De geest in de mens wordt helderder wanneer de mist van de illusie
in het bewustzijn een tijdlang wordt verdreven. Want er zijn veel illusies
waar we doorheen moeten breken; maar achter alle is, denk ik, het verborgen
hart met de daarin aanwezige kracht en geestelijke verlichting die het
werkelijke erfgoed van de mens is. En eigenlijk is dit wat we moeten
bereiken met alle behandelmethodes, oefening, ontwikkeling, denken en
onderzoek, maar ook in de religie: het onbekende punt in het bestaan
dat niemand erkent en dat al te vaak wordt verward met een persoonlijke
god of een andere hulp van buitenaf.
Mijn gedachten gaan terug naar de jaren dat ik opgroeide in een psychiatrische
inrichting waar mijn vader als ingenieur werkte. We woonden in een huis
op het uitgestrekte terrein van het ziekenhuis. Daar speelde ik als
kind en zag niets vreemds aan de patiënten. Veel later werd ik
er verpleeghulp, de jongste in Zweden, maar dat is een ander verhaal.
Er was in de kliniek een erg zieke man die ik Gösta zal noemen.
Regelmatig belandde hij in de isoleerafdeling, in die tijd een vreselijke
plek. De afzondering was vrijwel totaal. De patiënten leken meer
op dieren dan op mensen; het voedsel enz. werd meestal op een blikken
dienblad onder de deur geschoven. Het was er duister en de ramen waren
zwaar getralied.
Als het beter ging met Gösta kon hij vrij op het terrein rondlopen.
Tijdens zo’n gelegenheid had hij een vreemd visioen. De doktoren
en verpleegsters waren daaraan gewend – veel patiënten hadden
visioenen – en ze besteedden er weinig aandacht aan. Maar Gösta
zette door en ging de geneesheer-directeur opzoeken om hem over zijn
visioenen te vertellen: een innerlijke stem zei hem dat hij binnen vijf
jaar beter zou zijn en dat hij moest beginnen grond te bewerken en een
tuin moest aanleggen. Natuurlijk mocht hij het proberen.
Aan de rand van het ziekenhuiscomplex lag een redelijk groot perceel
open terrein met heide en struiken. Men gaf hem gereedschappen en hij
begon aan zijn karwei, waarbij hij de innerlijke stem volgde. Aanvankelijk
ging het niet zo best. Hij stuitte steeds weer op stenen, wortels en
andere dingen. Het personeel hield hem in het oog en dacht dat wat hij
deed geen kwaad kon, en het werk ging door. Tegen de herfst van het
eerste jaar kon je bepaalde paden onderscheiden die hij had aangelegd.
Tegen het tweede jaar waren die paden mooie kronkelweggetjes geworden
vanwaar je rondom wilde bloemen kon bewonderen. Zowel patiënten
als anderen maakten soms van die paden gebruik. Een aantal maanden later
– iedereen was er nu aan gewend de patiënt druk bezig te
zien met het zware werk van het graven en aanleggen – waren er
bloembedden en stonden er aardbeien in bloei. Op andere plekken was
er een verscheidenheid aan planten en bloemen, zoals klokbloemen, steenbreek
en heel veel andere. Op een beschutte plaats stonden tomaten die glanzend
rood rijpten. Alles was zo snel tot stand gebracht en gegroeid. Het
werd echt een onderwerp van gesprek. ’s Avonds wandelden er mensen
die de opbouw bewonderden, de ‘tuinarchitectuur’, zoals
ze het noemden. En Gösta zwoegde verder in het zweet zijns aanschijns.
Tegen het derde jaar vroeg hij om meer terrein. Hij begon ook met irrigatie
en composteren, en toen de aardbeien rijp waren, waren ze zo groot als
pruimen. Bezoekers uit Göteborg verspreidden het nieuws van ‘Gösta’s
aardbeien’, en er kwamen kleine handelaren om van hem te kopen.
Intussen was er vrijwel niemand meer die Gösta als ernstig ziek
beschouwde; hij was gewoon zoals ieder ander. Je kon met hem praten
. . . maar de geneesheer-directeur was nog een beetje ongerust. De oorzaak
van de symptomen die deze patiënt had gehad zouden niet zo makkelijk
zijn uitgeroeid. Lange ervaring had hem dit geleerd. De patiënt
kreeg echter alle steun die hij voor zijn projecten nodig had.
Dagen, weken, maanden, werden jaren. De kronkelpaden waren geplaveid
met een soort kalksteen die de weg voor de wandelaar verlichtte. Overal
kon je het gemurmel horen van het water boven het dammetje dat hij had
aangelegd. Nu en dan zag je bezoekers van andere patiënten vruchten
en groenten uit de tuin meenemen. Gösta vergat nooit de innerlijke
stem die hem ertoe had gebracht zich met deze onderneming te belasten
en die hem nu hielp zijn ziekte te boven te komen. Naarmate zijn gevoel
voor bloemen, planten en vruchten toenam, vergat hij zichzelf hoe langer
hoe meer. Het contact met kopers en verkopers dwong hem zelfstandig
te denken en boven zijn persoonlijke beperking en het in zichzelf gekeerd
zijn uit te stijgen. Veel mensen wilden hem raadplegen over composthopen
en te weten komen hoe hij zulke prachtige tomaten en aardbeien had gekweekt.
Door zijn liefde voor planten kwam hij op een natuurlijke manier en
spontaan in contact met mensen.
In het vijfde jaar was Gösta op een mooie herfstdag aan het schoffelen
in zijn tuin toen de directeur hem kwam opzoeken, hem hartelijk begroette,
zijn bewondering over de indeling uitsprak en een beetje peinzend maar
bescheiden zei: ‘Weet je, Gösta, dat je een groots werk hebt
volbracht, een wonder hebt beleefd?’ ‘U bedoelt dat dit
hier een wonder is? Nee hoor.’ Maar de directeur ging verder:
‘Ik bedoel niet je tuin, al bewonder ik die ook. Ik bedoel het
werk dat je aan jezelf hebt verricht. Dat is een groot wonder. Je bent
beter en je bent vrij om te gaan en te doen wat je wilt. Maar ik wil
graag dat je je diensten ter beschikking stelt van onze eigen grote
tuin. Je bent hier altijd welkom, onthoud dat.’ De twee mannen
schudden elkaar de hand, onbewust van de nieuwsgierige jongen die vlakbij
luistervinkje speelde.
Dat is dan het einde van het verhaal over een patiënt die een
ernstige geestelijke handicap overwon. Levensomstandigheden voerden
me ver weg van dat ziekenhuis, maar helder en zuiver is de herinnering
aan een man die niet was te verslaan. Hoe gelukkig zijn wij die ons
gezonde verstand, onze gedachten en gevoelens hebben, die onze eigen
roeping kunnen volgen, vertrouwend op onze intuïtie en het menselijke
contact dat zo vaak een bron van kracht is.