werkelijkheid gelijk wordt gesteld met wat gemeten
en gekwantificeerd kan worden, niets heilig is. Ook dit contrast wordt
door Blake onderstreept; hij antwoordde een aanhanger van de materialistische
wetenschap die hem vroeg ‘Als de zon opkomt, zie je dan niet een
ronde schijf van vuur, zoiets als een muntstuk?’: ‘O nee,
nee, ik zie een eindeloos gezelschap van de hemelse menigte, en ze roepen:
‘Heilig, heilig, heilig’.’
In de loop van de jaren ben ik me gaan realiseren dat de crisis van
deze tijd kan worden opgelost door niets minder dan een verandering
in de uitgangspunten van onze beschaving. W.B. Yeats zet in zijn boek
A Vision een begripskader uiteen van historische cyclussen
waarin wereldbeschavingen elkaar opvolgen. Ook hij verkondigde een New
Age. ‘De drie provinciale eeuwen zijn voorbij’, schreef
hij aan een vriend, ‘wijsheid en poëzie keren terug’.
Poëzie is de taal van de wijsheid, en die behoort tot de geest,
tot de verbeeldingskracht, niet tot de wetenschap van de kwantificatie
en een technologische beschaving. De profetieën van Blake, Shelley,
Yeats en andere dichters gaan uit zichzelf in vervulling.
Moet er tussen de volkeren niet meer culturele uitwisseling plaatsvinden?
Ja, maar welke cultuur moet worden uitgewisseld? Uitwisseling is nutteloos
tenzij deze plaatsvindt op het niveau van verenigende verbeeldingskracht.
Daarvoor is het noodzakelijk dat de deelnemende partners zelf een cultuur
van verbeeldingskracht bezitten. Dit kan een traditionele cultuur zijn,
zoals die van India, of een geleerde traditie, zoals die van het Europa
van vóór de oorlog, gebaseerd op een hoge graad van literaire
kennis. Waar moeten we ons in een nieuwe wereld, waar men niet meer
kan lezen en schrijven, toe wenden?
IV
Er kan geen werkelijke culturele uitwisseling plaatsvinden tenzij eerst
het ontwikkelen van de verbeeldingskracht deel van de opvoeding is geworden.
Zij die ontvankelijk zijn voor de voortbrengselen van de verbeeldingskracht
in hun eigen cultuur, zullen op natuurlijke wijze gehoor vinden bij
andere culturen. Het wereldwijde voortschrijden van technologische kennis
kan geen wereldomvattende eenheid teweegbrengen, maar slechts wereldomvattende
eenvormigheid. Tenzij we voorzien in een andere vorm van kennis, het
ontwikkelen van de verbeeldingskracht, zal die wereld gesloten blijven
en zal competitieve hebzucht de overhand blijven houden.
Als we spreken over verbeeldingskracht doen we geen beroep op een elite
zoals bijvoorbeeld de wetenschappelijke elite die bestaat uit mensen
die uitzonderlijk begaafd en getraind zijn op een speciaal gebied van
kennis. We spreken over de universele menselijke natuur, de grote menselijke
familie. De gedeelde visie van het christendom verschafte Europa ooit
een eenheid in een verbeeldingsvolle cultuur, want de grote ‘geopenbaarde’
religies zijn traditioneel het voertuig voor een collectief visioen
van scheppingskracht dat stabiliteit en samenhang biedt. Maar ze blijven
dat alleen zolang dat bezielende visioen niet wordt verduisterd door
pogingen een visioen van hogere zaken te manipuleren ten bate van wereldse
doeleinden. Hebben de religies van de wereld nu niet zelf dringend behoefte
aan vernieuwing van hun scheppende kracht?
Helaas richt het moderne onderwijs zich vooral op nut en technologie.
Bij dit soort onderwijs wordt de verbeeldingskracht van een natie niet
langer gesteund door een gemeenschappelijke mythologie of poëzie.
Maar het verlies van zo’n culturele eenheid kan een beschaving
sneller vernietigen dan verbeeldingskracht haar kan opbouwen. Hoe kunnen
we die eenheid herstellen? Wat is de nieuwe opvoeding die dat verloren
rijk aan een nieuwe generatie kan teruggeven?
Wereldwijde onvrede over de materialistische waarden die erop gericht
zijn de mensheid ‘alleen met brood’ te voeden, is wellicht
al bezig haar eigen remedie voort te brengen: er is een diepe behoefte,
een universeel zoeken naar de verloren waarden van de geest. Ik kan
alleen spreken namens mijn eigen Temenos-kring in Engeland,
die op dit moment eraan werkt een Temenos Academie van Geïntegreerde
Studies op te richten, die zal pogen zaden te zaaien voor wat misschien
het onderwijs van de toekomst zal worden: onderwijs geworteld in onvergankelijke
wijsheid – de enige die een wereldomvattende eenheid op het niveau
van de hoogste visie en het diepste begrip van de mensheid tot stand
kan brengen. Er zijn andere bewegingen in andere delen van de wereld
die door dezelfde behoefte worden geïnspireerd. Maar als een cultuur
eenmaal verloren is gegaan, een continuïteit is verbroken, zou
het dan niet onmogelijk zijn haar te herstellen? Als we nú handelen,
zijn we misschien nog net op tijd om ons rijke erfgoed aan schatten
van de verbeeldingskracht te redden.
De menselijke verbeeldingskracht zelf blijft natuurlijk altijd bestaan.
Toch hebben we ook de voortbrengselen van de verbeeldingskracht nodig
die tot nu toe in alle culturen behouden zijn gebleven en die de taal
van de ervaring van iedere natie vormen. Ze zijn de middelen waardoor
we van het verleden leren, van onze voorouders, en waardoor we communiceren
met toekomstige generaties.
Daarom spreek ik me uit voor de kunst, voor een taal die het enige
middel is waardoor we deelhebben aan wat de christelijke geschriften
‘de gaven van de geest’ noemen. Het universum van de verbeeldingskracht
blijft voor wie eraan deelnemen een levende eenheid in een eeuwige,
onsterfelijke wereld zonder grenzen, waarin zowel verleden als toekomst
zijn besloten in de enige universele werkelijkheid, onze gemeenschappelijke
visie van de eeuwigheid.