De tuinman en zijn bloemen
Rutger Bergström

 

De geest in de mens wordt helderder wanneer de mist van de illusie in het bewustzijn een tijdlang wordt verdreven. Want er zijn veel illusies waar we doorheen moeten breken; maar achter alle is, denk ik, het verborgen hart met de daarin aanwezige kracht en geestelijke verlichting die het werkelijke erfgoed van de mens is. En eigenlijk is dit wat we moeten bereiken met alle behandelmethodes, oefening, ontwikkeling, denken en onderzoek, maar ook in de religie: het onbekende punt in het bestaan dat niemand erkent en dat al te vaak wordt verward met een persoonlijke god of een andere hulp van buitenaf.

Mijn gedachten gaan terug naar de jaren dat ik opgroeide in een psychiatrische inrichting waar mijn vader als ingenieur werkte. We woonden in een huis op het uitgestrekte terrein van het ziekenhuis. Daar speelde ik als kind en zag niets vreemds aan de patiënten. Veel later werd ik er verpleeghulp, de jongste in Zweden, maar dat is een ander verhaal. Er was in de kliniek een erg zieke man die ik Gösta zal noemen. Regelmatig belandde hij in de isoleerafdeling, in die tijd een vreselijke plek. De afzondering was vrijwel totaal. De patiënten leken meer op dieren dan op mensen; het voedsel enz. werd meestal op een blikken dienblad onder de deur geschoven. Het was er duister en de ramen waren zwaar getralied.

Als het beter ging met Gösta kon hij vrij op het terrein rondlopen. Tijdens zo’n gelegenheid had hij een vreemd visioen. De doktoren en verpleegsters waren daaraan gewend – veel patiënten hadden visioenen – en ze besteedden er weinig aandacht aan. Maar Gösta zette door en ging de geneesheer-directeur opzoeken om hem over zijn visioenen te vertellen: een innerlijke stem zei hem dat hij binnen vijf jaar beter zou zijn en dat hij moest beginnen grond te bewerken en een tuin moest aanleggen. Natuurlijk mocht hij het proberen.

Aan de rand van het ziekenhuiscomplex lag een redelijk groot perceel open terrein met heide en struiken. Men gaf hem gereedschappen en hij begon aan zijn karwei, waarbij hij de innerlijke stem volgde. Aanvankelijk ging het niet zo best. Hij stuitte steeds weer op stenen, wortels en andere dingen. Het personeel hield hem in het oog en dacht dat wat hij deed geen kwaad kon, en het werk ging door. Tegen de herfst van het eerste jaar kon je bepaalde paden onderscheiden die hij had aangelegd. Tegen het tweede jaar waren die paden mooie kronkelweggetjes geworden vanwaar je rondom wilde bloemen kon bewonderen. Zowel patiënten als anderen maakten soms van die paden gebruik. Een aantal maanden later – iedereen was er nu aan gewend de patiënt druk bezig te zien met het zware werk van het graven en aanleggen – waren er bloembedden en stonden er aardbeien in bloei. Op andere plekken was er een verscheidenheid aan planten en bloemen, zoals klokbloemen, steenbreek en heel veel andere. Op een beschutte plaats stonden tomaten die glanzend rood rijpten. Alles was zo snel tot stand gebracht en gegroeid. Het werd echt een onderwerp van gesprek. ’s Avonds wandelden er mensen die de opbouw bewonderden, de ‘tuinarchitectuur’, zoals ze het noemden. En Gösta zwoegde verder in het zweet zijns aanschijns.

Tegen het derde jaar vroeg hij om meer terrein. Hij begon ook met irrigatie en composteren, en toen de aardbeien rijp waren, waren ze zo groot als pruimen. Bezoekers uit Göteborg verspreidden het nieuws van ‘Gösta’s aardbeien’, en er kwamen kleine handelaren om van hem te kopen. Intussen was er vrijwel niemand meer die Gösta als ernstig ziek beschouwde; hij was gewoon zoals ieder ander. Je kon met hem praten . . . maar de geneesheer-directeur was nog een beetje ongerust. De oorzaak van de symptomen die deze patiënt had gehad zouden niet zo makkelijk zijn uitgeroeid. Lange ervaring had hem dit geleerd. De patiënt kreeg echter alle steun die hij voor zijn projecten nodig had.

Dagen, weken, maanden, werden jaren. De kronkelpaden waren geplaveid met een soort kalksteen die de weg voor de wandelaar verlichtte. Overal kon je het gemurmel horen van het water boven het dammetje dat hij had aangelegd. Nu en dan zag je bezoekers van andere patiënten vruchten en groenten uit de tuin meenemen. Gösta vergat nooit de innerlijke stem die hem ertoe had gebracht zich met deze onderneming te belasten en die hem nu hielp zijn ziekte te boven te komen. Naarmate zijn gevoel voor bloemen, planten en vruchten toenam, vergat hij zichzelf hoe langer hoe meer. Het contact met kopers en verkopers dwong hem zelfstandig te denken en boven zijn persoonlijke beperking en het in zichzelf gekeerd zijn uit te stijgen. Veel mensen wilden hem raadplegen over composthopen en te weten komen hoe hij zulke prachtige tomaten en aardbeien had gekweekt. Door zijn liefde voor planten kwam hij op een natuurlijke manier en spontaan in contact met mensen.

In het vijfde jaar was Gösta op een mooie herfstdag aan het schoffelen in zijn tuin toen de directeur hem kwam opzoeken, hem hartelijk begroette, zijn bewondering over de indeling uitsprak en een beetje peinzend maar bescheiden zei: ‘Weet je, Gösta, dat je een groots werk hebt volbracht, een wonder hebt beleefd?’ ‘U bedoelt dat dit hier een wonder is? Nee hoor.’ Maar de directeur ging verder: ‘Ik bedoel niet je tuin, al bewonder ik die ook. Ik bedoel het werk dat je aan jezelf hebt verricht. Dat is een groot wonder. Je bent beter en je bent vrij om te gaan en te doen wat je wilt. Maar ik wil graag dat je je diensten ter beschikking stelt van onze eigen grote tuin. Je bent hier altijd welkom, onthoud dat.’ De twee mannen schudden elkaar de hand, onbewust van de nieuwsgierige jongen die vlakbij luistervinkje speelde.

Dat is dan het einde van het verhaal over een patiënt die een ernstige geestelijke handicap overwon. Levensomstandigheden voerden me ver weg van dat ziekenhuis, maar helder en zuiver is de herinnering aan een man die niet was te verslaan. Hoe gelukkig zijn wij die ons gezonde verstand, onze gedachten en gevoelens hebben, die onze eigen roeping kunnen volgen, vertrouwend op onze intuïtie en het menselijke contact dat zo vaak een bron van kracht is.

 

Andere artikelen over psychologie en psychiatrie

Andere artikelen over lichamelijke en verstandelijke beperkingen

 

Uit het tijdschrift Sunrise juli/aug 1999

© 1999 Theosophical University Press Agency